De dag van vandaag hoort men een zeer duidelijk verschil tussen “westerse” en “oosterse” muziek. Tot in de middeleeuwen werd dat verschil echter niet gemaakt, integendeel tot de dertiende eeuw kon men spreken van een harmonieuze, bloeiende mediterrane cultuur. Vanaf de elfde eeuw was de westerse kerk echter reeds begonnen met haar individualiteit en onafhankelijkheid ten opzichte van de oosterse kerken te profileren. Dat zou uiteindelijk uitmonden in een pauselijke bul uit 1304 die het gebruik van de ney (Arabische rietfluit) in Spaanse kerken verbood. (Uit diezelfde periode dateert ook een brief van een aartsbisschop, die er bij de paus over klaagt dat de priesters steeds minder Latijn kennen, maar wel volop Arabische liefdespoëzie lezen.)
Op dit gegeven beriep de Canadese musicoloog Timothy McGee zich om in zijn “The Sound of Medieval Song” (1998) te concluderen dat men “onze” middeleeuwse liederen (van Hildegard von Bingen bijvoorbeeld) het beste kan zingen op de manier zoals men dat vandaag in de klassieke Arabische muziek hoort (klimsprongen van borst- naar kopstem, sterke ornamentatie, enz.). Het is een visie die nog altijd geen algemene erkenning heeft verkregen, maar het multiculturele ensemble Sarband van de Duitse Bulgaar Vladimir Ivanoff brengt ze toch al in de praktijk.
Aangezien op deze periode een tijdperk van diverse oorlogen tussen oost en west volgde, zou het tot het beleg van Wenen in 1683 duren (toen de Turken definitief uit Europa werden verdreven) vooraleer de oosterse invloed op de westerse muziek weer “mode” werd (de zogenaamde “Turqueries”). Vooral Mozart zou met zijn “Entführung aus dem Serail” en zijn rondo “Alla Turca” zeker aan de top van de hitparade hebben gestaan, indien zoiets al had bestaan in die tijd. En er zijn nog andere voorbeelden: de Sinfonia Turchesca van Franz Xaver Süssmaier (Mozarts leerling en wellicht minnaar van diens vrouw) en het Concerto Turco dat Giovanni Battista Toderini optekende in zijn “Letteratura Turchesca” (Venetië 1787). Ditzelfde concerto was in 1715 al uitgegeven door de markies de Ferriol in zijn “Explication de cent Estampes”, maar zo slordig dat toen Toderini dit liet horen aan echte Turken, die hun eigen muziek niet herkenden!
Maar zoals gewoonlijk zijn het minder bekende namen die pionierswerk hebben verricht. Zo is er in de zeventiende eeuw Woiciech Bobowsky (of in de nog meer verwesterde schrijfwijze: Albert Bobovsky), een Hongaarse organist en kerkmuzikant die als slaaf aan de Ottomaanse sultan werd verkocht en achttien jaar lang musicus en componist aan diens hof bleef. Hij bekeerde zich tot de islam, nam de naam aan van Ali Ufki en componeerde zelfs islamitische religieuze muziek (ilâhi).
En dan was er ook nog de Roemeense (Moldavische) prins Dimitri Cantemir (ook weer verwesterd tot Demetrius Kantemir), die als gijzelaar aan datzelfde hof terechtkwam, maar die zich meer aangetrokken voelde tot de wereldse, zéér wereldse, janitsarenmuziek. De medegrondlegger van die muziek, waarvan de invloed zeer goed te horen is in Mozarts “Serail”, is dus Cantemir, wiens “Elçi Pesrev” (“de pesrev van de ambassadeur”, een pesrev is een vaste opeenvolging van drie of meer onafhankelijke muzikale delen, verbonden door een refrein) een van de weinige overgebleven voorbeelden van de allervroegste janitsarenmuziek is.
In mei 1993 ging ik de janitsarenmuziek van Mehter, “het oudste militaire orkest ter wereld”, beluisteren in het moderne stadsgedeelte van Istanbul waar het “militaire museum” is gevestigd. De zwaardenslijperij of sabelsleperij kon mij maar matig boeien, maar de janitsaren maakten de verplaatsing toch “worthwhile”. Allemaal lookalikes van Fons Mariën en Frank Pauwels, die echter nog zo jong waren dat hun dikke zwarte snor diende te worden opgekleefd. Het was vooral leuk omdat er juist een schoolreis passeerde en die jonge Turkskes klapten en stampten mee alsof het “Tien om te zien” was.
Diezelfde avond ontdekte ik nog een andere soort Turkse muziek. Mijn gids Batya had immers gereserveerd bij “Régine”. Men zegt meestal dat het buikdansen dat je op toeristische plaatsen te zien krijgt niet “echt” zou zijn, dat het louter ten behoeve van de toeristen wordt georganiseerd. Dat is wel juist, maar dat men nooit mag veralgemenen werd “bewezen” door het feit dat ik het beste optreden heb gezien hier bij “Régine”, een nightclub naar Frans model, waar ene Efruz in intensiteit en sensualiteit al haar collega’s overtrof.
Ronny De Schepper

