Deze week is actrice Viviane De Muynck de centrale gast in “Lux” en vanavond stelt zij op Canvas om 22.07 uur reeds één van haar helden voor: Wannes Van de Velde.
Verder lezen ‘Wannes Van de Velde in “Lux”’
Archief voor de categorie 'volksmuziek'
Gisteren heb ik nog maar mijn afkeer uitgesproken voor de overvloed aan kookprogramma’s en toch ga ik vandaag er alweer één aanraden. Alhoewel, “Zalm voor Corleone” (Canvas, 23.20 uur) kan toch niet over dezelfde kam worden geschoren als Gène Bervoets, Jamie Oliver of andere Piet Huysentruyts. Zeker niet vanavond, want het gaat over Louisiana, de enige staat in de Verenigde Staten die ik eigenlijk wel eens zou willen bezoeken. Maar dat zal er wel nooit van komen, want als (ex-?)communist mag ik daar toch niet binnen. In the Land of the Free. Jaja, Miel Swillens, denk daar maar eens even over na.
Verder lezen ‘Cajun: een Amerikaanse odyssee’
Streetbuskers
Op 30 november is Wizz Jones te gast in de Muze van Meise (Brusselsesteenweg 69). Wizz Jones is de man die als streetbusker in het begin van de jaren zestig samen met Rod Stewart reeds in ons land optrad. Ik had destijds hierover een zeer openhartig gesprek met hem, maar eerst wil ik hem toch een beetje plaatsen binnen de traditie van de zogenaamde “street buskers”.
Verder lezen ‘Streetbuskers’
Van Norteno tot Tex-Mex
Ricardo Valenzuela zou het nieuwe millenium ingegaan zijn als 59-jarige. Misschien zou hij die verjaardag gewoon in alle anonimiteit bij zijn Mexicaanse familie in Texas hebben gevierd, maar net zo goed zou het in Las Vegas kunnen zijn geweest met champagne, coke (maar dan geen coca cola) en bourbon à volonté. Misschien zou Valenzuela dan reeds honderd kilogram wegen en op een dieet van hamburgers, pep- en slaapmiddelen leven, misschien (maar veel minder waarschijnlijk) zou hij nog slank zijn en met zijn sexy grijze haren nog af en toe opduiken in de hitparade.
Het is hoe dan ook allemaal koffiedik kijken, want Ricardo Valenzuela is de man die bekendheid verwierf door onder de naam Ritchie Valens twee hitsingels uit te brengen (”Come on let’s go” en “Donna”), maar die een jaar later, op 3 februari 1959, omkwam in het fameuze vliegtuigongeluk waarbij ook Buddy Holly, the Big Bopper en de piloot om het leven kwamen. Voor wie het allemaal heeft meegemaakt, is de naam Ritchie Valens steeds een begrip gebleven, maar voor de huidige tieners zou deze eendagsvlieg normalerwijze totaal onbekend moeten zijn.
Verder lezen ‘Van Norteno tot Tex-Mex’
Als het in Amsterdam regent, druppelt het in Antwerpen en de plaatselijke revobeweging (in tegenstelling tot hun naam waren “revo’s” heel wat makker dan “provo’s”) ging dan ook op zoek naar “hun” woordvoerder. Die vonden ze dan aan de tapkast van de Muze: Ferre Grignard. Maar dat was natuurlijk geen échte volksmuziek (in Amerika spreekt men in zo’n geval van “the ethnics” tegenover “the commercials”). Alhoewel Wannes van de Velde ook in die Antwerpse kroegen uitging (eerst als saxofonist, later als de flamencogitarist Nino de San Andres, “de kleine van het Sint-Andrieskwartier”), heeft hij niet per se op iemand als Ferre Grignard moeten wachten om met zijn muziek naar buiten te treden. Daar is Wannes te authentiek voor. Hij stond trouwens nogal wantrouwig tegenover die protestrage: “Ach, revolutie, nog zoiets. We hebben er al één gehad, in de jaren zestig. Enfin, ‘t had er eventjes de schijn van. Ook toen bleef ik op een afstand staan: intuïtief. (…) De revolutie van de jaren zestig vond ik een kermis, een maskerade en vooral veel gezwets.” (Humo)
Dat heeft natuurlijk ook te maken met zijn wantrouwen tegenover politiek: “Een moderne politicus is niet langer de beredderaar van het stads- en het staatsleven, maar hij is vooral een beredderaar van zijn carrière. Er zitten wel een paar witte raven tussen natuurlijk. Soms denk ik dat Louis Tobback er één is. (…) Ik stam af van arbeiders, van échte dus, niet van salonarbeiders, mijn vader heeft 40 jaar bij Ford gewerkt. Dan zie je dat allemaal tamelijk nuchter, is het ook niet zo nodig om Marx te gaan lezen, dan kén je dat wel. (…) Je voelt dat je met dat verleden iets te maken hebt, dat je qua mentaliteit en fysieke structuur nog rechtstreeks van die mensen afstamt. Da’s sentimenteel, maar dat is de realiteit. (…) Louis Paul Boon, da’s niet zomaar de visie van Louis maar een heel collectief bewustzijn dat nog altijd bij ons aanwezig is.” (Humo)
Verder lezen ‘Wannes: “De mensen zingen te weinig”’
Toen premier Dehaene eind 1998 een bezoek bracht aan China en de plaatselijke harmonie om hem te verwelkomen “Mie Katoen” aanhief, werd een ander dergelijk incident nog eens in herinnering gebracht. Toen een delegatie van de Belgische regering het nog niet zo lang onafhankelijke Kongo bezocht, hief een zwarte bariton plechtig “De pompbak is kapot” aan.
De Vlaamse volksmuziek is dus altijd al een problematische aangelegenheid geweest. Als dronken Gentse metaalbewerkers in de één-mei-stoet zingen van “op de tet van ons Marjet hebben ze tsjoepkes opgezet om aan te zuigen” dan vind ik dat maar een zielig spektakel, maar men moet zo’n dingen ook niet trachten te ontkennen.
Uit Engeland komen dan weer The Mediaeval Baebes, een gezelschap van twaalf jonge vrouwen, die middeleeuwse liederen zingen in lange witte gewaden, die volgens waarnemers “a bit see-through and a bit tight” zijn. En vooral: “some of them haven’t got pants on”! Men kan zich dan ook terecht de vraag stellen: mag men in zo’n geval wel de horlepijp dansen?
Verder lezen ‘Horlepijpen met of zonder slip’
Op een dag kreeg de twaalfjarige Chris Barber een plaat van Coleman Hawkins in zijn handen. Het zou zijn leven totaal veranderen. Tot dan toe had Barber, die van “betere” komaf was, klassieke viool gestudeerd, maar nu schakelde hij over op de trombone. Later stichtte Barber verscheidene orkestjes die in Engeland een ware rage veroorzaakten (de zogenaamde “trad jazz” met o.a. Ken Colyer, Humphrey Lyttelton, Kenny Ball, Acker Bilk…). Maar belangrijker nog was dat Barber twee muzikanten heeft gelanceerd die elk aan de basis hebben gelegen voor de twee richtingen in de beatboom van de jaren zestig: de zeer tekstgerichte Beatles en de rhythm-and-bluesachtige Rolling Stones.
Eerst lanceerde hij immers zijn banjospeler Lonnie Donegan, die onder zijn echte naam (hij was in 1931 geboren als Anthony James Donegan) reeds in 1952 zelf een jazzband had gevormd, namelijk The Tony Donegan Jazz Band. Donegan had, als zoon van een Schotse jazzmusicus, deze muziek leren kennen in… Wenen, waar hij in de naoorlogse dagen met Amerikaanse soldaten jamde. Toen hij in de Royal Festival Hall het voorprogramma mocht verzorgen van zijn grote idool Lonnie Johnson, veranderde hij op slag zijn naam in Lonnie Donegan. Hij leerde ook andere jazzliefhebbers kennen zoals Ken Colyer, die in de jaren veertig een communistisch boekenwinkeltje uitbaatte in het centrum van Londen. Daar haar hij ook een klein rekje met importplaten uit de Verenigde Staten: “Folk songs from the American working-class people”. Hierbij ook platen van Woody Guthrie en Leadbelly. Op die manier ontdekte Donegan van deze laatste het nummer “Rock island line” en het was meteen bingo. (Nog later zou hij “Cumberland gap” uitbrengen dat eigenlijk “Grand coulee dam” van Woody Guthrie is.)
Verder lezen ‘Skiffle: muziek maken met een wasbord en een kruik’
Muziek uit Brazilië
In de nieuwe regering die eind 2002 werd gevormd, werd de Braziliaanse componist en zanger Gilberto Gil tot minister van cultuur benoemd. Daarmee wordt hij een levend symbool van het feit dat de Braziliaanse muziek naast het voetbal wellicht het belangrijkste exportproduct is.
Verder lezen ‘Muziek uit Brazilië’