Archief voor de categorie 'literatuur'

22
Dec
09

Samuel Beckett overleed twintig jaar geleden

Samuel Beckett werd in Dublin in een burgerlijke familie geboren op 13 april 1906 en kwam na studies Frans en Italiaans in 1928 naar Parijs waar hij docent Engels werd aan de Ecole Normale Supérieure, waar hij Jean-Paul Sartre als collega had. Hij was ook een tijdje secretaris van James Joyce en debuteerde dan ook in het Engels eerst met het gedicht “Whoroscope” (1930) en daarna met de roman “Murphy” (1938) die sterk onder de invloed stond van Joyce. Zijn eerste Franse roman “Molloy” verscheen pas in 1951. Hij breekt een jaar later door met “En attendant Godot”, dat volgens hem een slecht stuk is, voornamelijk bestaande uit gewone conversaties tussen hem en zijn vrouw Suzanne Deschevaux. Hij is dan ook geërgerd omdat het de aandacht afleidt van wat hij als zijn belangrijkste werk beschouwt, zijn romans, waarvoor hij in 1969 de Nobelprijs kreeg (hij heeft hem wel aanvaard, maar heeft geweigerd hem te gaan afhalen; het geld moest aan behoeftigen worden overgemaakt). Oef, een pak van mijn hart, want ik vind dit stuk ook maar niks…
Men heeft zich vaak afgevraagd wie Godot nu eigenlijk was. Zeker is dat de naam verwijst naar “godillot” of “godasse”, argot voor schoenen, omdat voeten in het stuk zo’n grote rol spelen. Anderen beweren dat de naam eigenlijk naar God verwijst, maar aangezien Beckett het stuk oorspronkelijk in het Frans heeft geschreven, is dit niet 100% zeker.
Een andere ontstaansgeschiedenis leert ons dan weer dat het werk geïnspireerd zou zijn door het lange wachten op een bus aan het kruispunt van de drukke N100 en de D108 naar Roussillon in de buurt van de Pont Julien. Feit is dat Beckett in die tijd in de Vaucluse woonde en dat er in het stuk zelf een allusie wordt op gemaakt. Vladimir reageert daar op een opmerking van Estragon, die de Vaucluse ‘de Merdecluse’ noemt, een pestland: “Toch waren we samen in de Vaucluse, daar steek ik mijn hand voor in het vuur. We hebben bij de wijnoogst geholpen, bij, wel, een zekere Bonnelly, in Roussillon.” (*)
Andere anekdoten zijn leuker, maar minder accuraat. Zo is er het verhaal dat Beckett op een bepaald moment een grote menigte op straat ziet en vraagt wat er gaande is. Blijkt dat de Tour de France is gepasseerd en ze nog op de laatste, tevens de oudste renner wachten, Godot. Bij mijn opzoekingen ben ik echter nog nooit een renner tegengekomen met die naam (ook niet rond 1949, het jaar waarin men volgens sommige bronnen het schrijven van “Godot” moet situeren). Ik ken wel een Pierre Gaudot, maar die is geboren in 1928 en was in 1949 dus zeker niet de “oudste” renner van het peloton. Integendeel, hij was toen nog amateur. Dat is niet het geval voor Roger Godeau, die geboren is in 1920 en prof sedert 1942, maar ook hij was in 1949 “slechts” 29 jaar en dus evenmin de ouderdomsdeken.
Een andere anekdote zou teruggaan op een hoertje dat Beckett zou hebben aangeklampt op de hoek van de rue Godot de Mauroy. Omdat hij weigerde, zou ze hem nijdig hebben gevraagd voor wie hij zich dan wel spaarde: “Voor Godot misschien?”. Even apokrief is de “verklaring” dat hij dacht dat hij aan kanker leed en dat “Godot” zijn “testament” is. Authentiek blijkt wel het voorval te zijn dat Beckett enkele jaren nadat dit stuk hem beroemd maakte, het vliegtuig naar Londen nam en werd verwelkomd door “kapitein Godot en zijn bemanning”. “Ik moest me uit alle macht weerhouden om niet naar buiten te rennen,” zegt Beckett, “want ik heb niet veel vertrouwen in een wereld die zichzelf toevertrouwt aan een Godot.”
Verder wachten de personages in de roman “Le Faiseur” van Balzac op een zekere monsieur Godeau, maar Beckett zweert dat hij dit boek slechts heeft gelezen nàdat zijn stuk reeds was geschreven. Hetzelfde geldt overigens voor “Droomspel” van Strindberg en “The Cat and the Moon” van Yeats, waarin sommigen flarden “Godot” menen te herkennen. Anderen zoeken dan weer allerlei diepere “lagen” in het stuk en zien er een allegorie in op de Franse weerstand tegen de Duitse bezetter, idem van de Ieren tegen de Britten of zelfs van Becketts verhouding tot James Joyce, maar Beckett zelf wijst dit allemaal af. Zelfs de blaadjes op de boom bij het begin van het tweede bedrijf drukken enkel een tijdsverloop uit, zegt hij, en geen hoop (al groeien de blaadjes dan wel rap bij Beckett, want er verloopt slechts één dag).
Samuel Beckett schrijft verder nog “Fin de partie” (1957) en “Happy days” (1963): volgens bepaalde kritieken zou dit stuk zijn doorbraak hebben betekend, i.p.v. “Godot”.
“Fragment de théâtre I” (1960) werd in de Tinnen Pot op 12 oktober 1993 opgevoerd in een regie van Marie-Dominique Wiche. Dit mooie kind is het nieuwste slavinnetje van Julien Schoenaerts; het was immers zijn idee om met deze drie “stukjes” onder de noemer “de eenzamen” uit te pakken, zij het dat hij eerst aan zijn zoon Matthias had gedacht als tegenspeler. Uiteindelijk werd het Nand Buyl als een kreupele en Julien Schoenaerts als een blinde vioolspeler, die er maar niet in slagen met elkaar overweg te kunnen, zodat ze uiteindelijk alle twee hulpeloos achterblijven (het is kort na “Fin de partie” geschreven, inderdaad). Julien Schoenaerts slaagt er ongelukkiglijk nog altijd niet in zijn teksten te onthouden. Hij zegt dan ook terecht: “Dat is altijd mijn ongeluk geweest: ongelukkig, maar niet ongelukkig genoeg.” Daarna volgde “Comment dire” (1989): Nand Buyl ligt wat te broebelen, terwijl Julien Schoenaerts er alleen maar bijzit, omdat dit tesamen met “Impromptu d’Ohio” (1981) werd gespeeld. Julien Schoenaerts leest moeizaam een tekst voor uit een boek over twee mannen die aan een tafel zitten en waarvan er één moeizaam een tekst voorleest uit een boek. Nand Buyl klopt af en toe eens op de tafel om aan te geven dat Schoenaerts iets moet herhalen. Als hij dat eens vergeet, staan ze later in de wc hierover ruzie te maken.
Nadat hij de Nobelprijs kreeg in 1969 schreef Beckett “Breath” een “stuk” van slechts dertig sekonden dat alleen maar een zucht liet horen.
Zijn laatste werk was “Stirrings still”, dat vreemd genoeg weer in het Engels werd geschreven. Hij stierf in Parijs op 22 december 1989.

Ronny De Schepper

(*) Stefaan van den Bossche in “De Provence, reisverhalen” (uitg.Pandora, 2001), p.36 e.v.

21
Dec
09

“Elektra” van Euripides: de rolverdeling!

Ik heb reeds eerder gezegd dat het mijn intentie is om alles, maar dan ook werkelijk àlles, wat ik ooit heb geschreven (en bijgehouden uiteraard) te publiceren. Dat geeft soms aanleiding tot genante taferelen, maar dat moet dan maar. Zo heb ik hier een verhandeling uit de poësis (gedateerd op 17 oktober 1967, twee dagen vóór mijn zestiende verjaardag dus) en met als onderwerp “bespreking van Euripides’ ‘Elektra’ naar aanleiding van de T.V.-opvoering”. Ik heb op de archiefafdeling van de VRT getracht iets meer te achterhalen i.v.m. deze uitzending maar dat is me voorlopig niet gelukt (een mail is onderweg). Aangezien wij als taak een antwoord moesten geven op twee specifieke vragen en deze niets van doen hadden met de opvoering op zich, spreek ik in mijn verhandeling immers niet over de opvoering zelf. Persoonlijk vind ik dat nu een groot mankement, maar blijkbaar was dat dus inderdaad de bedoeling niet want ik kreeg voor deze verhandeling uitstekende cijfers (9/10), bovendien met de vermelding “zeer goed” en dat van de hand van Daniël De Smet, die nochtans mijn bloed kon drinken (en ik het zijne, dus wat dat betreft: sans rancune). Na mijn eigen antwoord op de twee gestelde vragen, geef ik ook nog de mening van De Smet zelf, zoals ik die heb genoteerd in zijn lessen.
Verder lezen ‘“Elektra” van Euripides: de rolverdeling!’

16
Dec
09

Het begrip “shelter” bij Leonard Cohen

Ik was in de tijd van Tliedboek vooral een fan van de manier waarop André De Bruyn en Miel Swillens songs onder het ontleedmes liet passeren (respectievelijk van Leonard Cohen en van Bob Dylan). Zo schrijft André o.a.: “Cohens teksten munten niet alleen uit door een sterke poëtische zeggingskracht en een merkwaardige sfeerschepping (eigenaardig genoeg nog versterkt door een unieke ongeaffecteerde wijze van zingen), maar tevens door het veelvuldig en origineel gebruik van beelden. De vaak duistere metaforen en de soms kryptische constructie van de songs bemoeilijke evenwel het begrijpen van de teksten. Indien men de verschillende songs echter met elkaar vergelijkt, komt men tot de bevinding dat bepaalde thema’s en beelden frequent voorkomen, en dat uit het geheel een patroon kan worden gehaald dat verhelderend werkt bij het begrijpen van de afzonderlijke beelden. Elke song blijkt dan een bepaald aspect van dit patroon te belichten en verder uit te diepen.”
Verder lezen ‘Het begrip “shelter” bij Leonard Cohen’

15
Dec
09

“Antigone” van Sofokles

We zijn een kleine veertien dagen verder (14 mei 1968 om precies te zijn) en, lap, ‘t is weer van dat. Weer geen kwotering. Deze keer weet ik echter zeer goed hoe het komt, als opdracht kregen we immers “résumé van de slotbeschouwingen over de Ilias in het handboek” en om de een of andere duistere reden begin ik over de “Antigone” van Sofokles. Op zestienjarige leeftijd was ik blijkbaar al even verward als nu op bijna zestigjarige leeftijd!
Verder lezen ‘“Antigone” van Sofokles’

15
Dec
09

Een studie over de persoonlijkheid van Aeneas

Waarom ik mij dat aandoe, dat overschrijven van mijn vroegere verhandelingen, ik weet het eigenlijk zelf niet. Dat moet weer iets met dat autistisch trekje van mij te maken hebben: “Je hebt het met één gedaan, dan moet je het met allemààl doen!” Enfin, op 2 mei 1968 (dus één dag na Ernest Claes) was het alweer prijs. Als opdracht van “den Danny” (Daniel De Smet) kregen we “een studie over de persoonlijkheid van Aeneas in Aeneis I-IV”. Het merkwaardige is dat ik geen kwotering krijg, enkel een paraaf en een paar opmerkingen in de marge. Ik denk dat dit eigenlijk betekent dat ik nul heb gekregen, maar dan niet omdat mijn verhandeling niks waard was, maar omdat ik ze te laat heb afgegeven of zo. Hoe dan ook, ik heb het voorval blijkbaar goed verdrongen, want “I know nothing, I’m from Barcelona”…
Verder lezen ‘Een studie over de persoonlijkheid van Aeneas’

15
Dec
09

Pitte: onschuld en huiver uit de kindertijd

“Débuts – Schoolherinneringen” van Eric de Kuyper en eric vande Pitte is in de herfst van dit jaar verschenen. Het kortverhaal van Eric de Kuyper werd gezet en gedrukt door Cultura bvba te Wetteren. De kleuretsen op koper van eric vande Pitte werden gedrukt op Bûtten-Hahnemühle-papier 300 gr op de persen van het Kunstatelier De Zachte Klaarte te Sint-Amandsberg bij Gent door Henri Hemelsoet. Eric vande Pitte pikt nu in op de actualiteit door erop te wijzen dat Roger Raveel (foto) zijn nieuwe liefde heeft ontmoet op de voorstelling van het boek in “De School van Toen”.
Verder lezen ‘Pitte: onschuld en huiver uit de kindertijd’

15
Dec
09

Hendrik Conscience, de Muze en de Mammon

De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Koningstraat 18, 9000 Gent) nodigt u op woensdag 16 december 2009 uit op een openbare lezing door prof. dr. Theo Hermans (University College, Londen), buitenlands erelid van de Koninklijke Academie, met name over Conscience, Ledeganck en Octave Delepierres “Old Flanders”.
De verwelkoming door prof. dr. A.M. Musschoot, voorzitter van de Academie, en de lezing hebben plaats in de grote vergaderzaal van de Academie om 15 uur. Aansluitend wordt het boek van de op 28 september overleden August Keersmaekers “Hendrik Conscience. De Muze en de Mammon” voorgesteld door de heer Mark Somers, hoofd acquisitie van het Letterenhuis (Antwerpen). Na afloop volgt een kleine receptie. Het boek kan bij deze gelegenheid ter plaatse gekocht worden tegen de introductieprijs van 15 euro (i.p.v. 22 euro).
Gelieve uw aanwezigheid te bevestigen, telefonisch (09/265.93.40) of via e-mail (secretariaat@kantl.be). Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Koningstraat 18, 9000 Gent (België) T: 09/265.93.40 F: 09/265.93.49 E: secretariaat@kantl.be
Verder lezen ‘Hendrik Conscience, de Muze en de Mammon’

14
Dec
09

Ernest Claes

Andreas Ernestus Josephus Claes (24 oktober 1885 te Zichem – 2 september 1968 te Elsene) was vooral bekend als schrijver van “De Witte”, een streekroman over een belhamel uit de Kempen. Een echt verhaal zit er eigenlijk niet in, maar wie herinnert zich niet de kostelijke episodes met de ajuin, de kaarsstompjes, “De Leeuw van Vlaanderen”, het zout in de “patatten” (want de dialogen zijn in het dialect) of het gaan zwemmen in z’n nakie…
Verder lezen ‘Ernest Claes’

14
Dec
09

Dirk Roofthooft leest Franz Kafka

In “Het hol” is een vreemd wezen aan het woord. Een dier, een eenzame holenbouwer op zoek naar de ultieme veiligheid. In de beslotenheid en stilte van zijn hol lijkt hij dat gevonden te hebben, maar toch blijft een kiem van angst bestaan.
Hoe te beschermen wat voor je veiligheid zorgt? Kan de vijandige buitenwereld ooit volledig buitengesloten worden, of sijpelt die toch steeds weer naar binnen, zij het in de vorm van een tastbare vijand dan wel als paranoia?
Dit meesterlijke kortverhaal van Franz Kafka wordt op Studium Generale gebracht door Dirk Roofthooft (foto Wonge Bergmann), een van de meest vooraanstaande acteurs van Vlaanderen. Hij oogstte succes in binnen- en buitenland in samenwerking met theatermakers als Jan Fabre, Jan Lauwers, Peter Sellars en Guy Cassiers. Napraten doen we met Frank Vande Veire, filosoof en Kafka-kenner.
Op woensdag 16 december 2009, van 19u. tot 21u. in Zaal Miry, departement Conservatorium van de Hogeschool Gent, Hoogpoort 64, 9000 Gent.
Reserveren is gratis, via de website.
Verder lezen ‘Dirk Roofthooft leest Franz Kafka’

13
Dec
09

“Het verdriet van België, dat zijt gij,” zei Meerke en hapte naar adem met een rauw snurkje

Bij de voorstelling van “Het verdriet van België” in de Hotsy Totsy in 1983 zong Hugo Claus met zijn ondertussen overleden vader “Plaisir d’amour”, precies zoals Louis dat in het boek ook doet. Omgekeerd heeft Claus het “Verdriet” geschreven voor zijn kinderen: “Ik wilde iets weergeven van hoe het vóór, tijdens en na de oorlog was in een klein Vlaams stadje tegen de Franse grens. Ik wilde wat ik meegemaakt heb in fictie brengen, voor mijn kinderen (grijnst). Romantisch als ik was, hoopte ik dat ze het later misschien mooi zouden vinden. Maar geen van de twee heeft het ooit gelezen natuurlijk.” (Humo 22/10/96)
Een paar persreacties: “een veel te lang aangehouden klaagzang” (K.L.Poll in N.R.C.); “ik schat dat er met de leesbare gedeelten wel een boekje van honderd bladzijden vol te krijgen is” (Freddy de Schutter in De Standaard); “zeurderig-lang met onnozel anecdotisch kleingoed, met lullig gebabbel en banale flauwekul” (Marcel Janssens in Dietsche Warande & Belfort). Maar gelukkig toch ook: “Ook waar het wat minder is, is het perfect.” (Carel Peeters)
Verder lezen ‘“Het verdriet van België, dat zijt gij,” zei Meerke en hapte naar adem met een rauw snurkje’




Blog-teller

  • 257,580 keer aangeklikt

uit de oude doos