Samuel Beckett werd in Dublin in een burgerlijke familie geboren op 13 april 1906 en kwam na studies Frans en Italiaans in 1928 naar Parijs waar hij docent Engels werd aan de Ecole Normale Supérieure, waar hij Jean-Paul Sartre als collega had. Hij was ook een tijdje secretaris van James Joyce en debuteerde dan ook in het Engels eerst met het gedicht “Whoroscope” (1930) en daarna met de roman “Murphy” (1938) die sterk onder de invloed stond van Joyce. Zijn eerste Franse roman “Molloy” verscheen pas in 1951. Hij breekt een jaar later door met “En attendant Godot”, dat volgens hem een slecht stuk is, voornamelijk bestaande uit gewone conversaties tussen hem en zijn vrouw Suzanne Deschevaux. Hij is dan ook geërgerd omdat het de aandacht afleidt van wat hij als zijn belangrijkste werk beschouwt, zijn romans, waarvoor hij in 1969 de Nobelprijs kreeg (hij heeft hem wel aanvaard, maar heeft geweigerd hem te gaan afhalen; het geld moest aan behoeftigen worden overgemaakt). Oef, een pak van mijn hart, want ik vind dit stuk ook maar niks…
Men heeft zich vaak afgevraagd wie Godot nu eigenlijk was. Zeker is dat de naam verwijst naar “godillot” of “godasse”, argot voor schoenen, omdat voeten in het stuk zo’n grote rol spelen. Anderen beweren dat de naam eigenlijk naar God verwijst, maar aangezien Beckett het stuk oorspronkelijk in het Frans heeft geschreven, is dit niet 100% zeker.
Een andere ontstaansgeschiedenis leert ons dan weer dat het werk geïnspireerd zou zijn door het lange wachten op een bus aan het kruispunt van de drukke N100 en de D108 naar Roussillon in de buurt van de Pont Julien. Feit is dat Beckett in die tijd in de Vaucluse woonde en dat er in het stuk zelf een allusie wordt op gemaakt. Vladimir reageert daar op een opmerking van Estragon, die de Vaucluse ‘de Merdecluse’ noemt, een pestland: “Toch waren we samen in de Vaucluse, daar steek ik mijn hand voor in het vuur. We hebben bij de wijnoogst geholpen, bij, wel, een zekere Bonnelly, in Roussillon.” (*)
Andere anekdoten zijn leuker, maar minder accuraat. Zo is er het verhaal dat Beckett op een bepaald moment een grote menigte op straat ziet en vraagt wat er gaande is. Blijkt dat de Tour de France is gepasseerd en ze nog op de laatste, tevens de oudste renner wachten, Godot. Bij mijn opzoekingen ben ik echter nog nooit een renner tegengekomen met die naam (ook niet rond 1949, het jaar waarin men volgens sommige bronnen het schrijven van “Godot” moet situeren). Ik ken wel een Pierre Gaudot, maar die is geboren in 1928 en was in 1949 dus zeker niet de “oudste” renner van het peloton. Integendeel, hij was toen nog amateur. Dat is niet het geval voor Roger Godeau, die geboren is in 1920 en prof sedert 1942, maar ook hij was in 1949 “slechts” 29 jaar en dus evenmin de ouderdomsdeken.
Een andere anekdote zou teruggaan op een hoertje dat Beckett zou hebben aangeklampt op de hoek van de rue Godot de Mauroy. Omdat hij weigerde, zou ze hem nijdig hebben gevraagd voor wie hij zich dan wel spaarde: “Voor Godot misschien?”. Even apokrief is de “verklaring” dat hij dacht dat hij aan kanker leed en dat “Godot” zijn “testament” is. Authentiek blijkt wel het voorval te zijn dat Beckett enkele jaren nadat dit stuk hem beroemd maakte, het vliegtuig naar Londen nam en werd verwelkomd door “kapitein Godot en zijn bemanning”. “Ik moest me uit alle macht weerhouden om niet naar buiten te rennen,” zegt Beckett, “want ik heb niet veel vertrouwen in een wereld die zichzelf toevertrouwt aan een Godot.”
Verder wachten de personages in de roman “Le Faiseur” van Balzac op een zekere monsieur Godeau, maar Beckett zweert dat hij dit boek slechts heeft gelezen nàdat zijn stuk reeds was geschreven. Hetzelfde geldt overigens voor “Droomspel” van Strindberg en “The Cat and the Moon” van Yeats, waarin sommigen flarden “Godot” menen te herkennen. Anderen zoeken dan weer allerlei diepere “lagen” in het stuk en zien er een allegorie in op de Franse weerstand tegen de Duitse bezetter, idem van de Ieren tegen de Britten of zelfs van Becketts verhouding tot James Joyce, maar Beckett zelf wijst dit allemaal af. Zelfs de blaadjes op de boom bij het begin van het tweede bedrijf drukken enkel een tijdsverloop uit, zegt hij, en geen hoop (al groeien de blaadjes dan wel rap bij Beckett, want er verloopt slechts één dag).
Samuel Beckett schrijft verder nog “Fin de partie” (1957) en “Happy days” (1963): volgens bepaalde kritieken zou dit stuk zijn doorbraak hebben betekend, i.p.v. “Godot”.
“Fragment de théâtre I” (1960) werd in de Tinnen Pot op 12 oktober 1993 opgevoerd in een regie van Marie-Dominique Wiche. Dit mooie kind is het nieuwste slavinnetje van Julien Schoenaerts; het was immers zijn idee om met deze drie “stukjes” onder de noemer “de eenzamen” uit te pakken, zij het dat hij eerst aan zijn zoon Matthias had gedacht als tegenspeler. Uiteindelijk werd het Nand Buyl als een kreupele en Julien Schoenaerts als een blinde vioolspeler, die er maar niet in slagen met elkaar overweg te kunnen, zodat ze uiteindelijk alle twee hulpeloos achterblijven (het is kort na “Fin de partie” geschreven, inderdaad). Julien Schoenaerts slaagt er ongelukkiglijk nog altijd niet in zijn teksten te onthouden. Hij zegt dan ook terecht: “Dat is altijd mijn ongeluk geweest: ongelukkig, maar niet ongelukkig genoeg.” Daarna volgde “Comment dire” (1989): Nand Buyl ligt wat te broebelen, terwijl Julien Schoenaerts er alleen maar bijzit, omdat dit tesamen met “Impromptu d’Ohio” (1981) werd gespeeld. Julien Schoenaerts leest moeizaam een tekst voor uit een boek over twee mannen die aan een tafel zitten en waarvan er één moeizaam een tekst voorleest uit een boek. Nand Buyl klopt af en toe eens op de tafel om aan te geven dat Schoenaerts iets moet herhalen. Als hij dat eens vergeet, staan ze later in de wc hierover ruzie te maken.
Nadat hij de Nobelprijs kreeg in 1969 schreef Beckett “Breath” een “stuk” van slechts dertig sekonden dat alleen maar een zucht liet horen.
Zijn laatste werk was “Stirrings still”, dat vreemd genoeg weer in het Engels werd geschreven. Hij stierf in Parijs op 22 december 1989.
Ronny De Schepper
(*) Stefaan van den Bossche in “De Provence, reisverhalen” (uitg.Pandora, 2001), p.36 e.v.






