This sunday, April 20th, at 6 P.M., Michael Pickett will perform in R&B-club Beau de l’Air. Michael is a Canadian, who has been building up a very good reputation on the North American Continent. He won in 1999, 2000 and 2002 “The Maple Blues Award” as Harmonica Player of the year. He has created in 1998, 2001 and 2003 the “Blues Song of the Year” at the Real Blues Awards. In the same award organisation he won “The Blues CD of the Year” (1998 & 2001), “Harmonica Player of the Year” (1998, 1999, 2001 & 2002) and in 2004 they gave him the award as “Best Blues Songwriter”. If, however, you only believe your own ears, you can pay a free visit to the R&B-Café Beau de l’Air, Koning Albertplein 1, B-9220 Hamme (Oost-Vlaanderen), Belgium.
Verder lezen ‘Blues-singer Michael Pickett in Hamme (Belgium)’
Archief voor de categorie 'blues'
Nu zondag, 20 april, om 18 uur treedt Michael Pickett op in R&B-club Beau de l’Air. Hij doet dit ter voorbereiding van zijn tournee van volgend jaar. Michael is een Canadees die op het Noord-Amerikaanse continent een grote reputatie heeft opgebouwd. Hij won in 1999, 2000 en 2002 “The Maple Blues Award” als harmonicaspeler van het jaar. Hij creëerde in 1998, 2001 en 2003 de “Blues Song of the Year” bij de Real Blues Awards. Bij deze zelfde awardorganisatie kaapte hij eveneens reeds “The Blues CD of the Year” (1998 & 2001), “Harmonica Player of the Year” (1998, 1999, 2001 & 2002) weg en in 2004 was hij er beste Blues Songwriter. Kom uzelf gratis vergewissen van zijn kunnen in R&B-Café Beau de l’Air, Koning Albertplein 1, 9220 Hamme (Oost-Vlaanderen).
Verder lezen ‘Blueszanger Michael Pickett in Hamme’
Gisteren heb ik nog maar mijn afkeer uitgesproken voor de overvloed aan kookprogramma’s en toch ga ik vandaag er alweer één aanraden. Alhoewel, “Zalm voor Corleone” (Canvas, 23.20 uur) kan toch niet over dezelfde kam worden geschoren als Gène Bervoets, Jamie Oliver of andere Piet Huysentruyts. Zeker niet vanavond, want het gaat over Louisiana, de enige staat in de Verenigde Staten die ik eigenlijk wel eens zou willen bezoeken. Maar dat zal er wel nooit van komen, want als (ex-?)communist mag ik daar toch niet binnen. In the Land of the Free. Jaja, Miel Swillens, denk daar maar eens even over na.
Verder lezen ‘Cajun: een Amerikaanse odyssee’
Janis Joplin
“Toen ze de studio binnenkwamen was het één gedrang. Nick Gravenites was er en songwriter Bobby Womack, in totaal zo’n twintig tot vijfentwintig man. Janis zong niet die avond, maar luisterde enkel naar de instrumentale versie die haar groep die dag had opgenomen. Het was een nummer van Nick, Buried alive in the blues, levend begraven in de blues. Janis was opgetogen bij het vooruitzicht dat ze er zondag de vocale partij zou op inzingen. Als de sessie was afgelopen, wipte ze in haar Porsche samen met haar orgelist Ken Pearson om iets te gaan drinken in Barney’s Beanery. Daarna gingen ze terug naar het hotel. Janis was in de wolken over het album en vooral over haar groep. ‘Als één van jullie me ooit zou verlaten, vermoord ik hem,’ zei ze.
Het was 4 oktober rond half één, als Janis alleen naar haar kamer trok. De heroïne die ze door haar ader joeg was zo puur dat het haar een schok moet hebben gegeven. Daarna borg ze alle toebehoren netjes op in een lade. Gewoonlijk liet ze het op het nachttafeltje liggen. Men mag aannemen dat dit gebaar betekende dat ze écht wilde dat dit shot het laatste was. Er is iets magisch aan een ochtendstond. Herboren worden met de bleke, blauwe dageraad.
De heroïne in haar lichaam had haar onmiddellijk kunnen vellen. Dat was echter niet zo. Toen ze enige ogenblikken later naar de lobby ging, wist ze niet dat ze aan het sterven was. Ze praatte even met de hotelbediende en vroeg hem een pakje sigaretten te halen. Dan wandelde ze terug naar haar kamer. Als ze de deur achter zich had gesloten, zette ze nog een paar passen en viel dan voorover, als een weggeslingerde of weggeschopte pop.”
(Vrij naar Myra Friedman, Buried alive - a biography of Janis Joplin, London, Star Books, 1975).
Verder lezen ‘Janis Joplin’
Op een dag kreeg de twaalfjarige Chris Barber een plaat van Coleman Hawkins in zijn handen. Het zou zijn leven totaal veranderen. Tot dan toe had Barber, die van “betere” komaf was, klassieke viool gestudeerd, maar nu schakelde hij over op de trombone. Later stichtte Barber verscheidene orkestjes die in Engeland een ware rage veroorzaakten (de zogenaamde “trad jazz” met o.a. Ken Colyer, Humphrey Lyttelton, Kenny Ball, Acker Bilk…). Maar belangrijker nog was dat Barber twee muzikanten heeft gelanceerd die elk aan de basis hebben gelegen voor de twee richtingen in de beatboom van de jaren zestig: de zeer tekstgerichte Beatles en de rhythm-and-bluesachtige Rolling Stones.
Eerst lanceerde hij immers zijn banjospeler Lonnie Donegan, die onder zijn echte naam (hij was in 1931 geboren als Anthony James Donegan) reeds in 1952 zelf een jazzband had gevormd, namelijk The Tony Donegan Jazz Band. Donegan had, als zoon van een Schotse jazzmusicus, deze muziek leren kennen in… Wenen, waar hij in de naoorlogse dagen met Amerikaanse soldaten jamde. Toen hij in de Royal Festival Hall het voorprogramma mocht verzorgen van zijn grote idool Lonnie Johnson, veranderde hij op slag zijn naam in Lonnie Donegan. Hij leerde ook andere jazzliefhebbers kennen zoals Ken Colyer, die in de jaren veertig een communistisch boekenwinkeltje uitbaatte in het centrum van Londen. Daar haar hij ook een klein rekje met importplaten uit de Verenigde Staten: “Folk songs from the American working-class people”. Hierbij ook platen van Woody Guthrie en Leadbelly. Op die manier ontdekte Donegan van deze laatste het nummer “Rock island line” en het was meteen bingo. (Nog later zou hij “Cumberland gap” uitbrengen dat eigenlijk “Grand coulee dam” van Woody Guthrie is.)
Verder lezen ‘Skiffle: muziek maken met een wasbord en een kruik’