10
Nov
08

Is “Misirlou” een Grieks volksdeuntje?

“De Tuin van Eden” van Bart Stouten, iedere weekdag op Klara van vijf tot zeven, brengt altijd verrassende muziek, maar vorige week was ik toch superverbaasd door een knappe, zeven minuten lange uitvoering van de bekende surf-klassieker “Misirlou” als Griekse volksmuziek door Sakis Stratopoulos, bouzuki; Geoff Goodman, mando-cello & gitaar; Alex Haas, bass en Shankar Lal, tablas (Enja 9117-2). Bij de voorafgaande aankondiging had ik niet echt opgelet, dus ik wist niet of dit nu een bijzonder originele aanpassing is van het nummer dat vooral bekendheid kreeg sedert “Pulp fiction” of juist de originele versie (of beter gezegd als men het over volksmuziek heeft: een uitvoering die dicht aanleunt bij de mogelijk originele versie). Ik had Bart een mailtje gestuurd, maar merkwaardig genoeg heeft hij daarop nog niet geantwoord. Dit is de eerste keer dat Klara het op “interactief” vlak laat afweten…

De sixties begonnen met de surfrage. Surfen is een sport waarbij het de bedoeling is zo lang mogelijk een smalle plank te “berijden” op de golven van de branding. Het onvermijdelijke kopje ondergaan wordt “Wipe out” genoemd, tevens een instrumentale hit voor The Surfaris. In het begin van de jaren zestig was surf aan de zonnige kusten van Californië méér dan sport alleen, het werd een soort levensstijl, waarmee men nog het beste kan kennismaken in talrijke films, die veel gelijkenis vertonen met highschool-films. Alleen werden de sweaters en de plooirokjes nu geruild voor keurige zwembroeken en schattige bikini’s, wat Arthur Mayer deed schrijven in “The Movies”: “Wat op het eerste gezicht een wilde orgie lijkt is in feite niets meer dan een zeer onschuldige oefening voor tieners: dansen in de frisse zeelucht.”
Die ambiguïteit is inherent aan surf, een andere benaming zegt het immers zelf: “wet rock’n'roll” (natte rock’n'roll). Hoe banaal die surf-films wel waren, moge blijken uit de filmografie van de (toen reeds achterop geboerde) zanger Frankie Avalon (meestal met als tegenspeelster Annette Funicello): “Operation bikini” (1963), “Beach party” (met Dick Dale, 1963), “Muscle beach party” (1964), “Bikini beach” (1964) en “Beach blanket bingo” (1965). In 1967 draaide hij nog “How to stuff a wild bikini” en aan de titel alleen al kan men merken dat “the times they are a-changing”!
In één adem met de surf moet men ook altijd de hotrod-stijl noemen. Hotrod werd de verzamelnaam van alweer een sport met woodies, buggies of stockcars (zelfgebouwde snelheidsmonsters). Beide muziekstijlen zijn sterk aan elkaar verwant en elke groep nam van beide categorieën songs op. Dit repertoire bestond voor 75% uit instrumentals en dat kwam hoofdzakelijk omdat de elektrische gitaar en de versterkerapparatuur in dat tijdperk een stormachtige ontwikkeling doormaakten en alle denkbare effecten door groepen werden uitgeprobeerd.
De “uitvinder” van de surf-sound is gitarist-saxofonist-vocalist Dick Dale. Begin 1961 nam hij “Misirlou” op, een rockende versie van een oorspronkelijk rebetika-nummer (*). Dit is de eerste opname waarbij de opmerkelijk snelle tremelo-effecten te beluisteren vallen. Volgens Dale zelf ontdekte hij dit effect door zijn gitaar te bespelen alsof het drums waren. Dale trad met zijn Deltones voornamelijk op in het Rendez-vous Ballroom van Balboa Beach, waar o.m. Jimi Hendrix, die toen bij Joey Dee & the Peppermints speelde, af en toe langs kwam. Say no more. Nudge, nudge, wink, wink.
Op nationaal vlak brak Dick Dale nooit door, aangezien zijn platenfirma meer zag in The Beach Boys, die nota bene zelf grote fans waren van Dick Dale en ook vaak in Balboa Beach te zien waren, net als Jan and Dean, die door Brian Wilson werden geproduced en ook veel meer succes kenden dan Dick Dale. In 1965 besloot Dale er dan ook, ontgoocheld, mee te stoppen. Het jaar daarop kreeg hij van de dokters te horen dat hij nog drie maanden te leven had. Een operatie waarbij zes kwaadaardige tumors werden verwijderd slaagde volkomen, zodat Dale nog in levende lijve zijn come-back kon meemaken in de jaren negentig. Zijn nieuwe CD “Tribal thunder” (eigenlijk gewoon een andere titel voor “Misirlou”, probably because he was sick of paying Roubanis’s estate undeserved royalties) maakte weliswaar weinig brokken, maar zijn oud werk dat in “Pulp fiction” werd opgenomen bracht hem opnieuw in de belangstelling.
Jan and Dean daarentegen verdwenen in 1966, toen Jan Berry zichzelf te pletter reed tegen een vrachtwagen. Hij overleefde het, maar de revalidatie was niet makkelijk. Ze vormde de aanleiding voor een mooie film, “Dead man’s curve”. Op 26 maart 2004 overleed hij uiteindelijk op 62-jarige leeftijd aan een hartaanval.
Veel later datzelfde jaar (namelijk in november) overleed op 62-jarige leeftijd Terry Melcher (aan huidkanker). Terry was de zoon van Doris Day en vormde in het begin van de jaren zestig een ander surfduo, samen met de latere Beach Boy Bruce Johnston. Melcher zelf zal vooral bekend worden als producer, o.a. van Paul Revere and the Raiders, Gram Parsons en The Mamas and the Papas.
SUMMER ROCK
Net zoals de sport is de surfsound nooit echt weg geweest. In het midden van de jaren zestig sprak men van summer rock met exponenten als The Cowsills (“The rain, the park and other things”), The Fifth Dimension (“Let the sun shine in”) en Reparata and the Delrons (“Is this the captain of your ship”). Ook op het einde van de jaren zeventig was de surfmuziek weer “in”. De voornaamste aanleiding hiervoor was de ontzettende populariteit van skateboard en windsurfing. Een Hollandse namaakgroep had zelfs een hit met de beschrijving van deze sport (het waren in feite de dikke meisjes van The Internationals, maar omdat die nu eenmaal moeilijk kunnen worden vereenzelvigd met sport, werden voor de video drie modellen ingehuurd). Een andere groep speelde minutieus The Beach Boys na.
Het paradoxale was dat The Beach Boys amper konden zwemmen, laat staan surfen. De enige uitzondering was Dennis Wilson. En juist hij is in 1983 omgekomen bij het zwemmen! De legende wil dat hij het was die zijn oudere broer Brian kon overtuigen om songs te gaan schrijven over deze sport. Om deze dan ook uit te voeren werd een groep geïmproviseerd met Brian op drums, Dennis op basgitaar en Carl, de jongste broer, op sologitaar. Al Jardine, een huisvriend, werd aangezocht om ritmegitaar te spelen en neef Mike Love kwam de vocale harmonieën versterken. Een eerste nummer, “Surfin’” werd in februari ‘62 op een klein label Candix uitgebracht en had voldoende succes (75ste plaats op de Hot 100) om een contract met Capitole binnen te rijven voor “Surfin’ Safari”, ook de titel van hun eerste elpee, gevolgd door “Surfin’ U.S.A.” en “Surfer girl”.
Ondertussen hebben The Beatles in Amerika voor een revolutie gezorgd en gaat Brian Wilson een poging doen om met “In my room” een wat zinvoller tekst te schrijven. Muzikaal poogt hij echter The Beatles niet na te apen, maar zoekt hij eerder inspiratie bij Phil Spector en zijn “wall of sound” (voor Ronnie Spector van The Ronettes schreef Brian Wilson “Don’t worry baby”, maar zij kon dat – wegens de tirannieke houding van Phil Spector – pas veel later opnemen; toen hadden The Beach Boys het overigens zelf reeds opgenomen). Dit is te horen op de elpees “All summer long” (1964) en “Summer days” (1965). Met “I get around” braken The Beach Boys in 1964 via Engeland ook in Europa door. Dat belet niet dat ze er ook af en toe met hun pet naar gooiden, maar zelfs slordig opgenomen platen als “Party” (1965) verkochten als zoete broodjes (“Barbara Ann”!). Over pet gesproken, met “Pet sounds” kon Brian terugslaan. Zijn brede harmonieën, originele aanwending van instrumenten die niet altijd tot het rock-jargon behoorden en een rode draad in de teksten (het thema van het volwassen worden), vormden de onmiddellijke aanleiding voor The Beatles om met “Sgt.Pepper’s” uit te pakken. De andere Beach Boys waren echter niet zo gewonnen voor Brians artistieke ambities. Volgens de overlevering zou de benaming “Pet sounds” trouwens te danken zijn aan een tirade van zanger Mike Love, die beweerde dat die elpee volgestouwd werd met geluiden die alleen maar door honden konden worden gehoord.
Intussen was de druk voor Brian zo groot geworden dat hij er vaak onderdoor ging (het album “Smile” zou pas in 2004 worden uitgebracht!), zodat men vanaf 1965 besloot zonder hem te gaan toeren. Daarom nam Dennis plaats achter de drums (al wordt er ook verteld dat hij klassiek orgel kon spelen), terwijl na een korte interim-periode van Glenn Campbell, een surf-zanger, Bruce Johnston, werd ter versterking aangetrokken.
In 1989 was Tom Cruise in een soort van beach movie te zien (Cocktail) en dat was een aanleiding voor een come-back van The Beach Boys met “Kokomo”, terwijl ook een paar rappers op de hernieuwde belangstelling voor surf inhaakten met een nieuwe versie van “Wipe-out”, waarvoor ook The Beach Boys werden aangesproken.
ARCHIE PUNKER
Hotrod daarentegen evolueerde naar minder zonnige geluiden. Pophistoricus Rob Meltzer heeft daar een originele verklaring voor (si non e vero, e bene trovato): stockcar-races e.a. snelheidsduels was gokken met z’n leven, een loopje nemen met de dood. Men bezondigde zich dus – net als de helden in de Griekse tragedies – aan hybris (hoogmoed). En net als Oedipus en zijn kornuiten moet men dat uiteindelijk met de dood bekopen.
In Engeland waren er ook tiepen die zich bij griezelig mistig weer met een strijkplank beneden de klifkusten kieperden en met ettelijke breuken weer opgenomen werden in de kliniek voor zwakzinnigen waaruit ze ontsnapt waren. Zij noemden zich plichtsgetrouw Beachcombers, Hondells en Hotrods maar veel verder dan hun asiel klonken hun gitaren niet. Alleen die gevaarlijke gek, die bij Pat Wayne’s Beachcombers voortdurend brandhout maakte van zijn drumstel, zou later nog naam maken met een groep die in het Tornado-idioom werkte, The Detours. Samen werden ze dan The Hi-Numbers, even later omgedoopt tot… The Who. Je zou het natuurlijk niet zeggen als je “My generation” hoort, maar “Bucket T” b.v. klinkt toch erg surfachtig. Oh ja, die gek was natuurlijk ondertussen wijlen Keith Moon.
De naam “Hotrods” heeft uiteraard een punk-belletje (Eddie!) doen klingelen en inderdaad, die Engelse surf evolueerde in 1964 naar wat men toen als punk-rock bestempelde, maar nog meer als mod-muziek (van “modern”). Buiten The Who waren The Kinks (die deze heerlijke tijd weer oproepen in “Preservation act one”, vooral in nummers zoals “Johnny Thunder”), The Small Faces en The Steampacket met daarin o.a. Elton John en Rod Stewart, die later zou samengaan met de overgebleven (Small) Faces, terwijl de andere leden (Long John Baldry en Brian Auger) trouw zouden blijven aan de blues.
Volgens sommigen zijn The Troggs ook mods, maar zij zijn eerder de Britse vaders van de punk-rock. In de VS daarentegen werd deze benaming precies gebruikt voor mensen die deze Engelse groepen probeerden na te spelen. En vele van die muzikanten komen nu precies uit die surf- en hotrod-traditie zoals Question Mark and the Mysterians (“96 tears”), Paul Revere and the Raiders (zgn. theatre-rock met kostumes en al) en Tommy James and the Shondells (“Hanky Panky”, “Mony Mony”, “Crystal Blue Persuasion”, “I think we’re alone now” en natuurlijk het wondermooie “Crimson and clover”).
Het op het eerste gezicht mysterieuze verband tussen de agressieve, pessimistische punk en de lieve, optimistische surfmuziek wordt vooral geïllustreerd door randgroepen zoals de Hollandse Gruppo Sportivo. Zo schrijft New Musical Express: “De muziek van Gruppo Sportivo vindt haar wortels in de pop uit de jaren 50 en 60, zoals die van Del Shannon, B.Bumble and the Stingers en The Shangri-Las”. En de Soho Weekly News formuleert het nog beter: “De toetsenman, Peter Calicher, roept soms The Doors op in mysterieuze surfachtige nummers, en Mission à Paris begint met het Nutrocker-thema om nadien een krankzinnige variatie op 96 tears te vormen met een goede tekst.”

Ronny De Schepper

(*) Most people today know “Misirlou” (often spelled “Miserlou”) as Dick Dale’s signature piece, extremely popular back when issued in 1961 and then again when used to great effect in Pulp Fiction in 1994. (Whippersnappers might know it better from The Black Eyed Peas sampling Dale’s version in a song last year.) But “Misirlou” is an old folk song, its origins obscure.
We can guess where it came from by the range of people who know it today: it can be heard at celebrations of Greeks, Turks, Arabs, or Jews. The logical explanation for this wide range is that it originated in Asia Minor, in what is now the borderlands of modern Turkey and Greece, i.e., between Salonica and Constantinople (the title means “Egyptian girl” in both Greek and Turkish).
The song’s oriental melody has been so popular for so long that many people, from Morocco to Iran, claim it to be a folk song from their own country. In fact, in the realm of Middle Eastern music, the song is a very simplistic one, since it is little more than going up and down the scale of Makam Hijaz.
The song, surely one of the catchiest melodies ever, spread throughout Greece and the Ottoman Empire, and was also presumably picked up by the local Jewish community and spread from there. Who originally wrote it, of course, is lost to history.
The song was first performed by the Michalis Patrinos rebetiko band in Athens, Greece in 1927. It may not even be the earliest recording, though, despite claims to the contrary; Richard Spotwood’s Ethnic Music on Records, Volume 3: Eastern Europe lists a recording by Tetos Demetriades for Victor in 1927.
The Greek word Misirlou refers specifically to a Muslim Egyptian woman (as opposed to a Christian Egyptiotissa); thus this song refers to a cross-faith, cross-race, relationship, a risqué subject at its time.
Initially, the song was composed as a Greek zeibekiko dance, in the rebetiko style of music, at a slower tempo and a different key than the orientalized performances that most are familiar with today. This was the style of the first known recording by Michalis Patrinos in Greece, circa 1930 (which was circulated in the United States by Titos Dimitriadis’ Orthophonic label); a second recording was made by Patrinos in New York, in 1931.
De Griekse tekst verwijst expliciet naar een Egyptische schoonheid; zoals je allicht weet, was er in de tweede helft van de 19de eeuw tot de Egyptische onafhankelijkheid in 1952  een belangrijke Griekse kolonie in oa Alexandrië, zo leert een mens nog ‘ns wat bij :-)
Lyrics
Greek
Μισιρλού μου, η γλυκιά σου η ματιά
Φλόγα μου ‘χει ανάψει μες στην καρδιά
Αχ, για χαμπίμπι, αχ, για χαλέλι, αχ

Τα δυο σου χείλη στάζουνε μέλι, αχ

Αχ, Μισιρλού, μαγική, ξωτική ομορφιά
Τρέλα θα μου ‘ρθει, δεν υποφέρω πια
Αχ, θα σε κλέψω μέσα από την Αραπιά

Μαυρομάτα Μισιρλού μου τρελή
Η ζωή μου αλλάζει μ’ ένα φιλί
Αχ, για χαμπίμπι ενα φιλάκι,άχ
Απ’ το γλυκό σου το στοματάκι, αχ
Translation
My Misirlou (Egyptian girl), your sweet glance
It’s lit a flame in my heart
Ah, ya habibi, Ah, ya haleli, ah[1]
(Arabic: Oh, my love, Oh, my night)
Your lips are dripping honey, ah

Ah, Misirlou, magical, exotic beauty
Madness will overcome me, I can’t take any more
Ah, I’ll steal you away from the Arab land

My black-eyed, my wild Misirlou
My life changes with one kiss
Ah, ya habibi, one little kiss, ah
From your sweet little lips, ah
In 1941, Nick Roubanis, a Greek-American music instructor, released a jazz instrumental arrangement of the song, crediting himself as the composer. Since his claim was never legally challenged, he is still officially credited as the composer today worldwide, except in Greece where credit is variably given to either Roubanis or Patrinos. Roubanis is also credited with fine-tuning the key and the melody, giving it the oriental sound that it is associated with today. The song soon became an “exotica” standard among the light swing (lounge) bands of the day.
After Roubanis’s version, the song became a minor big band standard, performed by Harry James, Freddy Martin, Woody Herman, and Jan August (who had a hit with it in 1947). It was Xavier Cugat’s version, however, that pushed it into exotica territory; versions would follow by nearly every notable exotica artist, including Martin Denny, Arthur Lyman, Esquivel, Dick Hyman, Enoch Light, and our old friend Korla Pandit (on his 1958 LP Music of the Exotic East).
In 1944 maestro Clovis el-Hajj, an Arabic Lebanese musician, performed this song and called it “”amal.”" This is the only Arabic version of this song.
In 1945, a Pittsburgh, Pennsylvania, women’s musical organization asked Professor Brunhilde E. Dorsch to organize an international dance group at Duquesne University to honor America’s World War II allies. She contacted Mercine Nesotas, who taught several Greek dances, including Syrtos Haniotikos (from Crete), which she called Kritikos, but for which they had no music. Because Pittsburgh’s Greek-American community did not know Cretan music, Pat Mandros Kazalas, a music student, suggested the tune Misirlou, although slower, might fit the dance. The dance was first performed at a program to honor America’s allies of World War II at Stephen Foster Memorial Hall in Pittsburgh on March 6, 1945. Thereafter, this new dance, which had been created by putting the Syrtos Kritikos to the slower Misirlou music, was known as “Misirlou” and spread among the Greek-American community, as well as among non-Greek U.S. folk-dance enthusiasts.
In addition to some of the versions mentioned above, we have a recording in the early style recorded in Greece in the late 1940s by “Danai”.
In a parallel development, the “King of Yiddish Radio”, Seymour Rexite, and his wife, popular Yiddish theatre actress Miriam Kressyn, recorded a version in the late 1940s, with lyrics by Kressyn. It’s probable that Rexite and Kressyn had known the song from their youth, but they were also known for Yiddish versions of popular American songs (including, most entertaingly, songs from Oklahoma).
An indisputably traditional Jewish version was recorded in the early 1950s, however. Ethnomusicologist/filmmaker/magician Harry Smith spent two years recording elderly cantor Rabbi Nuftali Zvi Margolies Abulafia, capturing hundreds of hours of traditional music and stories. One of the Rabbi’s songs was clearly Misirlou. A 15-LP limited edition of the highlights was released in the 1950s; only a handful of copies survive. Abulafia’s grandson, 81-year-old Lionel Ziprin (a former amphetamine-addicted beatnik whacko who has since gone back to his roots and hangs out with chasidim in his Lower East Side apartment), has been trying to get the recordings reissued; John Zorn has expressed interest in releasing them on his label, Tzadik Records.
At the time, the 1940s and 1950s, there was a thriving Near-Eastern nightclub scene in New York and New England. Such restaurants or clubs, usually owned by Greeks, featured near-eastern style music played by Greeks, Armenians, and Arabs, and often belly dancers. The musicians played belly-dance music to accompany the dancers and also ethnic folk music to which the club’s patrons, also usually Greeks, Armenians, and Arabs, would dance their traditional line dances. Eventually the Misirlou song and dance were introduced into this scene, and to the Armenian-American and Arab-American communities. This was not unusual as there were actually many new, American-made, “folk” songs and dances in this era. It became known to the Armenian-Americans as the “Snake Dance” due to its sinuous foot movements.
Also, an oddity: while there weren’t too many R&B/African-American recordings of Misirlou, one of the few was a 1955 recording by doo-wop “bird group” The Cardinals, best known for “Come Back My Love”, recorded the same year.
The song was rearranged as a solo instrumental guitar piece by Dick Dale in 1962. Dale’s father and uncles were Lebanese-American musicians who were a part of the aforementioned ethnic nightclub scene(his birth name was Richard Mansour). Although they were Arab, they, like other performers, played the music of all the main cultures which made up the nightclub patrons–that included Greek music and Misirlou. During a performance, Dale was bet by a young fan that he could not play a song on only one string of his guitar. Later that night, he remembered seeing his uncle play “Misirlou” on one string (actually one course, a double string) of the oud. He tried to imitate that style on his guitar, but vastly increased the song’s tempo to make it into rock’n'roll, and the result was the famous Dick Dale Misirlou. It was Dale’s version that introduced “Misirlou” to a wider audience in the United States as “Miserlou.”
Subsequently S. Russell, N. Wise, and M. Leeds wrote English lyrics to the song. Nearly every notable surf band would perform a version, undoubtedly unaware of its pre-Dale history: The Surfaris, The Trashmen and The Astronauts all had versions, with varying results. The Beach Boys recorded a Dale-inspired “Miserlou” for the 1963 album Surfin’ USA, forever making “Miserlou” a staple of American pop culture. Hundreds of recordings have been made to date, by performers as diverse as Agent Orange and Connie Francis.
In 1994, Dale’s version of “Misirlou” was used on the soundtrack of the motion picture Pulp Fiction, thanks to a suggestion to Quentin Tarantino from his friend Boyd Rice. More recently, the song was selected by the Athens 2004 Organizing Committee as one of the most influential Greek songs of all time, and was heard in venues and at the closing ceremony–it was performed by Anna Vissi. In March 2005, Q magazine placed Dale’s version at number 89 in its list of the 100 Greatest Guitar Tracks. In 2006, his version once again found popularity, this time as the basis of The Black Eyed Peas’ single “Pump It.” Dale’s version would also be used in the reggaeton song “Dame Un Kiss” by Franco “El Gorilla”. (Met dank aan Peter Cnop)


0 Reacties tot “Is “Misirlou” een Grieks volksdeuntje?”



  1. Momenteel geen reacties

Reageer




Blog-teller

  • 258,907 keer aangeklikt

uit de oude doos