In de marge van het “examen voor straatmuzikanten” maakte juryvoorzitter Serge de Farbrideckers bekend dat de muziek die uit de vaste luidsprekers in het metronetwerk klinkt, nooit Nederlands- of Franstalig is. “We willen communautaire spanningen in de metrostations absoluut vermijden,” aldus de Farbrideckers in Het Nieuwsblad van 2 juli jl. “Daarom is een regeling uitgewerkt waarbij we alleen Engelse (70 procent) en Spaanse en Italiaanse (telkens 15 procent) liedjes uitzenden. Zo stoten we geen van onze taalgemeenschappen voor het hoofd.” Mij verbaast het vooral dat er sowieso vocale muziek wordt uitgezonden, want als onderzoekingen in verband met muzak, zoals dat soort openbare muziek officieel heet, iets hebben opgeleverd dan is het wel dàt!
DE MUZIKALE TRAM
In de jaren zeventig schetste Wannes van de Velde op zijn prachtige elpee “Een zanger is een groep” een surrealistisch beeld van de nabije toekomst. In liedjes als “Een bordeel zonder vrouwen” of “Het café zonder naam” creëerde hij met subtiele beelden een onbehaaglijke, zeg maar lichtjes angstaanjagende sfeer. “En tussen dat alles door reed de muzikale tram,” zingt hij op een bepaald moment. Dat bestond toen namelijk al in Antwerpen en Wannes vond dat hallucinant. Sinds een tijdje is dit nu ook het geval in Gent. Meer zelfs, onlangs hoorde ik er zelfs een liedje van Wannes. Of beter gezegd: een flard van een liedje. Net zoals van alle liedjes, of het nu redelijk zware Amerikaanse pop of een nummer van Jan De Wilde betrof. Hallucinant inderdaad. Het feit dat er alleen maar flarden worden gespeeld (iets met auteursrechten?). Dat er ritmische pop wordt gespeeld (een “doodzonde” volgens de regels van muzak). Maar misschien nog meer de liedjes van Jan of Wannes zelf, die plots als een tang op een varken sloegen. Maar het meest van al nog de mengeling van al die stijlen. Wie maakt die keuze eigenlijk? Selector? De gevreesde computer van de VRT, waardoor zelfs het levend geworden Oor, Michel Follet, plotseling een Witte Ridder van de goede smaak is geworden?
Op zo’n moment moet ik ook wel eens denken aan violist Itzhak Perlman die in DS Magazine van 14/4/1995 verklaarde: “Lawaai is erg. Maar één ding is erger, en dat is muziek. Niet eens lawaaierige muziek, maar de simpele aanwezigheid ervan. Het maakt je gek. (…) Achtergrondmuziek is muziek voor mensen die zelf geen achtergrond hebben.”
LAWAAI
“Hoe lang gaat dat lawaai nog duren?” vroeg mijn moeder enkele jaren geleden toen ze bij mij op bezoek was. “Tot vier uur zeker,” antwoordde ik, want buiten waren grondwerkers bezig met de straat in loopgraven te verdelen die de vergelijking met die aan de IJzer moeiteloos konden doorstaan. Bleek echter dat zij de muziek van Bruce Springsteen bedoelde die uit de boxen galmde. Nou ja, galmde… Ikzelf had ze zelfs niet eens gehóórd. Een paar dagen daarvóór echter had ik een bezoek gebracht aan háár en daar hoorde ik juist de stilte, zo luid zelfs dat ze mij stoorde, wat sommige geitewollesokkenbreiers ook mogen beweren. Want, Springsteen of Mozart, mij eender, maar ik heb muziek nodig, net zoals ik lucht nodig heb om te ademen. Ik denk dat ik terecht mag vrezen dat er vóór Edison voor mij geen leven was…
Een typisch voorval dat illustreert hoezeer de muziek een deel van ons bestaan is geworden, zo verankerd zelfs dat sommigen niet schromen om van “behangpapier” te gewagen. Dat is echter niet steeds zo geweest. Als onze muziekcultuur volgens historische bronnen tenminste zesduizend jaar teruggaat (afbeeldingen in Mesopotamië), dan is het continu beschikbaar zijn van muziek via mechanische middelen (radio, cassette, cd-speler…) als uitvinding amper een eeuw oud en wat ruime verspreiding betreft, zelfs slechts een halve eeuw!
Johan Huys: “Dat verontrust mij. Dat er geen enkele kunstvorm is die meer impact heeft op de maatschappij dan de muziek. Tot zenuwslopend toe. Overal waar ik kom, krijg ik ongevraagd muziek opgedrongen. Het is een kunst die zich opdringt. Muziek is een hemelse kunst, maar ze is terzelfdertijd een hoer. En het wezen van de muziek maakt juist dat ze op die manier kan functioneren. En dat is precies het grote probleem want daardoor kan men elke richting uit. Er bestààt natuurlijk tafelmuziek, maar in een restaurant krijg je een symfonie van Beethoven over je heen, terwijl toch niemand op het idee zal komen om b.v. ongevraagd gedichten te gaan voorlezen.”
Itzhak Perlman in DS Magazine, 14/4/1995: “Klassiek in een restaurant verpest mijn maaltijd, want als ik niet weet wie of wat ik precies hoor, ga ik daaraan denken en wordt mijn bord koud. (…) Als ze mijn muziek spelen, is het nog erger, want dan moet ik altijd even luisteren of het in orde is.”
Dirk Brossé sluit zich daarbij aan: “Muziek kan mij inderdaad ook mateloos ergeren in een restaurant. Ofwel is het slechte muziek en dan stoort het mij. Ofwel is het goede muziek en dan luister ik alleen nog en vergeet verder te eten. Muziek is één van de meest directe kunstvormen, die op ons inwerken. Ik volgde diverse colloquia over de invloed van klank op ons lichaam. Ik maakte een studie over de associatie tussen het horen van bepaalde klanken en tonen enerzijds en chemische veranderingen in het lichaam anderzijds.”
Huys: “De taal van de muziek wordt nog veel te weinig onderzocht. En als het wordt onderzocht, dan is dat b.v. door psychologen in verenigingen als Muzak. Die geven dan richtlijnen hoe men het koopgedrag van het publiek kan beïnvloeden b.v.!”
Zo heeft een onderzoek in een Britse wijnzaak in 1997 aangetoond dat de meerderheid van de consumenten voor Franse wijnen kiezen, wanneer op de achtergrond Franse accordeonmuziek te horen is. Wanneer Duitse schlagers werden gespeeld, holden de meesten niet gillend de winkel uit, zoals ikzelf zou vermoeden, maar verkochten integendeel de Duitse wijnen beter! (Nu ja, tot mijn stomme verbazing lees ik in een ernstig artikel in De Standaard dat meloenen zelfs in relatie tot de borsten van de vrouwelijke consumenten worden verkocht! Het fenomeen werd vastgesteld toen de supermarktketen Tesco vaststelde dat de grootste altijd onverkocht bleven liggen. Het artikel werd gepubliceerd op 4/5/1999 en was op die manier misschien al een voorloper van de… komkommertijd!)
De hoofdletter voor Muzak is verantwoord, want het is inderdaad geen scheldwoord zoals ik altijd heb gedacht, maar de verkorte weergave van de American Muzak Corporation, die al sedert 1934 bestaat (één van de stamvaders is Joe Coco), maar “pas” sinds 1966 “wetenschappelijk” werd uitgebouwd door U.V. “Bing” Muscio. Op dit moment zendt Muzak muziekprogramma’s 24 uur lang via een satelliet de wereld rond (25 landen verspreid over vijf continenten) vanuit North Carolina. Het schema is verdeeld in segmenten van een kwartier (13,5 minuten om precies te zijn, met anderhalve minuut stilte tussendoor), waarin telkens vijf of zes melodietjes worden gespeeld, gerangschikt in stijgende orde van stimuluswaarde. De segmenten zijn zelf gerangschikt in een curve met pieken tussen 10 en 11 uur ’s ochtends en 3 en 4 uur in de namiddag als het arbeidstempo de neiging heeft te verslappen. Na de middag en na 18 uur daalt de curve “om de opwinding tijdens de lunch en op het einde van de dag tegen te gaan”. Alhoewel muziekliefhebbers het eens zijn over het totale gebrek aan kwaliteit van deze muziek (vandaar de verschuiving van productnaam tot scheldwoord), toch zou wetenschappelijk vaststaan dat de productie ermee kan opgedreven worden, niet zozeer door een ritmeverhoging (muzak heeft meestal trouwens trage tempi, alleen als grootwarenhuizen willen sluiten, drijven ze het tempo op om de klanten tot haast aan te zetten), maar door een vermindering van productiefouten. Zelfs het absenteïsme zou erdoor verkleinen. Dat zou o.m. te maken hebben met het feit dat composities steeds in majeur worden gebracht…
Vooral Theodor Adorno (1902-1969) heeft hiertegen geageerd. Volgens hem was het een absolute schande muziek tot “achtergrondgeluid” te devalueren, vooral omdat het ook politieke consequenties zou hebben (de man was immers op de valreep nog een icoon van mei ‘68): wie actief luistert, zou ook een activist in spe zijn, een “regressief luisteraar”, een willoos slachtoffer van het kapitalisme.
TELEFOONMUZIEKJES.
Iedereen weet dat het soms lang wachten geblazen is wanneer bij het telefoneren het zinnetje: “Gelieve te wachten, al onze lijnen zijn bezet”, weerklinkt, waarna u muziek te horen krijgt. Soms hoort u zelfs onmiddellijk muziek vooraleer de telefoniste opneemt. De vraag is dan: haakt u de hoorn in of blijft u luisteren?
Dat is afhankelijk van uw geslacht en welk muziekgenre wordt gedraaid, aldus een onderzoek van de Amerikaanse marketingprof. James Kellaris, verbonden aan de Universiteit van Cincinnati. Hij heeft de effecten van muziek op verbruikers meer dan twaalf jaar bestudeerd. De onderzoekers hebben vier soorten telefoonmuziekjes getest: lichte jazz, klassiek, rock en een menggenre. De ondervraagden waren samengesteld uit individuele verbruikers, kmo’s en grote ondernemingen. De conclusies van Kellaris bevatten zonder meer verontrustend nieuws voor bedrijven. Welke muziek ook werd gedraaid, steeds overschatten de proefkonijnen de echte wachttijd van 6 minuten met ruim één minuut tot dik 7 minuten. Wat het muziekgenre betreft, bleek het menggenre nog het best in de smaak te vallen, omdat geen betekenisvolle negatieve en positieve reacties werden geuit door mannen en vrouwen. Als lichte jazz doorheen de hoorn weerklinkt, lijkt de tijd iets korter te zijn. Bij mannen lijkt de tijd kortst bij klassieke muziekjes, terwijl bij vrouwen de wachttijd het langst lijkt. Vrouwen reageerden vooral positief op lichte jazz. Rock werd zowel door mannen als vrouwen afgewezen en leverde de langst geschatte wachttijden op. De reactie op het muziekgenre is positiever als de wachttijd korter is. (Bron: Caecilia, mei 2002)
Misschien is het daarom dat niet iedere muziekliefhebber principieel een tegenstander is. Violist Paul Klinck b.v. zegt: “Ik heb daar niks op tegen. Integendeel zelfs. Ik rijd niet met de wagen, zodat ik al mijn verplaatsingen met de fiets of met het openbaar vervoer doe. Wel, als ik dan in een station kom, dan doet die muziek mij altijd iets. Ik zou er dan ook niets op tegen hebben dat men b.v. mijn uitvoering van de 1001 sonates van Buckinx op die manier zou laten horen i.p.v. die shit van Albinoni.”
Want inderdaad, dat is nog een ander probleem: de grootste sommen geld die hiervoor dienen te worden betaald gaan haast integraal naar het buitenland, terwijl men onmogelijk kan beweren dat onze eigen gitaarkloppers en strijkstoksters daar niet toe in staat zouden zijn. Yvonne Verelst, eerste producer bij de BRT, liet zich dit ook eens ontvallen op een persconferentie.
Yvonne Verelst: “Als fervente openbaar vervoer-gebruikster erger ik mij ten zeerste aan die toestand die - naar ik veronderstel - is gecreëerd door de directie van de spoorwegen. Ik hoor daar allerlei buitenlandse producties en nooit eens iets van eigen bodem. Destijds heeft de heer Diegenant in het parlement een wetsvoorstel ingediend dat wij op de BRT een vast percentage aan Belgische producties of aan Vlaamse zangers zouden moeten besteden, wat ik helemaal niet ongezond vind als de kwaliteit goed genoeg is, maar dan vraag ik me toch af waarom de parlementairen dan geen eisen zouden stellen op dit vlak. En dan niet enkel op het vlak van de composities maar ook op het gebied van de uitvoering. Er is nu immers ook een wet op de mechanische uitvoerrechten, wat inhoudt dat als een plaat gespeeld of gecopieerd wordt er aan de uitvoerders een percentage moet worden betaald. De verdediging van die rechten ligt bij SABAM, net zoals het auteursrecht, en dan vraag ik me ook af waarom men dààr nog niet aan voorstellen of eisen in die zin heeft gedacht. Ik heb daarvoor trouwens eens getelefoneerd naar SABAM, maar daar wist men mij te melden dat het een multinational was die deze cassetjes produceert. Nu, als die multinational een zetel heeft hier in België dan moet men daar zeker gehoor kunnen vinden en indien dit niet zo is, vraag ik me toch af of dat allemaal zo maar kan, als men ziet dat SABAM bijvoorbeeld toch aan de BRT heeft gevraagd om banden samen te stellen voor de lange afstandsvluchten. Wij hebben zoveel producties van het jazzorkest, van de big band, van het filharmonisch orkest, van Vlaamse artiesten met het variété-orkest destijds… Er wordt dan wel eens gezegd: ja, maar willen onze mensen wel die Vlaamse producties horen? Dat is echter niet de kwestie. Er wordt hun immers nu ook niet gevraagd of ze die muziek willen horen die men er nù geeft. Want er is geen knop om ze uit te draaien. Je kan alleen watjes in je oren stoppen. Ik denk trouwens dat het voor die mensen die daar gedurende vijf of tien minuten staan te wachten, weinig uitmaakt wàt er gespeeld wordt. Het is alleen zo dat er wél moet voor betaald worden en als het muziek van Belgische mensen zou zijn, dan zou dat toch een vorm van besparing zijn enerzijds en creëren van werkgelegenheid anderzijds.”
Ik ging daarmee volledig akkoord, maar wierp haar toch twee opmerkingen voor de voeten. Ze spreekt over Vlaamse artiesten, maar ze zou toch ook moeten weten dat er een soort van afspraak is dat het enkel instrumentale muziek mag zijn? En ten tweede, ik hoop dat ze bij de mogelijke uitvoerders ook andere nationale orkesten rekent, zoals bijvoorbeeld de orkesten van de diverse opera’s of de Filharmonie van Vlaanderen?
Y.V.: “Meer zelfs, ook van Belgische artiesten die voor privé firma’s opnemen, zoals het koperkwartet van Theo Mertens of Jazz Circle bijvoorbeeld. Er is genoeg goede instrumentale muziek van eigen bodem. Men klaagt steeds dat er daarvoor geen afzetmarkt is, maar waarom dan dààraan niet gedacht? In Engeland mogen sommige opnamen zelfs slechts een beperkt aantal keren worden uitgezonden, waarna ze dienen te worden uitgeveegd en opnieuw opgenomen om de muzikanten werkgelegenheid te verschaffen. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat de muzikanten daar beter gesyndiceerd zijn dan bij ons, maar ik vind dat de syndicaten op die manier beter werk zouden leveren dan vakbondseisen uit andere sectoren over te nemen die vaak contradictorisch zijn met het specifieke karakter van het beroep van muzikant. Als wij immers onze muzikanten niet aan het werk zetten dan kunnen we net zo goed onze conservatoria sluiten, want wie zal het dan wél doen?”
Ondertussen heeft alvast de MIVB (de Brusselse vervoersmaatschappij) het roer helemaal omgegooid. Serge De Fabribecker in Het Nieuwsblad van 10/7/2007: “In plaats van instrumentale muzak hoor je in de Brusselse metrostations alleen nog gezongen liedjes. Dat wekt herkenning, je ziet mensen vaak meeneuriën en meewiegen. Mensen vergeten vaak dat we ze constant in het oog hebben. Zo gebeurt het vaak dat we mensen zien dansen op het perron wanneer een romantisch liedje uit de boxen klinkt.”
Het systeem blijkt ook nadelen te hebben. Zogenaamde “hangjongeren” blijven nu vaak in metro’s rondhangen en verhogen daarmee het onveiligheidsgevoel. Daar hebben ze in Brussel het volgende op gevonden: door het spelen van klassieke muziek vanaf halfnegen ’s avonds hopen ze de jongeren uit de metrostations te jagen, want daar hebben ze een gloeiende hekel aan. In het weekend, wanneer veel jongeren de metro gebruiken om uit te gaan, zal pas vanaf 23 uur de switch gemaakt worden. Het zegt veel over onze maatschappij natuurlijk, maar ook over de huidige “perceptie” van klassieke muziek…
Ronny De Schepper
Selectieve bibliografie
Michael Chanan, Repeated Takes: a short history of recording and its effects on music, Verso, 1995 (anti-muzak).
Joseph Lanza, Elevator Music: a surreal history of muzak, easy listening and other moodsongs, Quartet, 1995 (pro-muzak).
In Vlaanderen heeft Saskia Vekeman onderzoek verricht naar muzak.
0 Reacties tot “Geen taaltwisten in de Brusselse metro!”
Reageer