17
Mei
08

Twee westerns met James Stewart in de hoofdrol

Vandaag zijn er op BBC 2 twee westerns te zien, telkens met James Stewart in de hoofdrol. Om tien voor zes is er “The man from Laramie” van Anthony Mann uit 1955 (de laatste van de zeven westerns die Stewart en Mann samen draaiden) en vannacht om wart over één is het de beurt aan “Bandolero!” van Andrew McLaglen uit 1968 met Dean Martin en vooral Raquel Welch.

“Toen Columbus in 1492 voet aan wal zette in Amerika, woonden er 75 miljoen mensen, verspreid over het hele continent, en antropologen maken zich sterk dat er toen meer dan 2000 verschillende talen werden gesproken. Tegen het einde van de zeventiende eeuw, zo leren ons de jongste demografische studies, waren echter al meer dan vijftig miljoen Indianen het slachtoffer geworden van oorlogen, ziektes die ze nooit hadden gekend, slavernij en de genadeloze brutaliteit van de Europese kolonisten, die met hun vuurwapens op Amerika’s oorspronkelijke bewoners schoten als waren het konijnen. Ongetwijfeld de grootste holocaust uit de geschiedenis. In de twintigste eeuw werd die holocaust door Hollywood onbeschaamd voorgesteld als een heldhaftige en epische strijd van rechthartige, godvrezende blanken tegen barbaarse wilden. Stel je voor dat filmmakers de Jodenvervolging door de Nazi’s op die manier in beeld zouden hebben gebracht.”
Aan het woord is Patrick De Witte in Humo. Als inleiding op een stuk over westerns dient er wel op gewezen dat deze getallen voornamelijk slaan op de Zuid-Amerikaanse indianen. Dààr werd inderdaad niet alleen een enorme slachting aangericht, maar ook een prachtige cultuur vernietigd. Voor de Noord-Amerikaanse indianen ligt dat echter enigszins anders. Aangezien er geen vruchtbare grond was, waren die stammen noodgedwongen nomaden, outlaws zeg maar, die zelf ook niet vies waren van koelbloedige moordpartijen. Toch is het terugbrengen van een aantal dat wordt geschat tussen 7 en 10 miljoen tot 250.000 op de dag van vandaag niet mis! (*)
Die “vergoelijkende” redenering kwamen we destijds ook tegen op een tentoonstelling in Sint-Niklaas. Toen bakte de aanwezige Amerikaanse consul het wel erg bruin toen hij de verovering van het westen herleidde tot “een botsing tussen twee economische stelsels” (de indianen die nomaden waren en de blanke boeren). “Er zijn nog altijd stammen die hun weg niet hebben gevonden in de moderne maatschappij”, zo ging hij verder en wat hij daarmee bedoelde, illustreerde hij met het voorbeeld van een stam die olie had geboord en nu wel degelijk meedraaide in het kapitalistische systeem. Dat andere stammen daar nog niet toe gekomen zijn, “daar zullen de blanken ook wel schuld aan hebben”, aldus de consul, “maar het gaat hier niet om de schuld”. Dit bleek ook duidelijk in de catalogus waar men er niet onderuit kan om af en toe over de sociale wantoestanden te spreken, maar waar men nooit naar oorzaken daarvan zoekt, tenzij deze kunnen worden gevonden in een ver en veilig verleden, bijvoorbeeld de Spanjaarden (**). In de tweede helft van de 19de eeuw dienden de indianen immers noodgedwongen hun eigen nomadencultuur op te geven, omwille van de oprukkende blanken en de daarmee gepaard gaande quasi-uitroeiing van de buffel.
SPECIFIEK GENRE
Hoe dan ook, net als de oorlogsfilm is de western een genre dat z’n speci­fieke fans heeft. Als de film aan bepaalde eisen voldoet, is het voor de liefhebbers reeds dik in orde. Lange tijd was één van die clichés dat van de bloeddorstige indiaan. Nochtans was dit niet zo bij het ontstaan van de filmindustrie. Onder invloed van Longfellows “Hiawatha” werden er toen veelal positieve films gedraaid over indianen, zelfs door geattitreerde racisten als D.W.Griffith (”The Redman and the Child” uit 1908 en “The Mended Lute” uit 1909). In 1910 was er zelfs “White Fawn’s Devotion”, gedraaid door een echte indiaan, James Young Deer. Telkens ging het hier om liefdesverhalen waaruit vooral de opofferende rol van de Indiaanse “squaw” moest blijken. Vaak werd die rol gespeeld door Lillian St.Cyr, ondanks haar Frans klinkende naam eigenlijk een rasechte indiaanse uit de Winnebago-stam. (Bijna honderd jaar later, in het jaar 2000 toen de “political correctness” op zijn of haar hoogtepunt was, mocht men niet langer de term “squaw” gebruiken, omdat het eigenlijk “vagina” betekende en bij uitbreiding “hoer”.)
De ommekeer deed zich voor rond de tijd dat de filmindustrie van New York naar Hollywood verhuisde en dus bij de indianen terechtkwam. Dat het samenviel met die verhuis was echter puur toeval, want eigenlijk was het juist door een gebrek aan authenticiteit dat de ommekeer zich voltrok. Rond die tijd was immers de pulpliteratuur over het Wilde Westen erg populair geworden. Reeksen over Buffalo Bill, Billy the Kid of Kit Carson vlogen de deur uit. Deze werden echter geschreven door Amerikanen aan de Oostkust die nog nooit een indiaan van dichtbij hadden gezien. Niet gehinderd door enige kennis, schetsten zij een beeld van de bloeddorstige wilde om hun held nog meer uitstraling te geven. Dat de echte Kit Carson met twee indiaanse vrouwen was getrouwd (nà elkaar welteverstaan) zag men daarbij gemakshalve over het hoofd.
Zeldzaam zijn dan ook de westerns die er om de een of andere reden uitsprin­gen. “A fistful of dollars”, “For a few dollars more” en “The good, the bad and the ugly” van Sergio Leone uit 1967 worden alge­meen beschouwd als een keerpunt in de filmge­schiede­nis. Tot dan toe waren (artistiek én com­mercieel) succesvolle westerns uitsluitend afkomstig uit de Verenigde Staten met regisseurs als John Ford (”The man who shot Liberty Valance”, “Stagecoach” en “Fort Apache”), Raoul Walsh (”High Sierra”), Howard Hawks (”Red River”, “Rio Bravo”, “Eldorado”) of John Sturges (”Gunfight at the O.K.Corral”, “The Magnificent Seven”).
Eigenlijk is dat natuurlijk logisch, want de Amerikanen, die altijd en overal “the biggest” willen zijn, zijn uiterst gefrustreerd over het feit dat zij zo goed als geen geschiede­nis hebben (”I know people who’ve got whisky older than the United States,” schrijft Julie Burchill). Hun “roots” liggen immers hier, in Europa. Het enige waarop zij kunnen terugvallen, is de verovering van hun huidige vaderland op de oorspronkelijke bewoners, de indianen.
Nù kijkt men daar anders tegenaan, maar vroeger beschouwde men dat als een heldhaftige strijd, waarbij de Cultuur het haalde op de barba­rij, de Religie op het heidendom. Een gevolg van deze opvat­ting was dat de onkreukbare Held het centrum van de western uitmaakte. Zo keken o.m. Alan Ladd, Gary Cooper, James Stewart en andere John Waynes ons van onder hun cowboyhoed recht in de ogen, terwijl ze wijdbeens de handen losjes op de patronenhou­der lieten rusten.
UITSCHOT
Zoals gezegd, de realiteit was enigszins anders. Op een paar religieuze fanaten na, waren de meeste veroveraars van Twilde Westen een bende uitschot, onge­veer zoals het geboefte waarmee Australië in zijn ontstaanspe­riode werd bevolkt. De doorgaans vreedzame indiaanse bevol­king, die een heel andere opvatting had over het “bezitten” van land, liet zich lange tijd met nepverdragen in de doeken doen. Bekend is de manier waarop ene Peter Stuyvesant zich het eiland waarop het latere New York zal worden gevestigd toeëi­gende voor de prijs van ongeveer een slof sigaretten.
Pas wanneer de indianen waren samengedreven op onvruchtbare reser­vaten, kwam er toch enig georganiseerd verzet dat meteen bloedig werd neergeslagen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de geschiedenis van Hollywood met een navelstreng verbonden is met de western.
In 1903 gaat “The Great Train Robbery” de geschiedenis in als de eerste echte “western”. Het is tevens het eerste experiment met “kleurenfilm” (d.w.z. ingekleurde film). In 1907 was er reeds de eerste westernheld, Bronco Billy, kort daarop gevolgd door William S.Hart (1870-1946), die vooral opviel door een realistische aanpak. Hart was weliswaar geboren en getogen in New York, maar de legende wil dat hij daar werd grootgebracht door een echte Sioux als kindermeisje.
In 1911 schrijven de kranten reeds dat de western “een goudmijn is die tot op de bodem is uitgeput”, maar ze dolen. Nog geen twee jaar later is de allereerste langspeelfilm in de VS alweer een western, “The Squaw Man” van Cecil B.De Mille. Deze was voor het eerst ook producent samen met Samuel Goldwyn en zijn schoonbroer Jesse Lasky. Samen legden ze de basis voor het ontstaan van Hollywood als mekka van de (Amerikaanse) film. De Mille wilde immers niet langer in een studio werken en om buitenopnames te maken, week men liever uit naar een streek met een zonnig klimaat, Californië dus. Zijn voorbeeld werd nagevolgd en niet enkel door regisseurs die westerns wilden draaien.
Een jaar later trekt De Mille het succes door met “The Virginian”. In 1919 was er “Treat ‘em tough”, de eerste film met Tom Mix (1880-1940), de legendarische cowboy, wiens faam alleen maar werd bedreigd door die van Tony, zijn paard. Mix introduceerde humor en spektakel in de western. Hij was niet voor nix afkomstig uit een Wild West Show. Daarvóór had hij o.m. gevochten in de Spaans-Amerikaanse oorlog en de Boksersopstand. Hij was ook sheriff geweest in Kansas en Oklahoma. Tijdens het draaien van een film zou hij zich spontaan bij een posse hebben gevoegd en eigenhandig de gezochte moordenaar hebben uitgeschakeld in een gevecht. Het lijkt te mooi om waar te zijn, maar ‘t zou alleszins kunnen, want ook in zijn films deed Mix al zijn stunts zelf en trachtte daarin ook steeds vérder te gaan. Wellicht werden er toen nog zo geen dure verzekeringen op acteurs afgesloten… Na z’n filmcarrière keerde hij terug naar z’n Wild West Revue.
Even grappig (zij het onbedoeld) was “The Fighting Roosevelts”: een jaar na zijn dood wilde men immers de mythe in stand houden van de zwakke bebrilde Theodore Roosevelt die door zijn verblijf in Twilde Westen genoeg gehard wordt om een waardig president van de VS te zijn.
The New York Times schrijft in 1919 nog eens dat de western “een compleet gedemodeerd wegwerpartikel” is. Toch neemt in 1926 de western nog altijd 28% van de filmproductie voor zijn rekening! Een voorbeeld was “Destry rides again”, gedraaid door Michael Curtiz, later in een klankversie hernomen door Anthony Mann en in 1939 nogmaals door George Marshall met Marlene Dietrich en James Stewart in de hoofdrollen.
WIE KAN SPREKEN KAN OOK ZINGEN
Gary Cooper (1901-1961) was de eerste sprekende western-held in een remake van “The Virginian” (1929). Cooper was de zoon van zo’n typische rechter uit Twilde Westen en kon als dusdanig ook paardrijden. Op die manier was hij trouwens in de film beland, als figurant in “The eagle” met Rudolf Valentino (1925).
Daarnaast was er ook nog Robert “Tex” Allen (1906-1998), die erg atletisch was en een deel van zijn stunts dus voor eigen rekening nam. Allen kon ook acteren, maar wat hij niet kon was zingen en in de aanvangsfase van de geluidsfilm vindt men alles wat geluid maakt veel interessanter dan het beeld (de tekst van Gary Cooper was b.v. niet veel meer dan “yups” en “nopes”). En wat maakt het mooiste geluid? Muziek natuurlijk. Musicals verdringen dan ook de westerns als populairste genre. Een paar cowboys proberen de slag op te vangen door tussen twee vechtpartijen door wat te zingen, maar ze maken zich alleen maar belachelijk.
So out goes Bob Allen and in comes Ken Maynard, maar dit was eerder een doorsnee-cowboy die terloops wel eens een liedje kweelde. Het is wel uitgerekend in een film, waarin Maynard de hoofdrol speelt (”In old Santa Fe”) dat voor het eerst Gene Autry te horen valt in een zogenaamde “barn dance”. Cynisch is dat deze later concurrentie zou krijgen van Roy Rogers en dat deze op zijn beurt dan in een film van Autry debuteerde, namelijk in “Sagebrush troubadour” van Joseph Kane.
Roy Rogers heette eigenlijk Leonard Slye, maar dat klonk niet sympathiek genoeg. Hij was in het geheel geen cowboy, want hij werd op 5 november 1911 in Cincinnati, Ohio, geboren. Als tiener verhuisde hij wel naar Californië voor de fruitpluk, maar hij kwam er al snel aan de kost in de zanggroep The Sons of the Pioneers. Het was in 1935 dat hij voor de film Roy Rogers werd.
De western is ondertussen een B-film geworden, het typische genre om jong talent uit te proberen. Zo debuteert Clark Gable b.v. in een western als de “slechte” tegenover William Boyd, overigens de eerste die een western-serie op TV zou lanceren (“Hopalong Cassidy”).
Michael Curtiz draait in 1938 de gangsterfilm “Angels with dirty faces”. Hierin maakt James Cagney komaf met het gebruik in de film dat men met scherp schoot. Uiteraard schoot men wel nààst de acteurs, maar een ongelukje was natuurlijk rap gebeurd. In Roemeense westerns zou de Olympische schutter Marcel Rosca nog wel met scherp schieten, want ook in het Oostblok werden westerns gedraaid. De Amerikaanse rocker Dean Reed, die om ideologische redenen naar de DDR was uitgeweken, vertolkte daar vaak de hoofdrol in westerns, die uiteraard de kant van de indianen kozen.
RACISME
Na de Tweede Wereldoorlog werd het genre opnieuw populair. Men kan zich terecht afvragen of het machismo dat oorlog met zich meebrengt, vooral in landen die er niet “lijfelijk” bij betrokken zijn (zoals de Verenigde Staten), daarin geen rol heeft gespeeld. Zo kon de western in 1948 zijn positie herstellen tot 30% van de Hollywood-productie. Zelfs Oliver Hardy deed dat jaar een merkwaardig solo-optreden naast John Wayne in de western “The fighting Kentuckian” van George Waggner. Het zijn echter vooral de klassiekers van John Ford (die in 1939 reeds “Stagecoach” had gedraaid), die tot de revival hebben bijgedragen.
John Ford, in 1895 geboren als Sean Aloysius O’Feeney, begon als stuntman in D.W.Griffith’s “Birth of a Nation”. Toen liet hij zich gemakshalve Jack Ford noemen. In 1923 zou hij, toen hij werd aangezocht om “serials” te draaien voor Universal, zijn voornaam nogmaals wijzigen in John. The rest is history. Die “serials” waren immers meestal westerns en aangezien we dan nog dicht bij de negentiende eeuw zitten, kwam Ford in contact met allerlei ooggetuigen, die hem details vertelden, die hij later in zijn meesterwerken kon verwerken.
Toch verwierf Ford geen “instant fame”. Zo is hij lange tijd “accessoirist” geweest, vooral voor John Wayne. “The iron horse” uit 1924 en “Three bad men” uit 1926 waren de vermaardste van zijn zeventigtal stomme films, die hij voor Fox draaide met legendarische cowboyhelden als Harry Carey, Hoot Gibson, Tom Mix en Buck Jones.
Hij maakte later het genre opnieuw “salonfähig”, vooral met zijn “cavallerie-trilogie” (”She wore a yellow ribbon”, “Fort Apache” en “Rio Grande”).
‘Fort Apache’ (1948) is minder voorspelbaar dan verwacht. Hij schetst een genuanceerd beeld van de indianen en toont zich ongewoon hard voor de hypocrisie van de legerleiding. Kapitein John Wayne heeft een goede relatie opgebouwd met de indianenstammen in de buurt van het fort. De nieuwe commandant (Henry Fonda) is een indianenhater, die koste wat het kost carrière wil maken. Hij verbreekt niet alleen Waynes eerdere afspraken met de indianen. Hij voert ook een ondoordachte charge uit, waarbij het grootste deel van zijn manschappen omkomt. Maar op het einde loopt Ford toch weer in de pas: Wayne, die Fonda opvolgt, laat iedereen immers geloven dat zijn voorganger een roemrijke dood stierf.
In 1956 volgde “The searchers”. Alhoewel deze laatste film over het algemeen als één van zijn meesterwerken wordt beschouwd, kan ik daar hoegenaamd niet inkomen. Het is zelfs één van de meest racistische films die ik ooit heb gezien. John Wayne (wie anders?) is de hele film door op zoek naar een meisje dat door Comanches is ontvoerd (de rest van haar familie is “zo maar” door hen uitgeroeid). Als hij ze eindelijk vindt, is ze niet alleen uitgegroeid tot Natalie Wood, maar ze is ook een volbloed Comanche geworden. Daarom wil Wayne (alias Ethan Edwards) haar koelbloedig neerschieten. “The only good indian is a dead indian”, nietwaar? Haar geadopteerde broer Jeffrey Hunter, zelf één achtste Comanche en daardoor de hele film lang het voorwerp van spot van Wayne, weet dit te verhinderen en die krijgt als beloning op het einde de hand van Vera Miles, die toch een wat genuanceerder portret van een vrouw uit de Far West neerzet. Dat is trouwens het enige positieve dat ik van deze film kan zeggen, dat hij geen geïdealiseerd beeld geeft van het bestaan in Twilde Westen. Of men dan anderzijds z’n hele leven kan doorbrengen gewoon door op zoek te gaan naar een meisje dat men dan ook nog wil afschieten als men ze vindt, is dan weer een kronkel die mij ontgaat.
Robert Aldrich draaide “Apache” in 1954. Burt Lancaster speelde de hoofdrol en coproduceerde deze film die een aanklacht wil zijn tegen onverdraagzaamheid (***), maar die dat in een onhandige poging om tegelijk ook “realistisch” te zijn (Apachen waren nu eenmaal ook geen lieverdjes, zeker niet tegenover vrouwen b.v.) toch ook niet helemaal is. Het verhaal begint op 14 april 1886 toen Geronimo, het opperhoofd van de Apachen, zich overgaf, maar de jonge kemphaan Massai weigerde zich over te geven, maar werd toch gevangen. Op de trein die hem wegbracht, werd hij als een wilde behandeld, maar hij slaagde erin te ontsnappen. Op die manier kwam hij in St.Louis terecht, waar hij echter overweldigd werd door het stadsleven en vooral de vijandigheid waarmee hij te kampen had. Van de daar levende Cherokees leerde hij het land bewerken, wat uitmondt in een hilarische finale die “Hollywood” oplegde aan Aldrich. Het moest natuurlijk op een ongeloofwaardig optimistisch slot uitdraaien, met name in het omsingelde korenveld dat Massai heeft gezaaid. In de rol van de verrader Hondo herkennen we Charles Bronson, die toen nog gewoon Buchinsky heette. De mooie, maar met koffiebonen wel erg bruin gemaakte Nalinia wordt gespeeld door Jean Peters en John McIntyre is Al Sieber, de eeuwige speurhond achter Massai, die hem dan ook in dat korenveld treft, maar ze komen er samen levend uit. Dat er geen shoot-out is, is wel on-Hollywoodiaans (oorspronkelijk was trouwens wél voorzien dat Massai zou sterven). Dat het te wijten is aan de geboorte van zijn zoon (hoe wist hij eigenlijk op voorhand dat het een zoon zou zijn?), is dat dan weer wél.
1954 was ook het jaar van “Drums across the river” (Nathan Juran) en van “Gunfight at the O.K.Corral” van John Sturges.
In 1960 draaide diezelfde Sturges “The magnificent seven” met Steve McQueen, James Coburn, Horst Buchholz, Yul Brynner, B.Dexter, Robert Vaughn en Charles Bronson. Datzelfde jaar was er ook nog “The Unforgiven” van John Huston, een film die duidelijk het racisme als thema heeft, maar dan wel op een heel perverse manier. De hoofdrol wordt vertolkt door Burt Lancaster die, nadat zijn vader door de indianen werd “vermoord”, zijn moeder (Lillian Gish) en zijn pleegzus (Audrey Hepburn) moet verdedigen, met behulp van zijn twee jongere broers, waarvan de oudste, Cash, de meest racistische, wordt vertolkt door Audie Murphy. Dan duikt iemand op die zich aandient als een “wraakengel” en de Kiowa’s vertelt dat Audrey één van de hunnen is. Dat blijkt ook nog te kloppen, maar uiteindelijk sluit de familie de rangen tegenover de racistische reflex van de andere blanken. Toch rekenen zij op het einde op de typische Hollywood-manier bloedig af met een heel leger indianen: daarmee bedoel ik dat die indianen blijkbaar superdom zijn, want zij laten zich afslachten door drie man! Er zitten overigens nog twee merkwaardige “twists” in het verhaal. Zo is er de half-incestueuze liefde van Lancaster voor zijn halfzus en op een bepaalde wijze speelt ook een piano, en meer bepaald de muziek van Mozart daarop gespeeld, een rol in het verhaal.
WIEDERGUTMACHUNG
Toch was John Ford één van de eersten om een eerlijker visie op de indianen te geven. In “Cheyenne Autumn” van 1964 klaagt hij het feit aan dat in Oklahoma in 1878 de Cheyennes omkwamen van honger en kou in hun reservaat. Onderwijzeres Deborah Wright (Carroll Baker) neemt ze daarom mee naar hun eigen gebied. Kapitein Thomas Archer (Richard Widmark) heeft opdracht gekregen de indianen naar het reservaat terug te drijven, maar hij wordt verliefd op Deborah en begint met de indianen te sympathiseren. Dan stuurt men er maar James Stewart, Arthur Kennedy, Karl Malden, Dolores del Rio, Ricardo Montalban en wie weet ik nog allemaal op af. John Ford (recordhouder van het aantal oscars, nl.vier) is op 31/8/1973 gestorven aan kanker in Palm Springs (Californië).
De eer van de eerste Indiaan-vriendelijke western komt echter toe aan “Broken arrow” met Jeff Chandler (1918-1961) als Cochise (1950). Wellicht koos men opzettelijk de populaire James Stewart uit om de verontschuldigingen van de blanken te verwoorden. Vier jaar later werd met “Taza, son of Cochise”, zowaar een western van “the king of the weepies” Douglas Sirk, de puntjes weer op de i gezet. Die Taza is immers een overloper, die o.m. een aanval van Geronimo verijdelt. Taza werd overigens gespeeld door Rock Hudson, terwijl ook Jeff Chandler nog een gastrolletje als Cochise mag vertolken.
Tussendoor werden verder o.m. gedraaid: Lone star (Vincent Sherman), Distant drums (Raoul Walsh), The outlaw (Howard Hughes), The miracle of Morgan’s Creek (Preston Sturgess), Yellow sky (William A.Wellman), Gunfight at the O.K. Corral (John Sturges), Shenandoah (Andrew McLaglen), The Hallelujah Trail (John Sturges) en Jeremiah Johnson (Sydney Pollack). Deze laatste film legt de nadruk op de cowboy als “loner”, een thema dat vaker terugkeert, b.v. in “Man without a star” van King Vidor uit 1955 met Kirk Douglas in de hoofdrol. Over het algemeen wordt deze film als een meesterwerk beschouwd, alhoewel Vidor zelf hem afzweert omdat hij door de producers zou verminkt zijn.
Na “Broken Arrow” zou het tot in de late jaren zestig duren vooraleer “politiek correcte” westerns (naar analogie met de situatie in Vietnam) zouden opduiken. Maar - ere wie ere toekomt - tussendoor was er in 1960 toch reeds “Flaming star” van Don Siegel met ene… Elvis Presley (!) in de hoofdrol, die duidelijk de complexiteit van het rassenthema illustreerde. En het dient gezegd: Elvis deed het helemaal niet slecht, integendeel zelfs!
TELEVISIE
In 1950 liep de zingende cowboy Roy Rogers over naar het televisiemedium. Hij nam zijn paard Trigger (dat écht zijn eigen paard was, nadat het vóór de Roy Rogers-films enkel eens door Olivia De Havilland was bereden in “The adventures of Robin Hood” in 1938) en zijn tegenspeelster Dale Evans (die écht zijn eigen vrouw was sinds 1947) mee. Die Evans (1912-2001) was overigens nogal een feministe, ondanks het feit dat ze in de Roy Rogers-films nogal trutterige dames vertolkte.
In 1956 was het uit met de pret. Rogers was stilaan te oud geworden en de nieuwe jeugd te rebels om zich met hem te identificeren. Maar geen nood, sedertdien ontpopt hij zich als een zakenman in allerlei spin-offs van het cowboyleven en dat tot zijn dood op 6 juli 1998. Trigger was reeds in 1965 overleden, maar was met z’n 33 jaar eigenlijk veel ouder geworden dan zijn baasje. Over de verhouding tussen man en paard heeft Elton John een mooi nummer gemaakt, uiteraard getiteld “Roy Rogers”, dat door acteur Theu Boermans in het Nederlands is omgezet.
In 1959 startte op de televisie de Bonanza-reeks die tot 1973 zal lopen. In 1995 dacht Leonard “Spock” Nimoy dat hij er goed aan deed de Bonanza-reeks te doen herleven in de TV-film “Bonanza under attack”. De oorspronkelijke titel “The ghosts” werd niet behouden, maar die was nochtans goed gekozen, want van het oorspronkelijke viertal (Lorne Greene als Ben Cartwright en Pernell Roberts, Dan Blocker en Michael Landon als zijn zonen Adam, Hoss en Little Joe) is enkel misschien Pernell Roberts nog in leven. Omdat die tamelijk vroeg afhaakte, is er immers sindsdien niets meer van hem vernomen. Van de anderen worden hun zonen (Dirk Blocker en Michael Landon jr) opgevoerd om hun vaders te doen vergeten. Bij voorbaat gedoemd om te mislukken dus. Het plan om na de TV-film de reeks opnieuw op te starten kon men dus snel opbergen.
In 1988 had Jerry Jameson ook al “Bonanza: the return” gedraaid, eveneens met Michael Landon jr. als Ben Cartwright.
In een aflevering van de oude “Bonanza” speelde ook David McLean, die vooral bekendheid zou verwerven als “The Marlboro Cowboy”. Hij stierf in 1995 aan… longkanker. Er dient wel bijgezegd dat hij toch 73 is geworden. Maar anderzijds is het de tweede Marlboro Cowboy die aan kanker overlijdt. Dat kan bijna geen toeval meer zijn. McLean was ook te zien in “Gunsmoke”, een andere TV-serie net als “Rawhide” of “High Chaparral”.
Men had ondertussen voor de zoveelste keer de western ten grave gedragen, maar in 1967 betaalt men toch zo maar eventjes 400.000 dollar aan scenarist William Goldman voor “Butch Cassidy and the Sundance Kid”, het duurste salaris tot dan toe.
De vriendschap tussen Butch Cassidy en de Sundance Kid en de hele Wild Bunch is uiteraard een geliefd onderwerp in westerns. “Butch and Sundance: the early years” van Richard Lester met Tom Berenger en William Katt was een zwakke “prequel” uit 1979 en “The Maverick Queen” van Joseph Kane uit 1956 behandelde ook reeds dit thema. Het was trouwens de eerste western die werd gedraaid in Naturama, een minder bekende benaming voor Cinescoop of breedbeeldscherm.
“Butch Cassidy and the Sundance Kid” staat zowat symbool voor het thema van vriendschap tussen mannen dat vaak in westerns voorkomt. Susan Sarandon merkt terecht op dat het mooi zou geweest zijn als Newman en Redford mekaar een kus hadden gegeven vooraleer samen om te komen in the final shoot-out, zoals zij en Geena Davis dat ook doen op het einde van “Thelma and Louise”. Maar dit zou haaks hebben gestaan op de viriele, ja zeg maar macho-aanpak van het genre.
Maar toch gaven de stoere cowboyfilms, ook vóór “Brokeback Mountain” (****), soms aanleiding tot openlijk homoseksuele toespelingen: zo laten Montgomery Clift en John Ireland in “Red River” met het nodige nudge-nudge-wink-wink hun revolvers aan elkaar zien en mogen ze er ook eens mee “schieten”… De cowboyhelden voor homo’s waren overigens vooral Alan Ladd en Randolph Scott, die jarenlang samen met Cary Grant woonde, zogezegd “om de kosten te drukken”. Ook in “Se sei vivo spara”, één van de Django-films, gedraaid door Giulio Questi in 1967 met Tomas Millian als Django, en in “Il mercenario” van Sergio Corbucci in 1970 met Jack Palance en Franco Nero (deze voormalige echtgenoot van Vanessa Redgrave - samen hebben ze een zoon Carlo – werd vooral bekend als Django, maar niet in déze film) zouden homofiele elementen zitten.
Die Django-films waren zogenaamde “spaghetti-westerns”, exploitatiefilms, die echter wel een originele aanpak “exploiteerden”. Het was inderdaad in Europa dat er een grondige verandering van het karakter van de western kwam.
Niet dat er tot dan toe nog geen Europese westerns gedraaid waren, maar die waren vaak van een bedenkelijk allooi. Niet toevallig waren dat vooral Duitse films, die teruggingen op de boeken van Karl May. Aangezien Karl May nooit in Amerika was geweest (hij beweerde van wel - hij schafte zich zelfs memorabilia aan - maar dat was dan gedurende de jaren dat hij in de gevangenis had gezeten wegens… frauduleuze praktijken van diverse aard), was het beeld van de indianen echter allesbehalve correct. Vandaar misschien dat May nooit populair is geworden in de V.S., laat staan de verfilmingen van zijn werk!
Ongelooflijk maar waar, zelfs onder de nazi’s werd er een western gedraaid. Met een budget van 1,385 Reichsmark was “Wasser für Canitoga” van Herbert Selpin in 1939 zelfs een superproductie voor die tijd. Dat er zoveel geld werd tegenaan gesmeten had ongetwijfeld te maken met het feit dat de hoofdrol werd vertolkt door “superster” Hans Albers, die in de film de hit “Goodbye Johnny” vertolkte, die echter wél door de nazi’s werd verboden.
Maar het was dus in Italië dat we met de omwenteling werden geconfronteerd vanaf “A fistful of dollars” van Sergio Leone (of is het toch van Duccio Tessari zoals hij zich toen nog liet noemen?), een “remake” van “Yojimbo”, de klassieker van Akira Kurosawa uit 1961, die in 1997 nogmaals als “Last man standing” werd verfilmd door Walter Hill.
Alhoewel dit een film is uit 1964 heeft een en ander toch te maken met het rebelse jaar 1968 dat reeds in de lucht hangt. Zo wordt “Once upon a time in the west” (Sergio Leone), waaraan Bernardo Bertolucci o.a. meeschreef, beschouwd als een “marxistische geschiedenis” van Twilde Westen. Dat neemt overigens niet weg dat er toen al goede “alternatieve” westerns werden gemaakt in de States die ook nu nog tot de pareltjes van de cinematografie behoren. “Little big man” van Arthur Penn b.v. met Dustin Hoffman en “Jeremiah Johnson” van Sydney Pollack met vriendje Robert Redford. En nog in 1969 was er “Tell them Willie Boy is here” (met alweer Robert Redford, maar niet in de titelrol, dat was Robert Blake en diens vrouwelijke tegenspeelster was de mooie Katharine Ross), waarin Abraham Polonsky zijn eigen discriminatie onder de McCarthy-heksenjacht uitdrukt onder de vorm van de vernederingen die de indiaan Willie Boy moet ondergaan.
In “Soldier blue” van Ralph Nelson (1916-1987) uit 1970 tenslotte wordt er duidelijk een allusie gemaakt op de zinloze slachtingen in de Vietnamese oorlog. De hoofd­rollen werden hier echter vertolkt door twee televisiegezich­ten, namelijk Candice Bergen (”Murphy Brown”) en Peter Strauss (”Rich man, poor man”). Geef toe, dit vormde niet meteen een valabel tegengewicht voor mensen als Cooper of Wayne! Candice Bergen (die ooit eens heeft gezegd: “Ze zouden Nixon moeten vermoorden”) was wel politiek geëngageerd. Zo vormde ze samen met Ring Lardner jr en Howard da Silva in die tijd de eerste culturele missie naar China. “Soldier blue” gunt ons overigens een blik op de bips van Candice Bergen, tenzij voor de bewuste scène, waarin Peter Strauss met zijn tanden haar kleedje naar beneden tracht te trekken, een body double werd gebruikt.
Rond die tijd werd ook “A man called horse” als “innoverend” beschouwd. Toen echter begin 1999 de indiaanse hoofdrolspeler Iron Eyes Cody overleed, werd hij geout als Oscar De Corti, een Italiaanse immigrant, die geen spat indianenbloed in zijn aderen had. Om de gemoederen te sussen deelde zijn zuster mee dat hij al sinds hij een kind was de indiaan wou uithangen. Men kan dus stellen dat deze man een geslaagd leven heeft geleid.
Maar het was uit zijn moederland dat de échte revolutie zou komen. Met name dus Sergio Leone (1929-1989), die tot dan toe zogenaamde “sandalenfilms” (over de Grieks-Romeinse oudheid, b.v. “De kolos van Rhodos”) had gedraaid, haalde het in de jaren zestig immers in zijn hoofd om Europese westerns te gaan draaien. Die werden dan ietwat spottend “spaghetti-wes­terns” genoemd, enerzijds omwille van het land van herkomst, maar anderzijds ook omdat de “bolognaisesaus” rijkelijk vloei­de. Leone’s films mochten dan minder expliciete maat­schappijkritiek bevatten dan b.v. een “Soldier blue”, ze waren op hun manier toch ook erg effectief, aangezien ze de rauwe realiteit toonden. Als Cooper in “High noon” b.v. met een hele gangsterbende afrekent, dan vloeit er nochtans geen druppel bloed. Kogels blijken mooie ronde gaatjes in lijven en hemdjes te maken en men verwacht als het ware dat op elk moment een dode weer tot leven kan komen.
Leone daarentegen toonde schotwonden zoals ze zijn: diep, vuil en vreselijk bloederig. Clint Eastwood in Humo: “Amerikaanse westerns moesten in die tijd gehoorzamen aan de zogeheten Hays Code. Zo mocht je de cowboy die schiet en degene die getroffen neervalt nooit in één en hetzelfde shot laten zien. Maar Sergio trok zich daar geen zier van aan en filmde de schietpartijen gewoon in één take. Dat was revolutionair – zijn shoot-outs waren tegelijk hondsbrutaal en ongelooflijk opwindend.”
Dat was ook het geval voor Sam Peckinpah, al werd die tegelijk een fascinatie voor (en dus een aanzetten tot) geweld verweten. “The wild bunch” uit 1969 b.v. speelt zich af in een Texaans grensstadje in 1913, waar vijf gangsters (Ernest Borgnine, Edmond O’Brien, Warren Oates, Ben Johnson en leider William Holden) het spoorwegkantoor willen overvallen. Die aanval wordt echter verijdeld door “wakkere burgers”. Een aantal van die burgers zijn echter niet alleen wakker, maar ook oververhit en die willen o.l.v. Robert Ryan de achtervolging inzetten en de premie binnenrijven die is uitgeschreven.
In feite is hier de basis voor “Unfor­given” reeds aanwezig. Ook Clint Eastwood wil immers de mythe van de revolverheld ontluisteren. “Het is verdomd lastig om iemand te vermoorden,” wordt een paar keer in de film gezegd. En inderdaad, zelfs voor een premiejager kan het doden van een mens niet zo eenvoudig zijn. Maar daarmee zijn we nu plotse­ling veel te snel gegaan. Bij Sergio Leone was Clint Eastwood immers nog niet de grote vedette. Ook hij was, net als Bergen en Strauss, een televi­sie­acteur. De oudere jongeren onder ons herinneren zich b.v. ongetwijfeld nog de serie “Rawhide” (1958-1964). Toen al was Eastwood toch een iets stoerder type dan Strauss (niet toeval­lig speelde deze de “rich man” in de gelijknamige serie ter­wijl Nick Nolte de “poor man” was) en de films van Sergio Leone maakten het beeld compleet. Eerlijk­heidshalve moet ik onmid­dellijk daaraan toevoegen dat de aanwezigheid van East­wood evenveel gedaan heeft voor het succes van de films als omgekeerd! Hij heeft trouwens zelf tot de kenmerkende stijl ervan bijge­dragen door pagina’s dialoog weg te gooien en het beeld voor zichzelf te laten spreken.
De spaghetti-westerns werden zo populair, dat er ook komische spaghetti-westerns werden gedraaid. Het oervoorbeeld uit 1970 is “De rechter- en linkerhand van de duivel” (Enzo B.Clucher) met Bud Spencer (Carlo Pedersdi) en Terence Hill (Mario Girotti). Later ging deze laatste solo met “My name is Nobody”. Toen hij nog later de hoofdrol vertolkte in het door hemzelf geregisseerde “Lucky Luke”, droeg hij trouwens niet het typische gele hemd met zwart jasje en rode sjaaltje (rood-geel-zwart, heeft u ‘m?), maar het pak dat hij in “My name is Nobody” droeg. Omdat het hem geluk zou brengen. Het kan de perfecte illustratie van de onzin van bijgeloof zijn, want de film zonk als een steen. En één van de redenen was trouwens dat niemand Lucky Luke herkende…
Hill had trouwens beter moeten weten. Jaren eerder had immers ook Jean-Paul Belmondo reeds getracht de stripheld tot leven te wekken. Met Jean Gabin als rechter Roy Bean zelfs (*****). Geen kleinschalige productie dus, maar toch nooit afgewerkt. O.a. omdat het geen zin heeft striphumor over te planten op filmbeelden (denk hierbij ook aan de Popeye van Robin Williams b.v.): in een stripverhaal springt de hoed van iemand die schrikt b.v. enkele centimeter van zijn hoofd. Zelfs met special effects wérkt zoiets niet in een film. En het casting bureau had - ongelooflijk maar waar - zelfs vier Fransen gevonden, die perfect de Daltons konden voorstellen, van klein naar groot. Alleen bleken deze vier heren hoegenaamd geen kaas te hebben gegeten van acteren.
Dat wil daarom natuurlijk niet zeggen dat komische westerns niet kùnnen. “The Cheyenne social club” van Gene Kelly was b.v. een komisch bedoelde western met Henry Fonda en James Stewart. Onnodig eraan toe te voegen dat de “social club” eigenlijk een bordeel is. En ene Harrison Ford debuteerde naast Gene Wilder in de komische western “The Frisco Kid” van Robert Aldrich uit 1978.
POLITICALLY CORRECT
Maar dat is allemaal natuurlijk slechts “tweede keus”. Niet alleen kwalitatief maar ook kwantitatief ging het ontzettend bergaf. In 1950 alleen werden meer westerns opgenomen dan tussen 1970 en 1990.
Eén der grootste filmflops aller tijden was “Heaven’s Gate” van Michael Cimino. Het draaide ook de “western” definitief de nek om. Althans zo dacht men. Maar dan bracht Kevin Costner “Dances with wolves” uit.
Tijdens de opnames sprak men van “Kevin’s gate” of “Costner’s last stand” (een allusie op de nederlaag van generaal Custer), maar het bleek uiteindelijk een reusachtig succes. En terecht. “Dances with wolves” zorgde voor een heropleving van het genre, maar dan wel heel anders dan in de tijd van John Ford of zelfs Sergio Leone, al kan b.v. “Broken arrow” van Delmer Daves als een voorloper van “Dances with wolves” worden beschouwd. De jongste jaren worden films immers vooral getoetst op hun “political correctness” en dat mag dan zowel voor de zwarten als voor de indianen zelf een zegen zijn, eerlijkheidshalve moeten we toch aanstippen dat de films zelf er vaak een zeurderig karakter door kregen. Bovendien was het niet altijd een garantie: in 1995 was er b.v. nog een grote discussie rond de Disney-tekenfilm “Pocahontas”. Het 12-jarige indiaanse meisje werd hier immers voorgesteld als een volwassen barbiepop (dat 12-jarige meisjes al vrijen, vond men bij Disney blijkbaar te gortig).
Kevin Costner van zijn kant heeft dat zeurderige niet, wellicht omdat hij altijd al belangstelling heeft gehad voor de indianen. Hij heeft echter wijselijk gewacht tot hij de status van onaantastbare supervedette had bereikt, vooraleer hij zich werkelijk heel duidelijk heeft uitgesproken tegen de “grootste volkerenmoord uit de geschiedenis”, om het met zijn eigen woorden te zeggen.
“Dances with Wolves” brengt het verhaal van John Dunbar, een Amerikaanse soldaat die in 1860 helemaal in de ban komt van de legendarische Sioux-krijgers.
“The last of the Mohicans” werd aangekondigd als een soort “prequel” op “Dances with wolves”, maar dat is totaal uit de lucht gegrepen. Integendeel, het boek van James Fenimore Cooper is eigenlijk zelfs racistisch. Ondanks het feit dat Hawkeye opgroeide bij indianen, legt hij er steeds de nadruk op dat hij een blanke is. Toegegeven, regisseur Michael Mann heeft deze valstrik vermeden, o.a. door Hawkeye’s stiefvader te laten spelen door Russell Means, een activist voor india­nenrechten.
WYATT EARP
“Het is even makkelijk de waarheid te verfilmen als de leugen,” zei Costner destijds. “Waarom zouden we dan voor één keer niet eens de waarheid tonen?” En in één ruk voegt hij eraan toe dat men ook niet moet afkomen met het feit dat het allemaal reeds meer dan honderd jaar achter de rug ligt, dat hij oude koeien uit de gracht haalt. “Alhoewel ik op de eerste plaats een ’story-teller’ ben, behandelt de film toch ook problemen die nu nog steeds aan de orde zijn. Het milieu b.v., de bodemontginning en de verdeling van de landbouwgronden.” Zijn inzet leverde hem eerst grote waardering op van de indianen, maar sindsdien zijn de verhoudingen bekoeld, wellicht omdat zij uiteindelijk weinig of niet deelden in de opbrengsten van de film. Costner liet het niet aan zijn hart komen en speelde enkele jaren later de rol van Wyatt Earp in de gelijknamige film over het leven van de legendarische sheriff.
Er zijn natuurlijk nog wel meer legendarische figuren uit Twilde Westen die ettelijke malen tot leven zijn gewekt op het witte doek: Jesse James b.v. (Henry King) of Buffalo Bill (Robert Altman), maar geen enkel leven werd zo vaak verfilmd als dat van de koelbloedige sheriff Wyatt Earp (1848-1929) en zijn legendarische tegenstander Doc Holliday. Amper drie jaar na de dood van Earp (de kist werd o.a. gedragen door William S.Hart en Tom Mix) werd het verhaal van de twee revolverhelden voor het eerst verfilmd (Holliday zelf had het slechts tot 1895 uitgehouden, wat toch nog 15 jaar na “O.K.Corral” is). In 1939 was het Cesar Romero (The Joker uit de Batman-TV-serie) die Holliday speelde in “Frontier Marshal”, zijnde dus Wyatt Earp, rol vertolkt door Randolph Scott. In 1941 treedt Doc Holliday ook even op in “The Outlaw”. Het merkwaardige is dat zijn rol hier gespeeld wordt door Walter Huston, die in “Law and order” eerder al Wyatt Earp had gespeeld! In 1953 zou Nathan Juran opnieuw een film met deze titel draaien waarbij Ronald Reagan de wel erg toepasselijke hoofdrol vertolkte.
In 1946 speelde Victor Mature Doc Holliday in “My darling Clementine” van John Ford. Zijn tegenspeelster Anita Ekberg beweerde dat hij enkel opdook als er close-ups dienden te worden gemaakt. Als ik me niet vergis, speelde Henry Fonda een wat verwijfde Wyatt Earp, die het lief van Holliday (Clementine dus) binnenrijft. Om het verhaal niet nodeloos te compliceren sterft Holliday hier uitzonderlijk in het duel op de O.K.Corral.
In 1956 was er trouwens de historische “Gunfight at the O.K.Corral” met Kirk Douglas als Doc en Burt Lancaster als Wyatt. Douglas interpreteerde de film als een liefdesverhaal tussen de twee “helden”, wat John Wayne razend maakte.
In 1967 speelde Jason Robards jr Doc Holliday in “Hour of the gun” van John Sturgess. Robards had een drankprobleem en kon zich daarom nogal goed inleven in de rol.
In 1970 werd - helemaal in overeenstemming met de tijd - de geschiedenis op zijn kop gezet. In de Engelse film “Doc” was Wyatt Earp een opportunist en de Clantons waren half-onschuldige slachtoffers. De titelrol werd vertolkt door Stacy Keach, die overigens onmiddellijk na de opname uit het land werd gezet wegens drugsmokkel (hij was in het bezit van cocaïne).
In 1980 was het Dennis Hopper die van Holliday een drugverslaafde maakte in “Wild times”. Wellicht is dit niet eens vergezocht: Holliday was eigenlijk tandarts en kende dus de pijnstillende werking van diverse middelen. En die had hij broodnodig.
In de versie van Lawrence “Silverado” Kasdan wordt de sheriff dus gespeeld door kaskraker Kevin Costner, maar het is vooral Dennis Quaid die (naar goede Hollywood-traditie) met zijn vertolking van de zieke Doc Holliday de aandacht trekt.
Het beroemde gevecht op de O.K.Corral (dat overigens maar 30 seconden duurde, i.p.v. zes minuten in de gelijknamige film) komt in hetzelfde jaar als “Wyatt Earp” ook terug in “Tombstone”. Hierin figureert naast Kurt Russell ook Jason Priestley. Scenarist Kevin Jarre was oorspronkelijk ook regisseur, maar wegens onbekwaamheid is hij vervangen door George Pan Cosmatos die in het verleden nochtans reeds herhaaldelijk heeft bewezen dat hij vakkundig de grootste onzin kan inblikken (”Leviathan”, “Cobra” en “Rambo II” b.v.).
De meeste films over Wyatt Earp gaan terug op “I married Wyatt Earp”, het boek dat Glenn Boyer publiceerde bij de University Press of Arizona, zogezegd gebaseerd op de mémoires van Earps derde vrouw, Josephine (1861-1944). In 2000 kon men echter aantonen dat mijnheer Boyer die zogenaamde mémoires uit zijn duim had gezogen.
VROUWEN
Het was duidelijk: sedert “Dances with wolves” is de western weer helemaal terug. In 1994 hadden we naast “Wyatt Earp” en “Tombstone” b.v. nog Walter Hills “Geronimo: an American hero”, een lovenswaardige prestatie, die echter veel minder succes kende.
Een ander gevolg van “political correctness” was dat we nu te maken kregen met “feministische” westerns zoals “The ballad of Little Jo” en “Bad girls” van Jonathan Kaplan (die reeds feministische trekjes had vertoond in één van zijn vorige, “The Accused”). Andie MacDowell, Madeleine Stowe, Mary Stuart Masterson en Drew Barrymore spelen hierin bekeerde hoertjes (de wraaklustige mannen James Russo, Robert Loggia en Dermot Mulroney mogen slechts een domme bijrol vertolken).
Voor anderen is het gewoon het vrouwelijke equivalent van “Young guns”, een film die zich destijds ook als “progressief” wou voordoen, maar die dit enkel volhield in het eerste gedeelte wanneer “the brat pack actors” opgevoed worden door de Engelse lord, die hen heeft geëngageerd. Van zodra hij wordt gedood en zij op wraak uit zijn, herviel de film in nodeloos geweld.
Maar toch vindt b.v. Julie Burchill dat “Bad girls” - ondanks de ronduit beledigende titel - hetzelfde doet voor de vrouwen in Twilde Westen als “Dances with wolves” voor de indianen. Burchill schrikt er zelfs niet voor terug om de populariteit van de western op misogynie terug te voeren. Vrouwen waren daar enkel schouwgarnituur in. Zelfs de Calamity Jane van Doris Day die “helden” als haar echtgenoot Wild Bill Hickock overleefde, wordt in de musical die in 1953 werd verfilmd toch in de eerste plaats voorgesteld als iemand die per se aan een man wil geraken.
En denk ook aan de eindscène van de humoristische western-musical “Paint your wagon” van Joshua Logan met Lee Marvin als Ben en Clint Eastwood als Partner. Hierin is Jean Seberg hun gemeenschap­pelijke vrouw tot ze door de aanwezigheid van strenge gelovi­gen tot een typisch Amerikaanse zuurpruim uitgroeit, waardoor haar wettelijke echtgenoot Ben wijselijk de plaat poetst (”I was born under a wandering star” zingt hij op muziek van Frederick Loewe en lyrics van Alan Jay Lerner). Ook Marilyn Monroe deed er haar beklag over dat de enige manier die de scenarist kon bedenken om Clark Gable in “The misfits” te overhalen geen paarden af te maken om er hondenvoedsel van te maken, een hysterische crisis was i.p.v. een redelijk gesprek. En zeggen dat die scenarist… haar echtgenoot Arthur Miller was!
Over slechte meisjes gesproken, Sharon Stone streek een jaar later zo maar eventjes 330 miljoen fr. op voor “The quick and the dead”, waarin ze als vrouwelijke gunfighter toch weer de sekspoes uithing (ook naast de set en wel met producer Bob Wagner, die toen de film goed en wel in de zalen was alweer werd gedumpt).
Maggie Greenwald draaide met “The ballad of Little Jo” een western over Josephine Monaghan (gespeeld door Suzy Amis), die zich in een man moest verkleden om als cowboy te kunnen overleven in Twilde Westen. Monaghan kwam uit een welstellende familie uit de staat New York, maar toen ze als tiener zwanger werd, werd ze verstoten en probeerde ze in het westen verder aan de kost te komen.
En als gevolg van het feit dat de Nederlandse Marleen Gorris in 1996 de oscar won voor de beste buitenlandse film, mocht ze van 20th Century Fox de western “Come west with me” draaien. Craig Bolotin baseerde zijn script op het toneelstuk “Abundance” van Beth Henley, dat handelt over twee postorder-bruidjes (zoals het vaak ging in die tijd), die uiteindelijk op dezelfde man verliefd worden.
Zelfs Jodie Foster was te zien in een western! “Maverick” van Richard Donner was gebaseerd op het gelijknamige TV-feuilleton (1957-1961), waarin de broers Bret en Bart (James Garner en Jack Kelly) er met hun neef Beau (Roger Moore) op los gokten. James Garner speelde trouwens de rol van Sheriff Zane Cooper in de Donner-versie, maar zijn eigen rol werd nu gespeeld door producer Mel Gibson.
“Maverick” is een begrip geworden in het Amerikaans. Dat gaat terug op een bestaand personage met die naam, Samuel A.Maverick (1803-1870), met dien verstande dat dit geen gokker was. Alhoewel. Hij is juist de geschiedenis ingegaan omdat hij de eerste was die zijn kalveren niet brandmerkte. Een kalf zonder brandmerk werd dus een Maverick en later ging dit ook over op mensen die vrij rondzworven en niet in het rijtje wilden passen.
ZWARTEN
In “The Unforgiven” worden de indianen uitgescholden voor “red niggers”. Het is dus wel interessant zich ook even te buigen over de rol van de zwarten in de western. Met “Posse” tracht Mario Van Peebles tracht te bewijzen dat er toch ook zwarte cowboys waren (met productiesteun van Clint Eastwood), maar de film is (in navolging van Sergio Leone) té gewelddadig om als positief te worden ervaren.
Dat is wel het geval voor “Hundred rifles” van Tom Gries uit 1969, waarin Jim Brown zowaar als eerste zwarte op het witte doek met een blanke vrouw mag stoeien. Hij zal het zich wel niet beklaagd hebben, want de actrice in kwestie was Raquel Welch.
Als Sidney Poitier samen met Harry Belafonte, Paul Newman, Steve McQueen, Dustin Hoffman en Barbra Streisand (de “progressieven” van Hollywood) in 1969 de productiemaatschappij First Artist opricht, debuteert hij daarvoor als regisseur met de western “Buck and the Preacher”, waarin hij samen met Belafonte ook de hoofdrol vertolkt.
Twee jaar later is er “Skin Game”, een komische western van Paul Bogart, gesitueerd vlak voor de Burgeroorlog, waarin James Garner zich voordoet als een blanke die uit geldnood verplicht is zijn slaaf (Lou Gossett) te verkopen. Eenmaal de deal gesloten, helpt hij zijn compagnon te ontsnappen, zodat de truuk ad libitum kan worden herhaald. Het is echter Susan Clark, nochtans enkel ingehuurd voor het “vrouwelijke element”, die de show steelt. Het is wel interessant om te zien hoe de “love interest” zich ontwikkelt. Uiteraard is het immers de blanke die met de blanke vrouw vrijt en op het einde heeft de zwarte ook een zwart lief.
Voor “Sommersby” werd het oorspronkelijke scenario van “Le retour de Martin Guerre” ook overgeplaatst naar de Amerikaanse secessieoorlog in de 19de eeuw. Daardoor kon er wel een interessante nieuwe dimensie worden aan toegevoegd, namelijk het racisme dat in de zuidelijke staten onverminderd bleef doorleven. Dit gebeurt vooral door het inschakelen van de zwarte acteur James Earl Jones. Hij is de rechter die moet uitmaken of Jack Sommersby wel degelijk dezelfde is als van voor de oorlog.
Hoe zwarte soldaten (de zogenaamde “Buffalo Soldiers”) de Civil War beleefden kan men anderzijds vaststellen in “Glory” (Edward Zwick) met een schitterende vertolking door Denzel Washington, die hiervoor een Oscar in de wacht sleepte. “Glory” was echter eerder een oorlogsfilm dan een western. Dat gold ook voor “Gettysburg”.
Als kanttekening wil ik wel meegeven dat de term “Yankees” voor de noordelijken als scheldwoord gestolen was van de Britten. In hun ogen waren “Yankees” immers Britten die meevochten in de onafhankelijkheidsstrijd van de Verenigde Staten. Het is een milieu dat later vooral door Edith Wharton zou worden getekend.
En dan was er natuurlijk “Unforgi­ven”. In “Unforgiven” wil Clint Eastwood zoals gezegd de mythe van de revolverheld ontluisteren. “Al die killers die legenden werden waren gewoon kerels die mensen in de rug schoten. Ze stonden niet tegenover elkaar, in het midden van de straat, zoals in de oude westerns. De revolverheld is een romantische mythe, net als het hele oude Wilde Westen, dat eigenlijk niets meer was dan een dorre, armoedige streek vol miserie. De cowboys waren vuil en ongewassen, en de meesten konden niet beter overweg met een pistool dan met een strijkijzer. Dàt heb ik in deze film willen tonen.” (Humo)
De tot inkeer gekomen boef heeft zelfs ontegen­spreke­lijk auto­biografi­sche trekjes. Eastwood wil vooral duidelijk maken dat geweld niet grappig is, iets waar­aan oudere films van hem zich wél schuldig maken, zegt hij­zelf.
Kortom, eigenlijk was deze hoofdfiguur reeds een van de “Legends of the fall” van Edward Zwick, tevens de maker van “Glory”. “Helden van het Avondland” zou je ietwat Wagneriaans kunnen vertalen. Het gaat immers over de teleurgang, nee niet van de waterhoek, maar wel van Twilde Westen. Het verhaal situeert zich (overigens niet toevallig) wel in dezelfde periode als het boek van Stijn Streuvels. De passage over de Eerste Wereldoorlog speelt zich zelfs in Ieper af! (Mensen zoals de Pools-Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki die de opdracht hadden om tijdens de oorlog brieven van en naar soldaten te censureren om geen gegevens over ligging of planning te laten uitlekken, waren verbaasd toen zij in brieven van het thuisfront vaak aantroffen dat de vrouw in kwestie “de afspraak met de indiaan had gemist”. Dat bleek uiteindelijk een beeldspraak te zijn voor het feit dat haar maandstonden uitbleven…)
Maar in Amerika is dit dus de periode dat de indianen definitief verslagen zijn en de bureaucratie zijn intrede begint te doen. Echte “frontiermen” (zoals Robert Redford in “Jeremiah Johnson” of Kevin Costner in “Dances with wolves”) hebben het daar lastig mee. Zij hebben van de overwonnen indianen de liefde voor de natuur geërfd en leven op basis van natuurwetten i.p.v. “the law”. Aangezien die “law”, zeker in Amerika, teruggaat op de zogenaamde “goddelijke” wetgeving uit de bijbel, is het ook een beetje het heidendom i.p.v. religie, natuur i.p.v. cultuur. De romantische verheerlijking van “le bon sauvage” kortom. Een gevaarlijke theorie die indien tot het bot ontleed tot fascisme kan leiden, maar aangezien de corrupte Amerikaanse staat als vijand wordt voorgesteld, kan je niet anders dan sympathie voelen voor deze vrijbuiters.
Het begint allemaal bij kolonel Ludlow (Anthony Hopkins, die als John Ford-fan nochtans nu pas aan z’n eerste western toe is) die tijdens de secessieoorlog nog enig aanzien heeft verworven, waardoor de wetgever zijn excentriek gedrag lange tijd tolereert, maar die zo moet kokhalzen van de walgelijke slachtpartijen tegenover de indianen dat hij zich op een afgelegen boerderij in Montana vestigt met zijn spoorzoeker, het gewezen opperhoofd One Stab (Gordon Tootoosis), een opgespoorde outlaw Decker (Paul Desmond) en diens Indiaanse vrouw Pet (Tantoo Cardinal).
Ludlow heeft ook een vrouw Isabel (Christina Pickles), die hem drie zonen baart, maar ervandoor gaat eens ze op eigen benen kunnen staan. De natuur is te wild voor haar en bovendien is haar liefde voor Ludlow niet erg groot. Als een dochtertje geboren wordt uit het echtpaar Decker-Pet, krijgt dit de naam Isabel Two mee (Karina Lombard; als kind vertolkt door Sekwan Auger). Al heel vlug wordt Isabel Two verliefd op de wilde Tristan (Brad Pitt; als kind Keegan MacIntosh en Eric Johnson) die er met zijn lange haren als een halve indiaan uitziet. Zijn oudere broer Alfred (Aidan Quinn; als kind Randall Slavin) die veel gecultiveerder is, vervreemdt daardoor een beetje van hem, maar ze worden voorlopig nog samengehouden door hun liefde voor de benjamin Samuel (Henry Thomas, die we nog kennen als de kleine Elliot uit “E.T.”, maar die hier zelf als kind wordt vertolkt door Doug Hughes).
Als Samuel van zijn studietijd Susannah (Julia Ormond) meebrengt, dan ontsteken de passies echter in alle hevigheid, want ook de twee broers zijn verliefd op haar. Zolang Samuel in leven is, ondernemen ze eigenlijk niets (al merkt Alfred toevallig wel dat Susannah Tristan boven Samuel verkiest), maar in de Eerste Wereldoorlog, waarin de drie zonen, tegen de wil van hun vader in, als vrijwilligers dienst nemen, sneuvelt Samuel. Alfred lag op dat moment in het veldhospitaal, maar Tristan probeerde hem nog wanhopig te redden. De wreedheden van de oorlog hebben overigens weer de “wilde” in hem naar boven gebracht en na de dood van de jongste broer worden ook de twee anderen uit het leger ontslagen.
Het duurt niet lang vooraleer Alfred Susannah ten huwelijk vraagt, maar zij weigert en gaat liever in op de avances van Tristan, die nochtans puur animaal zijn. Als deze het niet langer ziet zitten en de wijde zeeën gaat bevaren, huwt Susannah uiteindelijk toch met Alfred, die overigens in de politiek gaat en zo door zijn vader van het erf wordt verbannen. Dit grijpt de oude Ludlow zo aan dat hij er een hartaanval aan over houdt. In de rest van de film deed Anthony Hopkins dan ook op zijn beurt een poging om als gehandicapte een oscar te versieren. Het mislukte.
Als Tristan na verloop van tijd weerkeert, laait de passie weer op. Nochtans is hij ondertussen gehuwd met Isabel Two. Samen hebben ze een zoontje, Samuel Decker, en een dochtertje Isabel Three. Het is ondertussen de periode van de drooglegging en Tristan verdient de kost met het leveren van illegale whisky. Daarmee rijdt hij tegen de kar van de “officiële” (even illegale maar door de wet getolereerde) leveranciers, de O’Banions (Robert Wisden en John Novak). Gesteund door de “arm van de wet” wordt Tristan het leven zuur gemaakt, waarbij per ongeluk Isabel Two het leven laat. Als Tristan deze “tweede kans” voor Susannah onbenut laat, pleegt deze zelfmoord.
Tristan, Decker en One Stab plannen een wraakactie, waarna Tristan door de sheriff (Kenneth Welsh) wordt opgezocht maar “niet om hem te arresteren”, zoals hij zelf zegt. Tristan doet alsof hij zich overgeeft, maar daardoor krijgt zijn vader de kans om de sheriff neer te schieten. Als John Wayne “High noon” al een “on-Amerikaanse” film vond omdat de sheriff zijn ster in het zand gooide, wat zou hij hiervan dan zeggen?
De deputy daarentegen blijft ongedeerd en zal ongetwijfeld Tristan en de kolonel neerknallen. Op dat moment weerklinkt echter een schot. Alfred kwam net op tijd. De vrede tussen vader en zoon wordt gesloten, maar toch blijft Alfred buiten schot. Hij weet immers dat Tristan als dader zal worden opgespoord. Deze vertrekt dan ook naar het hoge noorden, terwijl Alfred zorg draagt voor de kinderen van Tristan.
Zelf wordt deze net als Keith Richards en Roland Van Campenhout toch nog oud, al had men het niet verwacht. Hij wordt pas in 1963 gedood door een beer. Althans zo wil het de novelle van Jim Harrison, waarop deze film is gebaseerd. De muziek (die erg lijkt op die van “Dances with wolves”) is van James Horner (net zoals bij “Glory”) en John Toll (”Braveheart”) stond achter de camera.
HIGH NOON
Tot hiertoe hebben we het inderdaad nog niet gehad over “High noon” van Fred Zinneman, de western waarin de rechtschapen sheriff Gary Cooper het heel alleen tegen vier outlaws moet opnemen, omdat het ganse stadje hem laf in de steek laat. Deze film wordt altijd gezien als een parabel over het McCarthisme, maar dat is niet zo meteen duidelijk, zeker als men weet dat Cooper één van de supporters van de heksenjagende senator was.
Als hij echter op het einde zijn sheriff-ster vol misprijzen in het zand gooit, dan wilde scenarist Carl Foreman daarmee zijn ontgoocheling uitdrukken over de lakse houding van de gewone Amerikanen tegenover de heksenjachten. Er wordt van Gary Cooper altijd beweerd dat hij zowat het mannelijke equivalent was van “het domme blondje” en voor deze film zou dat dus wel kunnen kloppen, als hij de symboliek niet eens had begrepen (net als het pacifistische “Friendly persuasion” van scenarist Michael Wilson, die echter niet op de generiek voorkwam omdat hij op de zwarte lijst stond).
John Wayne had dat, zoals gezegd, alvast wél door, want volgens hem was dit “de meest on-Amerikaanse film” die hij ooit had gezien. Hij nam Howard Hawks onder de arm en samen draaiden ze “Rio Bravo” (1959), waar “goeden” en “slechten” duidelijk herkenbaar zijn en de “goeden” zich allemaal als helden gedragen.
John Wayne vertolkt een rechtschapen sheriff die het moet opnemen tegen een bende ‘bad guys’, die een bendelid willen bevrijden uit de plaatselijke gevangenis. Regisseur Howard Hawks, een meester in uiteenlopende genres, wordt ‑ samen met John Ford ‑ beschouwd als een van de tenoren van de western. De traditionele mix van schietpartijen, heldenmoed, humor en een vleugje romantiek maken “Rio Bravo” tot een klassieker in het genre, nog voor er sprake was van het rauwe geweld en het cynisme van de jaren zestig‑westerns. Na “Rio Bravo” maakte Hawks nog twee gelijkaardige films met Wayne in de hoofdrol: “El Dorado” (1967) en “Rio Lobo” (1970).
Als uitgesproken patriottist, verfilmde John Wayne zelf in 1960 een incident uit 1836. Toen weerstond Fort Alamo aan een belegering van Mexicaanse troepen, die in getalsterkte de belegerden fel overtroffen. Al beweren kwatongen dat John Ford hem een handje toestak vooral voor de massascènes, gaf hij zichzelf ook de hoofdrol, zijnde Davy Crocket. Alhoewel zijn fans het betreurden, deed hij de geschiedenis toch recht door Crocket onder messen van Mexicaanse overvallers te laten bezwijken. Het is typisch dat Wayne hierna nog slechts één andere film draaide: “The Green Berets” in 1967, waarin hij de Amerikaanse interventie in Vietnam trachtte goed te praten…

Ronny De Schepper

(*) André Flahaut, op dat moment Belgisch Minister van Defensie, sprak in 2004 van vijftien miljoen Noord-Amerikaanse slachtoffers en veertien miljoen Zuid-Amerikaanse. Hij deed dat in een speciaal nummer van het militaire informatieblad Direct dat aan genocide was gewijd. De Amerikanen waren alweer “not amused”…
(**) Voor wie het nog niet zou weten: de autochtone bewoners van de VS waren Aziaten die zowat 30.000 jaar geleden via Siberië en de Beringstraat daar belandden, vandaar trouwens hun typische jukbeenderen.
(***) Dat was echter zeker niet de eerste keer. James Cagney zet in “Oklahoma Kid” uit 1939 reeds alle onrecht eens netjes op een rijtje.
(****) “Brokeback Mountain” van Ang Lee voert in 2005 twee homofiele cowboys ten tonele (gespeeld door Jake Gyllenhaal en Heat Ledger), die elkaar op een bepaald moment zelfs kussen. Ondanks het feit dat de film met onderscheidingen werd overladen, werd hij in sommige staten van de VS uit de bioscoop gehaald.
(*****) Over rechters en dan zeker rechters die Bean heten gesproken: de ergste straf was natuurlijk de dood door verhanging. Daarbij is een bekend neveneffect dat gehangenen het letterlijk in hun broek doen. Dat Will Tura in “Twintig minuten geduld” dus “een bord met zwarte bonen” wordt voorgezet is dus geen goed idee. En de Hollanders wilden er dan per se nog bruine bonen van maken! (Denk ook aan de hilarische scène uit “Blazing saddles”.)


0 Reacties tot “Twee westerns met James Stewart in de hoofdrol”


  1. Geen Reacties

Reageer




Blog-teller

  • 66,356 keer aangeklikt

uit de oude doos