12
Mei
08

Summer of love

Na de hete lente van mei ‘68 is het nu de beurt aan de zomer van 1967 in een documentaire op Canvas om tien uur vanavond, de zogenaamde “summer of love”. Vorig jaar was dat dus precies veertig jaar geleden, maar toen moeten de programmatoren van Canvas nog buiten westen hebben gelegen. Nou goed, wat zegt het spreekwoord ook weer? “Beter laat dan…?” Nog later, precies!

Als het waar is dat men in moppen best de tijdsgeest van een bepaalde periode weervindt (en dat is waar), dan geeft de volgende grap van Peter Van Straten in zijn fameuze strip “Vader en zoon” heel goed de sfeer van de jaren zestig weer: het lange haar, de vrouwenemancipatie, de seksuele revolutie… het zit er allemaal in.
Ze gaat als volgt. De conservatieve vader staat uit het raam te staren en sakkert tegen z’n progressieve zoon: “Zie me dat daar nu staan, dat langharig werkschuw tuig in spijkerpak, net een meisje.” De zoon komt erbij staan en merkt droogjes op: “Het is een meisje, pa…” Waarop de vader in zichzelf: “Lekker stuk.”
Zoals gezegd, een zeer goede, typische jaren-zestig-grap. Alleen… deze grap dateert uit het begin van de jaren zeventig. Waarmee we alleen maar willen zeggen hoe kunstmatig indelingen op basis van ronde getallen soms kunnen zijn.
Dat neemt anderzijds ook niet weg dat de “jaren zestig” (maar dan niet specifiek lopend van 1 januari 1960 tot 31 december 1969, eerder zoiets van 1963 tot 1973) wel degelijk een heel bepaald cachet meekrijgen op zowat alle terreinen van de menselijke activiteit. Het studentenprotest en de vredesbetogingen op het politieke terrein. The Beatles en de hele pop-art, inclusief minirok en dergelijke op het breed-culturele gebied en de zogenaamde “golden sixties” op het economische vlak.
Ach, die Golden Sixties, een begrip dat hardnekkig standhoudt ook al was mijn vader indertijd wàt fier omdat hij zich een Simca 1000 kon aanschaffen, terwijl hij later evenveel van Ford Escort verwisselde als van onderbroek. Maar goed, een televisietoestel kwam in ieders bereik (al viel daar buiten de uit Amerika geïmporteerde “Hullaballo”-programma’s en “Vibrato” op de RTB niet veel te rapen voor de popliefhebbers) en vooral de popularisering van de transistorradio zorgde ervoor dat - tien jaar na Amerika - de jeugd in Vlaanderen eindelijk een eigen muzikaal universum kon opbouwen. Als ik na al die jaren dan ook terugblik op de sixties, lijkt het wel of het toen voortdurend zomer was en ik tegen de huisgevel in de zon naar Radio London lag te luisteren.
Zouden we dan meteen ook met Shakespeare kunnen stellen dat “the winter of our discontent” omgeturnd was door “the sun of York”? Uiteraard niet natuurlijk, want de grenzen mochten dan nog een beetje verlegd zijn grenzen blijven grenzen en voor opgroeiende pubers dienen die nog steeds om te worden doorbroken. Zo had ik in tegenstelling tot mijn onfortuinlijke collega J.M. wel degelijk reeds de gelegenheid om in de vroege jaren zestig muntjes te gaan stoppen in de juke-box van café Rio, maar dat belette niet dat met namen die brave Beatles (*) in een aanvangsfase taboe waren. Niet alleen was ik verplicht hun prentjes die in kauwgompakjes zaten stiekem te verzamelen, voor mijn eerste Beatle-single “I feel fine” was het mijn grootmoeder die mij in de grootste geheimhouding geld had moeten toestoppen. Wanneer ik ze ooit heb gedraaid, is me dan ook een raadsel.
“For your love” van The Yardbirds moet zowat de eerste popsingle geweest zijn die ik open en bloot thuis durfde laten beluisteren (zonder veel succes overigens) nadat ik mijn ouders had gesust met “Maria Elena” van Los Indios Tabajaras. Wat niet belette dat sporadisch zich nog muzikale incidenten zouden voordoen zoals die keer dat ik verplicht werd “From the bottom of my heart” van The Moody Blues sito presto te ruilen met een vriendje (ik kreeg “Wonderful land” van the Shadows in de plaats, wat ik me overigens nooit heb beklaagd), of toen ik “19th nervous breakdown” van The Rolling Stones had gekocht, de dag dat ik glansrijk was gezakt voor Grieks en Latijn. Ik geef nu toe dat dit tactisch misschien geen al te goede zet is geweest.
Twintig jaar later konden “oudere jongeren” onder ons elkaar weer ontmoeten op een tentoonstelling in Brussel die echter voorbijging aan het feit dat in die jaren ook het federalisatie-idee in Vlaanderen de kop opstak (Leuven Vlaams!), waardoor het een typisch unitair Belgisch tweetalig gebeuren is geworden. Met daarbij het leuke toeval dat de twee vlaggen de lading toch wel op een erg verschillende manier dekken. De Franstaligen spreken over “les années choc”, de Vlamingen slechts over “de stoute jaren”.
Wellicht hebben de Franstaligen meer voeling met Parijs, waar de twintigste verjaardag van de meirevolte de gedroomde aanleiding vormde voor deze tentoonstelling. En die was toch wel meer “choc” dan gewoon de “stoute”, studentikoze gebeurtenissen in Vlaanderen.
De keurige bankbediende haalde voor de gelegenheid weer een broek met olifantenpijpen en een hemd met opzichtige bloemen uit de kast, terwijl moeder koortsachtig naar dat minirokje zocht dat dochterlief vorig weekend weer had gejat om ermee naar een megadancing te trekken. Manlief kijkt afgunstig als ze de geblondeerde haren borstelt voor de spiegel. “Bestond er maar een wonderhaargroeimiddel,” zucht hij, denkend aan zijn weelderige haardos, onderwijl melancholisch over zijn uitpuilende buik wrijvend. Maar even later, als de gitaren ingeplugd worden en de zanger “test one-two-three” zegt in de microfoon, zijn alle droeve overpeinzingen vervlogen en zijn vader en moeder weer twintig en kijken elkaar verliefd in de ogen. Zoon en dochter schudden meewarig het hoofd als ze hen zien te keer gaan op “Born to be wild”.
Al deze oerwoudmuziek werd destijds slechts met mondjesmaat op de officiële zenders gegeven. De echte rockliefhebber uit de lage landen bij de zee stemde dan ook af op Radio Luxemburg, waar hij dingen kon horen als de Buddy Holly-imitator Tommy Roe die in 1961 zijn debuut maakte met “Sheila”. Ook The Everly Brothers, die in april 1960 hun eerste tournee door Engeland maakten, lieten zich begeleiden door The Crickets. De tweede tournee (oktober 1962) luidde echter meteen ook het begin van het einde in. Don diende naar een ziekenhuis te worden gebracht (officieel wegens een voedselvergiftiging, maar in werkelijkheid ging het om druggebruik) en Phil werkte de tournee in zijn eentje af. Terug thuis huwde hij op 12 januari 1963 met Jackie Alice Ertel en werd op die manier de voorbeeldige schoonzoon van Archie Bleyer, terwijl het met zijn broer steeds slechter ging. (U vraagt zich af: wie is in godsnaam Archie Bleyer? Wel, ik ook. Wat een onzin een mens in al die jaren toch meesleurt!)
Nina Simone breekt door met “I love you Porgy”. “War paint” van The Brook Brothers is een parodie op meisjes die zich te veel maquilleren. “Five hundred miles” door The U.S.Journey Men (met John Philips en Scott McKenzie) werd later gecovered door Richard Anthony als “J’entends siffler le train”. Een gelijkaardige groep werd gevormd door The Highway Men, met daarin o.m. de vader van acteur Tim Robbins. Barry McGuire stapte uit de New Christy Minstrels en nam o.a. “California dreamin’” op. Het kwam wel op een elpee terecht, maar voor de single veegde de producer de stem van McGuire weg en haalde de backing vocals naar de voorgrond. Op die manier ontstonden dus The Mama’s and the Papa’s met o.a. hoger genoemde John Philips.
“Cast your fate to the wind” (Guaraldi/Werbi) door Sounds Orchestral met op de piano Johnny Pearson en “Nut rocker” van B.Bumble & the Stingers ofte Tsjaik­ovski’s Notenkraker in een arrangement van Kim Fowley hadden duidelijk hun inspiratie gezocht in de klassiek muziek.
Gene Pitney scoort in 1963 hits met “Mecca”, “Nessuno mi puo giudicare” en “She’s a heartbreacer”. Verder was er o.m. “Foot tapper” en “Dance on” van The Shadows, net als “Atlantis”. Het waren echter de laatste stuiptrekkingen van de kortstondige instrumentale rage. Ondanks het feit dat George Harrison himself in “Cry for a shadow” een ode brengt aan The Shadows, worden The Beatles bij Decca afgewezen “omdat gitaargroepen uit de mode zijn” (de “asshole” die dat deed, de Belg Marcel Stelman, maakte zijn fout nadien ruimschoots goed door The Rolling Stones binnen te halen).
Nu, “gitaargroepen” als dusdanig (dus zonder zang) waren even later inderdààd uit de mode en dan juist door The Beatles, die de zogenaamde Merseybeat lanceerden. Die zogenaamde Merseysound is niet met The Beatles uit de lucht komen vallen. Dat bewijst het succes van “How do you do it” dat eerst aan The Beatles werd aangeboden, maar toen die het afwezen toch een nummer één werd in de versie van Gerry and the Pacemakers. The Beatles deden dit vooral omdat ze eigen nummers wilden brengen, maar ook Gerry Marsden componeerde zelf niet onaardig, zoals “Ferry cross the Mersey” en “Don’t let the sun catch you crying” bewijzen. “How do you do it” was echter een nummer van Mitch Murray.
Het merkwaardige daarvan is dat al deze zangers (op uitzondering van komisch bedoelde platen van Herman’s Hermits of the Kinks) Amerikaans zingen en geen Engels. Of beter gezegd: oorspronkelijk zong bijna iedereen in het dialect van Liverpool, dat dicht aanleunt bij wat wij ons als Algemeen (redelijk) Beschaafd Amerikaans voorstellen. Door de enorme populariteit van de Merseybeat in het algemeen en The Beatles in het bijzonder werd dat sindsdien gemeengoed (en misschien was dàt één van de redenen waarom de Engelse pop gedurende een paar jaar in de V.S. zelf de eigen Amerikaanse muziek op de achtergrond kon dringen), maar dat wil daarom niet zeggen dat dit de eerste maal was. Integendeel, zelfs Keith Waterhouse stipt dit verschijnsel aan in zijn roman “Billy Liar” en die dateert reeds uit 1959!
Dat was ook het geval bij Bernard Cribbins en Anthony Newley, twee acteurs die in het popwereldje de geest van de “Nouvelle Vague” wilden overbrengen. Cribbins deed dit o.a. met “Hole in the Road” en “Right, Said Fred”. Dit laatste zou trouwens de naam van een popgroep in de jaren negentig worden, die o.a. “I’m too sexy for my shirt” zong in wat men “modern cockney” is gaan noemen. Newley was overigens de eerste om dit “veramerikaanst Engels” te gebruiken.
Gene Pitney scoort midden de jaren zestig met “Just one smile” en “Nobody needs your love (more than I do)” die beide voor hem werden geschreven door Randy Newman, terwijl Dave Berry doorbreekt met “This strange effect”, een nummer van Ray Davies van The Kinks, dat echter niét speciaal voor hem was geschreven. Het was Dave’s manager die vond dat het best wel een leuke B-kant zou zijn voor “Now”, maar de geschiedenis besliste er anders over…
Alhoewel The Hollies met hun naam duidelijk naar Buddy Holly verwijzen, is volgens Graham Nash de voornaamste invloed toch afkomstig van The Everly Brothers. Reeds in de kleuterklas (ze waren amper vijf jaar) ontmoette hij immers Alan Clarke en samen hebben ze heel hun jeugd ernaar gestreefd die close harmony-sound van The Everly’s te evenaren.
1966 was een succesjaar voor Tom Jones, Englebert Humperdinck, The Monkees en The Beegees. Men kan nu gerust deze vier in één adem noemen, terwijl de eerste twee eigenlijk crooners zijn (al is Tom Jones oorspronkelijk begonnen als een - gewaardeerd - rockartiest, denk maar aan “It’s not unusual”).
Het moge duidelijk zijn: de business heeft ondertussen stilaan greep gekregen op de nieuwe revolutionaire bewegingen. Groepen als Herman’s Hermits en Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick and Tich brachten beatmuziek die ook door de oudere generatie kon worden beluisterd en op de scène bewezen zij dat de nieuwe jeugd weliswaar wat extravagant maar toch ook proper gekleed en gekapt was.
In 1966 verschenen in de Britse vakpers voor tieners dan ook de eerste pro- en contra-artikels over deze groepen. Dit was het eerste teken aan de wand dat de generatiekloof grosso modo overbrugd was. Rock was aanvaard door de ouderen en was er blij mee. Al dient gezegd dat het meestal de A & R (artist and repertory)-mannetjes van de platenfirma waren, die er blij mee waren, aangezien dit een aanzienlijke uitbreiding van de markt betekende!
Dat belet echter niet dat in die tijd ook de beste popmuziek wel degelijk in de hitparade stond. Op dat gebied was de smaak van de “massa” dan toch nog niet zo bedorven als nu. Dat kwam natuur­lijk op de eerste plaats door The Beatles. Zij bepaalden het muzikale aanzien van 1967. Van “Sgt.Pepper’s” zelf werden geen singles uitgebracht (wel door andere artiesten, o.a. een prachtige versie van “With a little help from my friends” door Joe Cocker). De verschuiving van singlepop naar elpeepop werd dus ook alweer door The Beatles ingezet.
Met groepen als DDD-BMT en de Hermits ontstond echter de zogenaamde Middle of the Road-muziek. De muziek van de “gulden middenweg”, waaraan niemand aanstoot nam. En zie, in het begin van de jaren zeventig is er zelfs een groep die het cynisme zo ver drijft dat ze zich Middle of the Road noemen!
Alleszins betekende dit het einde van de “cleane rockmuziek”, want daar was nu geen markt meer voor: de college kids die hun tijd meer doorbrachten voor hun studeertafel dan voor een concertpodium lieten de aankoop van platen gewoon over aan mama en papa, zoniet aan kleine zus. De anderen lieten hun haar groeien (en nu écht) en gingen in de marginaliteit. Iron Butterfly, Cream, Pink Floyd, Buffalo Springfield (met Stephen Stills en Neil Young), Soft Machine, Velvet Underground (met Lou Reed, John Cale en Nico), the Mothers of Invention, Big Brother and the Holding Company, The Nice, Genesis, King Crimson, Wishbone Ash, Jefferson Airplane en dé cultgroep van de hippies Grateful Dead met frontman Jerry Garcia worden de namen die in dit circuit opgeld maken. Typisch is dat al deze groepen de voorkeur gaven aan elpees boven singles.
Men begon in dat verband te spreken van “progressieve” pop. Door zich meer op elpees toe te leggen, vielen een aantal beperkingen die een single aan de muziek oplegt weg. Dat betekende b.v. dat vele nummers zich niet langer tot de traditionele drie minuten dienden te beper­ken (b.v. “In-a-gadda-da-vida” van Iron Butterfly, dat eigenlijk “In the garden of Eden” zou moeten betekenen, maar Doug Ingle was zo stoned toen de platenfirma hem vroeg wat de titel was, dat hij het niet behoorlijk uit zijn bek kreeg).
Dat bracht met zich ook veel maatwisselingen mee, zodat je niet langer van dansmuziek kunt spreken, wat pop in de oorsprong toch was (of het nu “rappe” of “trage” nummers waren).
Uit de jazz is anderzijds de eigen melodielijn voor de bas afkomstig (Jack Bruce van Cream heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld), terwijl er ook invloeden zijn van free-jazz (Soft Machine), heavy blues (Jimi Hendrix, Janis Joplin) en elektronische muziek (Pink Floyd).
Elpees waren dan ook niet langer een verzameling van zes singles, A- en B-kant, maar vormen een concept. “Sgt.Pepper’s lonely heartsclub band” wordt algemeen beschouwd als de eerste conceptelpee, tenzij men “Pet sounds” van The Beach Boys als dusdanig zou benoemen (**).
“Sgt.Pepper” is alleszins de eerste popplaat om verworvenheden uit de hedendaagse “ernstige” muziek, zoals het aanwenden van “concrete muziek” (de verwerking van alledaagse geluiden), evenals “wereldmuziek” (met name dan uit India). Op de voet gevolgd door “A saucerful of secrets” van Pink Floyd (1968) met door experimentele muziek geïnspireerde composities, met nieuwe elektronische instrumenten (de moog synthesizer) en men gebruikte drugs om tot - wat men dacht - betere creaties te komen (de zogenaamde “psychedelische” muziek).
SYMFONISCHE ROCK
Ook pop ontsnapt dus niet aan de evolutie van “corporeal” naar “abstract” (voor een verklaring van deze begrippen: zie de inleiding van “Van kerk tot kerker”, mijn geschiedenis van de klassieke muziek). Met andere woorden pop kreeg ook een “cultureler” tintje. Ze werd Kunst. Het werd meer abstracte dan lijfelijke muziek.
Op het einde van de jaren zestig is pop zelfs reeds zo respectabel geworden dat allerlei groepen met symfonieorkesten gaan samenspelen (The Moody Blues, Procol Harum, The Nice…) of zelfs een heuse symfonie (Deep Purple, overigens bijna volledig overgeschreven van Dvorak) gaan componeren.
Deep Purple is eigenlijk ontstaan op de ruïnes van… The Searchers. ’t Is te zeggen, toen drummer Chris Curtis (1941-2005) in 1967 de groep verliet, stichtte hij samen met zijn broer Dave Roundabout en het is hieruit dat Deep Purple zou ontstaan. Maar op dat moment waren de Curtis broertjes zelf reeds opgestapt…
In 1969 verscheen “In the court of the crimson king” van King Crimson, de groep van gitarist Robert Frippen, maar een voorbeeld van dergelijke pompeuze rock komt uit… Griekenland, waar Aphrodite’s Child successen scoorde met bewerkingen van klassieke nummers als “Rain and tears” (naar het canon van Pachelbel) of “I want to live” (naar “Plaisir d’amour” van een achttiende eeuwse Italiaanse componist, het nummer had overigens ook al model had gestaan voor “Can’t help falling in love” van Elvis Presley). Oorspronkelijk was het de volumineuze zanger Demis Roussos die de meeste aandacht op zich trok, maar nadat deze een solocarrière met smartlappen was begonnen (zodat hij na verloop van tijd enkel nog in het nieuws kwam door zijn vermageringskuren of door het feit dat hij eens het slachtoffer van een gijzeling was), werd duidelijk dat het de arrangeur-toetsenist Vangelis Pappathanassiou was, die eigenlijk het brein was achter hits als “Winter, spring, summer and fall” en “It’s five o’clock”. Toen hij werd aangezocht om de filmmuziek te schrijven voor “Chariots of fire” nam zijn loopbaan een nieuwe wending.
Er werd zelfs een heuse “teenage opera” geschreven door Mark Wirtz, maar buiten het “excerpt” over kruidenier Jack werd het niks. De opvolger over machinist Sam, eveneens gezongen door Keith West (***) ging totaal in rook op. De allereerste rockopera wordt echter toegeschreven aan Phil May (tekst) en John Povey (muziek) van de Pretty Things (!) met “S.F.Sorrow”, kort daarop gevolgd door “Arthur” van The Kinks en daarna natuurlijk “Tommy” van The Who, wat voor het grote publiek dan weer de “eerste” rockopera is. Dat is misschien niet te verwonderen, want zanger Roger Daltrey was het neefje van de “ernstige” componist William Walton. Gevraagd wat hij van hun muziek vond, antwoordde de “eminentie”: “Een stuk beter dan de meeste van mijn collega’s!” Pete Townshend wilde het succes van “Tommy” opvolgen met “Lifehouse”, maar de lauwe reactie op een testuitvoering deed hem in een depressie belanden en de nieuwe rockopera in de lade. De beste nummers eruit verschenen wel op “Who’s next”, de beste elpee van The Who. Zo vinden we hier o.a. “We won’t get fooled again” met een zeer negatieve visie op de studentenopstanden en “Baba O’Riley”, een tribute aan de minimalistische componist Terry Riley. Pas op 5 december 1999 werd “Lifehouse” uitgevoerd zoals hij eigenlijk was bedoeld, dus mét de liedjes uit “Who’s next”, maar ook met nog nooit gehoorde nummers.
The Who sloot ook de jaren 70 af met het “Quadrophenia”-project (1979), refererend aan de quadrafonie die in 1970 was uitgevonden, maar zonder succes. Het is duur en een mens heeft nu eenmaal slechts twee oren. Veel meer succes hadden de experimenten met digitaal opnemen, die uiteindelijk zouden uitmonden in de CD.
FLOWER POWER
“Als je je de jaren zestig herinnert ben je er niet echt bij geweest” is het gevleugelde woord van Paul Kantner van Jefferson Airplane en voor de échte hippies met hun zware druggebruik was dit zeker het geval. Daarom was het zo gek dat het concert in Moskou t.g.v. twintig jaar Woodstock in het teken stond van de strijd tegen alcoholisme en drugverslaving!
Laten we echter wel wezen, 1967 in Vlaanderen was 1967 in San Francisco niet. Vlaamse hippies waren er wel, maar die kon je enkel terugvinden in “De Muze” in Antwerpen of op “Jazz Bilzen” (de voorloper van Torhout-Werchter), de meerderheid van de Vlaamse jeugd bleef braaf in de pas lopen.
Op tekstueel gebied is het wel al flower power wat de klok slaat (Scott McKenzie, Eric Burdon, The Flower Pot Men) en mistige teksten doen het erg goed, omdat die bij de “psychedelische” muziek passen en het product lijken van een ferme joint. Zo is het dat de begeleiders van Sandie Shaw, The Paramounts, als Procol Harum wereldfaam veroveren met “A whiter shade of pale”, een vrijwel onbegrijpelijke tekst van Keith Reid (die later ook de teksten van Michel Polnareff in het Engels zou vertalen bij diens onfortuinlijke poging om ook de Angelsaksische wereld te veroveren).
Buiten een strijd voor seksuele (Hair) of maatschappelijke (Easy rider) vrijheid (wat meestal een legalisering van drugs inhoudt, b.v. in de teksten van de groep Steppenwolf, geleid door de uit de Oost-Duitsland gevluchte John Kay) is het toch maar een softe bedoening. Dat thema komt ook aan bod in de rock-musical “Hair”, maar eigenlijk is dit toch maar een aaneenschakeling van enkele (weliswaar knappe) liedjes.
Alleen het verzet tegen de oorlog in Vietnam is om begrijpelijke redenen (de jongeren kwamen zelf in aanmerking om er naartoe te worden gezonden) heviger. Op de democratische conventie in deze stad gaven de congresleden de voorkeur aan de rechtse Hubert Humphrey, die als vice-president van Lyndon B.Johnson het Vietnambeleid ondersteunde, boven de wat alternatieve Eugene McCarthy, die nochtans de meeste voorverkiezingen had gewonnen. De anti-Vietnambetogers werden onder het oog van de televisiecamera’s zwaar aangepakt door de politie, wat uiteindelijk (ook mede door nummers als “Chicago” van Crosby, Stills, Nash & Young) een omgekeerd effect zou resulteren. Maar toch won een zekere Richard Nixon nog de presidentsverkiezingen die erop volgden, omdat de democraten hopeloos verdeeld waren. Op het fameuze festival van Woodstock in 1969 werd “I-feel-like-I’m-fixing-to-die-rag” van Country Joe McDonald dan ook uit volle borst meegebruld (muzikaal gebaseerd op de jazzklassieker “Muskrat ramble”). Wanneer echter de Amerikaanse studentenleiders Jerry Rubin en Abbie Hoffman een poging doen om de verzamelde massa tot opstand aan te zetten, werden ze o.m. door Pete Townsend van The Who van het podium geslagen! (****)
De gekende “act” van Pete Townsend om zijn gitaar aan diggelen te slaan is overigens eigenlijk gegroeid uit een banaal incident. Bij een optreden in een zaaltje met een laag plafond, sprong Pete op een bepaald moment omhoog, terwijl hij zijn gitaar rechtop hield. De arm stootte tegen het plafond en brak af. Het publiek was wild enthousiast. Bij de volgende optredens ging Townsend dan ook opzettelijk zijn gitaar vernielen. Soms deed Keith Moon er nog zijn slagwerkinstallatie bovenop.
Jimi Hendrix zou de destructieve act van Townsend later “perfectioneren” door zijn gitaar in brand te steken, terwijl Eric Burdon er juist een gloeiende afkeer van had: “Je slaat toch het instrument niet in gruizelementen dat je heeft geholpen om muziek te maken?”
En toch is dit allemaal “peanuts” tegenover de stunt die de klassieke violist Jacques Thibaud ooit uithaalde. Om de hysterie rond de Stradivarius-violen aan te klagen, liet hij ooit een concert aankondigen waarbij hij vooral de nadruk op het instrument, veel meer dan op de uitvoerder wou leggen. Er kwam veel publiek op af en dat reageerde óók zeer enthousiast. Waarop Thibaud de “wonderviool” voor hun ogen op het podium kapot begon te slaan. Het was immers slechts een doodgewone viool van het vijfde knoopsgat die hij op de rommelmarkt had gekocht… (*****)
Begin 2003 kwam Townsend overigens in opspraak omdat hij kinderporno op het internet had bekeken. Achteraf bleek dat hij de politie hiervan op voorhand had verwittigd omdat hij opzoekingen aan het doen was voor zijn autobiografie. Hij meent namelijk dat ook hij als kind het slachtoffer is geweest van pedofilie.
BUBBLEGUM
In Amerika gaf het hele gedoe met psychedelische muziek de kans aan de zogenaamde bubblegum music om tussen 1967 en 1969 de hitlijsten te veroveren. De naam zegt het al: puur consumptieve wegwerpmuziek. Een eenvoudig refreintje, een banale tekst, na één keer beluisteren kan je het al meezingen, maar als je het tien keer hebt gehoord ben je het beu. Op dat moment staat er echter alweer een ander klaar. Kortom een rage van super-eenvoudige commerciële Amerikaanse studiomuziek als reactie tegen de opkomende hard-rock, waarvoor je je het beste de dubbelelpee “Fill your head with rock” (CBS) of de driedubbele “Woodstock”-elpee (Cotillion) kunt aanschaffen.
De zogenaamde bubbelgumgroepen (1910 Fruitgum Company, Ohio Express, Lemon Pipers e.a.) zaten bijna allemaal op een zelfde label (Buddah) en de verdeler hier in België (Vogue) heeft daarvan dan ook een bijna complete “Greatest hits” (Vogue VG 201 509069) samengesteld. Staan er immers geen nummertjes op als “Simon says” (1910 Fruitgum Company), “Green tambourine” (Lemon Pipers) en “Chewy chewy” (Ohio Express)? Andere “onmisbare” voorbeelden van dit genre vind je verder op vol.2 van de Arcade-reeks, namelijk “Sugar Sugar” (Archies) en “In the year 2525″ (Zager and Evans).
Nostalgie is er inderdaad niet vreemd aan, als we met enig consumentenadvies voor de dag komen. Zo zijn er de tweemaal zeven elpees die Arcade heeft op de markt gebracht onder de titel “Remember the 60’s” en “Remember the 70’s”. Het spreekt vanzelf dat we voor onze basisdiscotheek van de jaren zestig van deze zeven delen vertrekken. Daarmee heb je inderdaad zowat alle hits al meteen op een rijtje. Kriskras door elkaar, dat wel, want buiten het zevende deel dat volledig aan de zogenaamde “nederbiet” is gewijd, werd er geen thema bepaald per dubbele langspeler.
En nochtans, als je goed nagaat, dan had het toch gekund. Zo vertoont vol. 2 veel overeenkomst met die andere dubbelaar “Hit Singles Album of the Sixties”, waarop het legendarische Immediate-label een aantal van zijn sterren heeft samengebracht (Small Faces, Nice, Humble Pie, Twice As Much, Amen Corner, Crispian St. Peters, McCoys, P.P. Arnold, Chris Farlowe, Rod Stewart en Fleetwood Mac). Alhoewel deze groepen niet allemaal onder één hoedje te vangen zijn, zorgde de firma wel voor een bepaalde stempel, zij het minder uitdrukkelijk dan b.v. Tamla-Motown, dat werkelijk een bepaalde sound oplegde aan zijn artiesten. Van Motown werd overigens enkel “Dancin’ in the streets” van Martha and the Vandellas opgenomen, zodat wie een compleet overzicht van de muziek uit de jaren zestig wil hebben, aangewezen is op het eerste deel van het “Twentieth Anniversary Album” van deze firma (uit 1980), waarbij je dan al meteen ook een selectie voor je collectie van de jaren zeventig cadeau krijgt, want de verzamelaar bestrijkt de periode 1969-1979.
Soul is trouwens over het algemeen zeer zwak vertegenwoordigd in de Arcade-verzameling (op vol.5 vind je nog Ike and Tina Turner, Otis Redding, Bob & Earl en Sam & Dave) zodat op z’n minst één elpee uit de “That’s soul”-reeks van de Zuiderse tegenvoeter van Motown, namelijk Stax, zeker aangewezen is.
GEEN BEATLES EN GEEN STONES
Voor de beperkte budgetten kunnen wij evenwel nog eens de EMI-elpee “Herinnert u zich nog deze? 21 hits uit de jaren ‘60″ in herinnering brengen. Daar gaat men immers wel degelijk van 1960 tot 1969. Dat betekent dat men hier o.m. Cliff Richard and the Shadows op vindt, naast Helen Shapiro, Ricky Valence en Frank Ifield. Bovendien staan er ook twee reuzegrote Beatle-hits op (”She loves you” en “Help”), wat in de Arcade-reeks niet het geval is. Om copyright-redenen moet men het daar immers stellen met “Ain’t she sweet”, een Polydor-opname uit de Hamburgse periode. En natuurlijk zijn er de Marmalade-covers van “Michelle” en “Ob-la-di, ob-la-da”, die in zo’n geval “must do the trick”. (Drummer Alan Whitehead van The Marmalade is overigens diegene die op het einde van de jaren ‘90 zogenaamde “lapdancing clubs” introduceerde in Engeland, maar dat volkomen terzijde.)
Die vroege Beatles vind je op vol.3, naast de enige Stones-opname die in de reeks werd binnengesluisd, misschien wel dé hit van de jaren zestig: “Satisfaction”. Het spreekt vanzelf dat één hit, hoe groot dan ook, van de Stones niet volstaat om een “echte” discotheek van de jaren zestig samen te stellen. Als de weerlicht dus proberen de dubbele “Rolled Gold” (Decca) te pakken te krijgen!
Een groep tenslotte die ook totaal ontbreekt en die nochtans zijn stempel heeft gedrukt op die late jaren zestig is de Creedence Clearwater Revival.

Ronny De Schepper
(met dank aan Gregory Ball)

(*) “Als je wil weten waarover de jaren zestig gingen, dan moet je de muziek van The Beatles beluisteren.” (Aaron Copland)
(**) In het begin van de jaren zestig, in 1961 om precies te zijn, is er zelfs reeds sprake van wat men nu een conceptelpee zou kunnen noemen. Onder de titel “Wild is love” vertelt/zingt niemand minder dan Nat King Cole hoe je in verschillende stappen een vrouw moet versieren… Het klonk allemaal nogal macho en naar de huidige normen redelijk seksistisch, zo van ‘hoe doe ik een vrouw binnen in zes lessen’. Wel grappig eigenlijk. (Geert Stadeus)
(***) Ik weet dat ik misschien van een mug een olifant maak, maar ik heb het altijd merkwaardig gevonden dat David Bowie op zijn elpee “The rise and fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars” – toch ook een soort van rockopera – heel opvallend poseert onder een lichtreclame met als opschrift “K.West”.
(****) Jerry Rubin stierf op 28 november 1994 op 56-jarige leeftijd nadat hij een paar weken daarvoor ernstig gewond raakte bij een aanrijding door een auto. Rubin was de stichter van de Yippies (politiek geëngageerde hippies), maar in de jaren tachtig was hij zich meer als een Yuppie beginnen te gedragen. Zoals bepaalde andere gewezen Trotzkisten in ons eigen landje was hij immers een kleine beursgoeroe geworden.
(*****) Fred Brouwers, De Koninginnewedstrijd, p.26.

(Zeer) selectieve bibliografie
George Melly, Revolt into Style: the Pop Arts in Britain, Harmondsworth, Penguin, 1972.


0 Reacties tot “Summer of love”


  1. Geen Reacties

Reageer




Blog-teller

  • 66,357 keer aangeklikt

uit de oude doos