11
Mei
08

Elisabethwedstrijd voor zang

Degenen die het bij het VRT te zeggen hebben, zijn toch wel een stelletje klootzakken. Geef nu toe: dat is nu al een paar jaar dat er steen en been wordt geklaagd dat Canvas niet langer de finale van de Elisabethwedstrijd uitzendt en vanaf dit jaar wordt hieraan tegemoet gekomen. Vanaf morgenavond worden de halve finales van de zangwedstrijd integraal uitgezonden… op Canvas+ !!! Dat betekent dus: enkel voor digitale kijkers. De VRT-bonzen redeneren natuurlijk dat de liefhebbers van klassieke muziek geld genoeg hebben om zich zo’n digitaal toestel aan te schaffen. En voor het grootste gedeelte hebben ze nog gelijk ook: het zullen niet de Eddy’s, de Nancy’s en de Femkes van deze wereld zijn die ernaar kijken, maar ikzelf mag dan geen Eddy zijn, ik bezit anderzijds ook niet het vermogen van een Marianne. (Geïnteresseerden in klassieke muziek zullen wel zeggen: wat is me dat hier allemaal, maar ja, zowel naar de Elisabethwedstrijd kijken als naar “Thuis” dat moet kunnen, hé! Dat is postmodern, haha!)

In 1937 werd de eerste Ysaye-wedstrijd voor viool georganiseerd. Het werd vooral een Russisch succes. De vier Belgische deelnemers daarentegen maakten geen indruk. Idem dito als een jaar later er ook een wedstrijd voor piano wordt georganiseerd. Ondanks de achtste plaats van André Dumortier besluit men dat het zo niet langer kan en wordt de muziekkapel Koningin Elisabeth opgericht met het doel de Belgische muzikale elite beter op te leiden. Door de oorlogsomstandigheden komt er echter geen wedstrijd meer tot in 1951, wanneer dan meteen ook beslist wordt de wedstrijd om te dopen tot Koningin Elisabethwedstrijd en waarbij de twaalf finalisten verplicht worden zich in de Kapel terug te trekken om zich voor te bereiden.
Aangezien de parallel met grote sportmanifestaties duidelijk aanwezig is, wordt hier ook een vierjaarlijkse cyclus opgezet met oorspronkelijk na de viool- en pianowedstrijd ook een compositiewedstrijd en het vierde jaar géén wedstrijd. Het NIR/INR-orkest begeleidde de kandidaten tot de splitsing. Dan nam het Nationaal Orkest over.
In 1964 behaalde Jean-Claude Vanden Eynde het beste resultaat voor de Belgen: hij werd derde. Het leek wel alsof Koningin Elisabeth was gerustgesteld, want in november van het jaar daarop stierf ze.
Van in de jaren zeventig is er de opkomst van de “oosterlingen”. Men kan zich vragen stellen over in hoeverre deze in staat zijn deze zo typisch westerse muziek goed te “interpreteren”, maar dat ze technisch “outstanding” zijn, dat staat vast. Barokviolist Ryo Terakado heeft daar een merkwaardige verklaring voor: Japanners en Chinezen zouden hun vingers zo behendig over de vioolsnaren kunnen bewegen omdat… ze gewoon zijn met de vingers te eten!
Het jureren gebeurt anoniem met uitschakeling van de hoogste en de laagste notering. Toch sluit dit subjectiviteit niet uit. Dat de kandidaten ongezien spelen, zoals in het orgelconcours van Magdeburg, is natuurlijk niet mogelijk, maar juryleden zouden toch verantwoording moeten afleggen voor hun punten.
De Elisabethwedstrijd wordt niet officieel gesubsidieerd, maar via de Nationale Loterij eigenlijk toch weer wel. Verder worden de prijzen ook door de diverse instanties toegekend, met het half miljoen van koningin Fabiola op kop en met daarin dus ook prijzen van de nationale (2de met 400.000fr) en de regionale regeringen (5de met 250.000fr). De derde prijs wordt door de Europese Gemeenschap toegekend (350.000fr) en de vierde door graaf de Launoit (300.000fr). De organisatie van de wedstrijd neemt ook de kost van de dirigent op zich (een half miljoen) en van supplementaire muzikanten. In 1993 gingen voor het eerst ook de inkomsten van alle nevenrechten (de uitzendrechten b.v.) integraal naar de orkestleden, nadat die daarvoor bij een vorige gelegenheid actie hadden gevoerd.
De zwaarste kost van de Elisabethwedstrijd is echter die voor de jury. Nochtans krijgen de zeventien leden slechts hun verplaatsings- en verblijfskosten betaald en daar bovenop de som van 8.000fr per dag, wat uiteraard veel minder is dan wat ze met een concert kunnen verdienen.
De tweede post is de lokatie, ook al worden het conservatorium en de “kapel” gratis ter beschikking gesteld. Voor het Paleis voor Schone Kunsten daarentegen dient te worden betaald, precies omwille van de financiële moeilijkheden waar het zelf reeds inzit.
De kapel, waar voor de rest van het jaar door achttien leraars aan negen leerlingen (!) hoger muziekonderricht wordt gegeven, is eigendom van de familie de Launoit. Het onderwijs wordt er, conform de eis van koningin Elisabeth, volstrekt gratis gegeven, zelfs het verblijf en het voedsel. Rudolf Werthen logeerde er van 1965 (hij is dan 17) tot 1968 en vertelt dat men zelfs een limousine met chauffeur ter beschikking had om naar concerten te gaan. Daartegenover stond dan wel een kadaverdiscipline. Toch waaide ook daar (een klein beetje) de wind van mei ‘68 en is de hele groep eens een serenade gaan geven voor een aangrenzend meisjespensionaat, waarna ze door de militaire politie werden opgepakt en teruggebracht.
Alhoewel men nog steeds volstrekt “objectief” te werk wil gaan (enkel de grootste talenten komen in aanmerking, van eender welke rang of stand, van welke nationaliteit ook), wordt er reeds van deze stelregel afgeweken door een “vrijwillige” bijdrage te vragen “naar draagkracht en vermogen” van de geselecteerden. Toch kan men zich voorstellen dat daar bovenop nog de nodige sponsors dienen te worden gevonden. De staat zorgde destijds voor zes miljoen Belgische frank, zijnde de helft van het budget, de beide regio’s staan elk voor zowat 5% in (dat kan schommelen, want zij betalen enkel voor studenten uit hun regio, in 1993 waren dat b.v. één Vlaming en twee Franstaligen, naast vijf buitenlanders), zodat 40% dient te worden gezocht in de privé. Dat gebeurt via een vzw die voor een symbolische frank per jaar de kapel huurt van Graaf Jean-Pierre de Launoit. De voorzitter van de Elisabethwedstrijd in opvolging van zijn vader Paul, die een “vriend” was van koningin Elisabeth, is “voor de kost” directeur van CLT (Compagnie Luxembourgeoise de Télédiffusion). Een dochteronderneming hiervan is RTL, waar hij dan ook in de raad van beheer zit, net zoals in die van Petrofina, Wagons-Lits, Gaumont en Brussel-Lambert. Van Royale Belge is hij ook voorzitter.
Een derde kost is de studieweek in het kasteel van Terhulpen (tussen de halve finales en de finale), die zich vooral tot de verliezers richt, die daar tegen een zeer lage vergoeding bij de juryleden om tekst en uitleg kunnen gaan. Wegens de lage prijs is dit ook een verliespost. En tenslotte dienen de “pleegouders” te worden vermeld, zonder wie de wedstrijd eigenlijk niet mogelijk is. Zij houden er (terecht) wel vrijkaarten aan over, wat naast de overweldigende belangstelling van de pers de vraag doet rijzen of er eigenlijk wel betalende toeschouwers in de zaal zijn!
Over dat toch wel speciale publiek gesproken: in de wandelgangen werd er druk gepronostikeerd en over prestaties gesproken op een manier die me behoorlijk op de heupen werkte. Ik was wellicht de enige muziekrecensent die tevens sportjournalist was, maar ik had de indruk dat dit laatste mij soms meer van pas kwam dan mijn concertervaring. Als ik b.v. merk dat er meer belangstelling is voor het bekendmaken van de finalisten, dan voor het liedrecital dat eraan voorafging, dan zie ik wel brood in het organiseren van avonden waarop voor de pauze de resultaten van de Ronde van Frankrijk en nadien de nationale voetbaluitslagen worden voorgelezen!
Sedert het einde van de jaren tachtig wordt onder druk van Gerard Mortier en José Van Dam ook een Elisabethwedstrijd voor zang georganiseerd. Hier worden de zangers begeleid door het Muntorkest (en later ook door een barokorkest). De eerste winnares was de Poolse Aga Winska, waarvan men nu nog amper iets hoort. Boze tongen fluisteren dat Mortier haar zo’n zwaar programma heeft opgelegd dat ze er onderdoor is gegaan.
De tweede editie gaf dan ook reeds aanleiding om even na te denken over de formule. Want de gustibus mag dan nog non disputandum zijn, over één ding waren alle critici het eens: het peil lag zo laag dat men met moeite twaalf finalisten kon aanduiden. De halve finale had men dus helemààl kunnen overslaan. Over de winnaar kan echter geen twijfel bestaan: de 26-jarige Franse bariton Thierry Felix stak met kop en schouders boven zijn concurrenten uit. Maar om dit te weten, hadden we eigenlijk geen wedstrijd nodig. Nog voor de uitslag bekend werd, had ook Felix trouwens al gezegd dat hij er nooit meer zou aan beginnen.
Bij de 83 inschrijvingen waren er 18 Belgen. Daarvan bleven er nog 12 over als de wedstrijd echt van start ging en vijf bereikten de halve finales. Daarbij vielen, naast Catherine Vandevelde en Piet Vansichen, vooral Amaryllis Grégoire en Isabelle Kabatù op.
Zoals per definitie élke wedstrijd zou ook deze zich naar de jongeren moeten richten. Maar wat zien we? De meeste deelnemers zitten tegen de leeftijdsgrens aan en zijn reeds ouder dan dertig. Ook al omdat de repertoire-eisen die worden gesteld eigenlijk te hoog liggen. Men wil uitdrukkelijk, net als in de wedstrijden voor piano of viool, de reputatie waarmaken de moeilijkste wedstrijd ter wereld te zijn. Maar zou men zich niet beter specialiseren in opera of oratorium of lied i.p.v. deze drie zeer uiteenlopende genres op één hoopje te gooien? Voor de pianowedstrijd moeten de deelnemers toch ook niet op een vleugel, op een klavecimbel en op een orgel spelen? Hoe wil men in zo’n omstandigheden een echt jong talent ontdekken? Op de leeftijd van de meeste deelnemers zouden ze eigenlijk al gevierde zangers moeten zijn!
Anderzijds zijn er gewoonweg weinig zangers die deze drie disciplines aankunnen. Het is reeds vaker gezegd, maar daarom niet minder waar: Luciano Pavarotti zou nooit door de schiftingen geraken omdat hij geen liederen of oratorium kan zingen. Een Emma Kirkby van haar kant zie ik dan weer geen romantische opera zingen, enzovoort! Vandaar dat men in de beroemde wedstrijd van ’s Hertogenbosch twee van de drie disciplines mag kiezen. Dat dit in Brussel niet zo is, wordt toegeschreven aan José Van Dam, die de drie genres wél aankon (ondertussen zou hij wel wat bijgedraaid zijn in die zin dat de kandidaten wel nog àlle genres moeten aankunnen, maar niet in dezelfde mate – en zij kunnen uiteraard zelf bepalen waaraan zij de voorkeur geven).
Een ander gevolg is dat je je op die manier tot zangers gaat richten die wel van alles een beetje kunnen, maar in niets echt uitblinken. Mijnheer en mevrouw Doorsnee dus. Dat was vooral te merken aan het schrijnend gebrek aan persoonlijkheid. In de wandelgangen had ik zelfs moeite om sommige deelnemers te herkennen, omdat ze off-stage gereduceerd werden tot de kleurloze figuren die ze eigenlijk waren.
Dat uitte zich b.v. vooral bij de tekstinterpretatie. De verstaanbaarheid was meestal nihil. De Oost-Europeanen zongen steeds hun moedertaal, zelfs als het Engels, Frans of Duits betrof. Ook hier stel je overigens weer merkwaardige zaken vast. Zo mocht Sonja Borowski-Tudor die in de opera-aria reeds blijk had gegeven van een slechte dictie (volgens haar zingt Dalilah: “Mon kuur s’ouvre à ta wa”) in de liedsessie een volledig programma in haar moedertaal afwerken!
Met het plichtwerk “Accent” hadden er normaal geen problemen mogen zijn, want het was een vokalise (m.a.w. uitsluitend bestaande uit klinkers), maar toch waren die er wel, want je werd verondersteld een verhaaltje zelf “in te vullen” en de meesten hadden daarvoor gewoonweg onvoldoende fantasie.
Zo’n opgelegd stuk is in een zangwedstrijd ook weer voor discussie vatbaar natuurlijk. Het bestond in zes tessituren, maar het was geen toeval dat alle baritons (op Felix na die het stuk aanpakte als een bas) moeilijkheden hadden met deze partituur. Het incident met de Griekse deelnemer (die een noot niet haalde) was dan ook eigenlijk, op grond van diens zwakke prestatie, voorspelbaar.
Over het Muntorkest is natuurlijk ook weer vanalles gezegd. Deze keer zal er wel geen kop van een intendant rollen (*), maar je mag toch stellen dat het eigenlijk een onmenselijke opdracht is. Akkoord, het is een schande dat de eerste finale met vertraging diende te beginnen omdat men niet alle partituren tijdig had gevonden of dat Catherine Vandevelde een andere aria moest zingen, dan die welke ze had opgegeven omdat het orkest niet over de partituur beschikte. Maar wat wil je? De 24 halve finalisten moeten een enorm repertorium voorleggen en dat wordt er dan op één week tijd doorgejaagd. Met als gevolg dat de meesten slechts een kwartier hadden om te repeteren. Terwijl Wendy Hoffman dan weer een klein uur kreeg toegewezen. Geen wonder dat je dan derde kan worden, hoorde ik hier en daar al fluisteren…
In de gegeven omstandigheden kun je dus niet anders dan de muzikanten feliciteren. En ook de dirigenten, al was de Fransman Marc Soustrot (naar verluidt getipt door José Van Dam) misschien iets “kandidaat-vriendelijker” dan Patrick Peire. Deze laatste, een specialist in de authentieke uitvoeringspraktijk, werd door Bernard Foccroulle aangetrokken om in de halve finales met een beperkt orkest de oratorium-aria’s van Bach en Händel te begeleiden. Daarbij hield hij er volgens bepaalde commentatoren een te snel tempo op na. Het samenspel met het orkest liet zeker wel eens te wensen over, maar het dient gezegd dat de meeste kandidaten erg zwak waren op dit onderdeel.
Ook bij de vroegere opera- en belcantowedstrijd van de BRT was er een unieke wedstrijdvorm. Ongeveer een dozijn landen sturen hun twee beste jonge krachten die in aangepaste kostuums aria’s en duetten uit bekende opera’s vertolkten.
Het orkest zat, zoals bij een echte opera, in de orkestbak (en niet àchter de zangers zoals bij een concert), zodat we ons meteen konden vergewissen van de specifieke operakwaliteiten van de deelnemers: dramatische expressie, draagkracht van de stem, scenische présence.
Daarnaast blijft natuurlijk “juist” en “mooi” zingen een primaire vereiste, maar we mogen rustig veronderstellen dat op dit niveau alle deelnemers (tenzij ze last hebben van de zenuwen die in hun keel gieren) aan die eis voldoen.
Door al die facetten verschilde de BRT-wedstrijd in essentie van de Elisabethwedstrijd voor zangvoordracht en ook van de enige andere belcanto-wedstrijd georganiseerd door een televisiestation, namelijk “The Cardiff’s Singer of the World” van de BBC-Wales. Daar vindt men bij de jury zangers zoals Joan Sutherland, Ileana Cotrubas en Tom Krause naast impressario’s of platenproducers als Matthew Epstein (Columbia). De voorzitter is Anthony Freud van de Welsh Opera.
In het algemeen kan men trouwens de wedstrijdformule in vraag stellen. Wat de pianisten aangaat verklaarde Robert Groslot in “Wat is er van de sport?” b.v. dat er tijdens de Elisabethwedstrijd wellicht zelfs doping wordt genomen, ook al noemt men het niet zo. Men kan zich dan ook afvragen wat iemand kan bezielen om nog aan zo’n wedstrijd deel te nemen. Het antwoord is heel simpel. De concurrentie in de pianowereld is zo groot geworden dat men zich blijkbaar gewoonweg verplicht voelt! Dat is ook wat alle kandidaten aan Fred Brouwers vertellen, want uiteraard houdt niemand van wedstrijden op zich. Maar anders krijgen ze gewoon geen kans om voor een publiek te spelen zeggen ze. Zeker niet met orkest. Vandaar ook de gemiddeld “hoge” leeftijd, sommigen zijn vaak al de dertig gepasseerd.
Nigel Kennedy: “Wat muziek en sport gemeen hebben is het teamwork. Ik speel niet individueel, ik speel altijd met andere musici. Het verschil is dat er geen competitie in muziek bestaat. In sport heb je winnaars en verliezers. In muziek heb je geen winnaars en verliezers. Dat Elisabeth-concours voor jonge musici is een schandvlek voor de muziek. Een jury velt het vonnis. Iemand met oorspronkelijke invallen, komt nooit door de eerste schifting, ze kijken naar technische prestaties. Maar muziek gaat over communicatie, niet over techniek. (…) In zo’n jury gaan plaatsnemen, getuigt al van grote arrogantie. En van een verkeerde visie op muziek maken: jonge musici leren dat ze beter moeten zijn, anderen moeten verslaan in een duel. Heel wat talenten lopen littekens op voor het leven. Als je een gevoelige kunstenaar bent, zul je verliezen; een ongevoelige ziel die op techniek steunt, zal winnen.”(DS Magazine, 2/7/93)
Bij piano doet dit verschijnsel zich nog nadrukkelijker voor dan b.v. bij viool, omdat het in essentie toch een solo-instrument is en als men dan faalt als virtuoos, dan rest bijna alleen nog lesgeven (men kan niet in een orkest terecht). Misschien zijn de Aziatische kandidaten daarom niet toevallig vaak vrouwen omdat die tegen hun omgeving hebben moeten rebelleren om het waar te maken.
Op die manier is het competitieve element eigenlijk natuurlijk op z’n plaats! “Men mag niet toegeven aan dat soort stress,” vindt Sigiswald Kuijken. “Het publiek trapt daar natuurlijk graag in, denken we maar aan het ongelooflijke succes van een Elisabethwedstrijd. Het is natuurlijk wel goed dat dit een aanzet is om naar muziek te luisteren, maar het competitieve element is nefast. Al is de laatste jaren de jury iets meer flexibeler geworden en krijgt men toch wat meer variëteit onder de kandidaten, zodanig dat het nu toch niet meer zo is dat degene die het vlugste kan spelen ook de gedoodverfde winnaar is.”
Maar betekent dat ook dat men fouten mag spelen?
Sigiswald Kuijken: “In mijn ogen mag men fouten spelen, al moet men het wel proberen te vermijden uiteraard. Niemand is echter onfeilbaar en als het gebeurd is, is het gebeurd. Als men grote ervaren pianisten als Wilhelm Kempf of Arthur Rubinstein op fouten in hun concerten zou gaan aankijken, dan zouden heel wat van die concerten in de prullemand mogen. Dat kàn toch niet? De echte waarde ligt toch niet in het aantal fouten dat men speelt, maar in de expressie en in de ervaring die men doorgeeft. En als men het echt niet kan, als men echt te veel fouten speelt, dan is men gewoon geen muzikant, dan spreken we daar niet meer over, zo simpel is dat.”
Eigenlijk is dit een variatie op wat componist Ferdinand Ries vertelt over de pianolessen die hij van Ludwig van Beethoven kreeg: “Als ik in een passage iets verkeerd deed, noten verkeerd aansloeg of intervallen (…) miste, zei hij zelden iets; als ik echter in de expressie van crescendo’s enz. of in het karakter van het stuk te kort schoot, werd hij boos, omdat, zoals hij zei, het eerste een ongelukje was, het andere echter gebrek aan kennis, aan gevoel of aan aandacht was.”
Ook Jos Van Immerseel houdt meer van een uitvoering met een foutje maar die aangrijpt dan van een vlekkeloze maar saaie vertolking. Hij illustreerde dit merkwaardig genoeg met een voorbeeld uit het wielrennen: als een renner valt, dan is dat niet zo erg, als er maar spanning in de wedstrijd zit. Waarop Rian De Waal, gevat: “Ja, maar als-ie valt terwijl hij gewoon wat rondjes aan het draaien is, zou het toch niet mogen.”
De viool staat reeds sedert de oertijden symbool voor het vrouwelijke geslachtsdeel, maar meisjes hebben blijkbaar écht een voorkeur voor dit instrument. Kijk maar naar de Elisabethwedstrijd 1993 toen op de 63 deelnemers er niet minder dan 40 meisjes waren.
Bovendien is er bij de vioolwedstrijd nog een speciaal aspect. Liviu Prunaru b.v. bespeelde een Guarneri uit 1676, hem door een Zwitserse maecenas uitgeleend zolang hij woont en werkt in Gstaad. Dat is toch een onderscheid t.o.v. de wedstrijd voor piano, waarbij iedereen op dezelfde piano moet spelen. Jaap Schröder stelde dan ook voor om toch tenminste één opgelegd stuk te hebben dat door ieder op een zelfde viool dient te worden gespeeld.
Van een heel andere aard, maar even terecht, is de opmerking van Jo Paumen dat de vrouwen bevoordeeld zijn omdat ze in hun kledij reeds de sfeer kunnen weergeven, waarin zij hun keuzeconcerto zien. (Om dan nog te zwijgen van neveneffecten zoals bij Jennifer Frautschi, die bij iedere buiging haar jonge tietjes toonde aan de oude rukkers in de jury.)
Er zaten overigens dat jaar slechts drie vrouwen in finale. Ook dat is een overdenking waard. Volgens Rian De Waal kunnen vrouwen niet altijd het grote repertoire aan, precies omdat ze hun tengerheid proberen te “overcompenseren”. Zo was de Tsjech Igor Ardasev veel “vrouwelijker” dan de Koreaanse zwemkampioene Haesun Paik b.v. “Waarom dan geen Saint-Saëns gespeeld?” vroeg Rian zich in haar geval af en de mooie Japanse Chiharu Sakai gaf hem de dag nadien gelijk.
Piano geeft ook meer aanleiding tot “bekken trekken” dan viool, maar ook daar kan dat. Zoals altviolist Thomas Kakuska van het Alban Berg Kwartet zegt tegen Stephan Moens in “De Morgen” van 18/02/1994: “Op een altviool kun je eigenlijk alleen mezzoforte spelen. Speel je luider, dan krast het; speel je stiller, hoort niemand wat. Ik zeg altijd aan mijn studenten: je moet een ander gezicht trekken. Je moet een pianissimo-gezicht hebben, een forte-gezicht, maar spelen moet je altijd luid.”
Over dat ‘voor de galerie spelen’ of ‘het plafondkijken’ is trouwens heel wat te doen geweest. Dat komt immers niet eerlijk uit de muziek voort, maar is eerder berekend op een effect op het publiek. Volgens Rian De Waal wordt het zelfs aangeleerd! En Yehudi Menuhin bevestigt dit in Humo: “Ik ken een pianist die op de partituur aanduidt waar hij, om het meeste effect bij zijn gehoor te sorteren, zijn hoofd moet achteruit gooien, emotioneel moet kijken, diep moet ademen, zijn linkerhand een dramatisch ogenblik onbeweeglijk in de lucht moet laten zweven… en dat allemaal spontaan doet lijken.”
Blijft dus bij ieder individu de vraag: is het echt of is het fake?
Wieland Kuijken: “Blinden luisteren het best, denk ik. Want wij luisteren ook met onze ogen. Veel subjectiever dus. En dan heb ik het nog niet eens over de knappe violiste die op het eerste gezicht mooier speelt dan het lelijke eendje. Probeer het maar eens uit. Neem twee precies dezelfde violen en laat er dezelfde muziek op spelen. Maar schilder de ene blauw en de andere wit. Ik geef het je op een blaadje: de blauwe viool klinkt anders dan de witte. We luisteren altijd met de ogen.” (DS Magazine, 28/11/1997)
Jos Van Immerseel heeft zelf één keer aan een wedstrijd deelgenomen (en ze ook gewonnen), maar dat was dan precies een wedstrijd voor pianoforte en daarvan zegt hij zelf dat het eigenlijk geen solo-instrument is. De eisen lagen dan ook veel meer op stilistisch en interpretatief vlak i.p.v. op virtuositeit.
Uiteraard had Van Immerseel heel wat moeite met het spelen van een verplichte Mozart-sonate op een moderne vleugel. Vaak werd hij daarop ook door Rian aangevallen (”Jos zit teveel met het geluid van een pianoforte in zijn hoofd”). Van Immerseel verdedigde zich dan met te zeggen dat dit er niets mee te maken heeft: “De manier om met de rechterhand boven de linker te willen uitkomen, mag dan nog vergelijkbaar zijn met die van prima donna’s of eerste violisten, het is echter geen muzikaal gegeven!”
Bij de in totaal 92 deelnemers (waarvan er twaalf werden geweigerd omdat ze enkel “een respectabel conservatoriumniveau” bezaten) zaten geen “uitschieters” zoals b.v. een Ashkenazy, maar in die tijd zou het algemene peil ook lager hebben gelegen. Ik herinner er ook even aan dat vier jaar eerder Andrej Nikolski (met als keuzeconcert Rachmaninov nr.3, vandaar dat die componist nu drie keer op het programma voorkwam?) als winnaar uit de bus kwam. Dit jaar moest de Russische school (nochtans vertegenwoordigd door de uitstekende Vadim Roedenko en de bloedjonge Alexander Melnikov) het nu dus afleggen tegen de ‘Amerikaanse’. Voor zover daarvan sprake kan zijn. Marleen Spaepen stelde misschien wel terecht: “Hoe kun je iets van Wenen en Mozart begrijpen als je je leven tussen de wolkenkrabbers en hamburgertenten hebt doorgebracht?”
De volgende wedstrijd voor piano had van 1 tot en met 27 mei 1995 plaats. Er werden 189 aanmeldingen aanvaard, verspreid over 36 nationaliteiten, een absoluut record. Bij de opmerkelijke “gebuisden” vermeld ik de 19-jarige Russin Irina Borbey. Daarmee was ze samen met een landgenoot de jongste. Het gemiddelde bij de schiftingen was 26, waarbij heel wat kaf, want voor de halve finale viel dit terug op 23. We noteerden ook een aantal belangrijke wijzigingen. Vooreerst in het wedstrijdreglement. De schiftingsronde is nog dezelfde met een preludium en fuga uit “Das Wohltemperierte Klavier” (op piano dus!), een keuzewerk en studies voor piano solo. Alleen voor zang wordt nog een plichtwerk uitgeschreven, voor de rest wordt voor de halve finale een nationale competitie gehouden en voor de finale een internationale. Die competitie voor de halve finale werd voor piano gewonnen door Dirk De Nef met “Rond’eau”. Deze componist werd in 1957 in Gent geboren, maar is op dit ogenblik vooral in het Antwerpse actief als koordirigent, terwijl hij zijn compositie-opleiding verder zet aan het conservatorium van Brussel. Zelf doceert hij harmonieleer aan het Lemmensinstituut te Leuven. Het stuk is repetitief (en dan nog op het bekende thema B-A-C-H), maar zonder dat De Nef zich een aanhanger van de repetitieven wil noemen, integendeel. Daarnaast werd “Requiescat” van John Weeks bekroond als plichtwerk voor de finale. Het was de tweede maal dat deze 46-jarige Londense bibliothecaris aan de beurt was, want in 1982 had hij met “Five litanies for orchestra” ook reeds de Elisabethprijs voor compositie gewonnen. Het stuk is geschreven ter nagedachtenis van zijn vader en is dan ook gebaseerd op vier noten die samen diens naam vormen. Alhoewel de titel “rust” doet vermoeden, is het integendeel een erg ingewikkeld stuk, zelfs zodanig dat het niet op de bedoelde 15 maar op 20 minuten wordt gespeeld. Sommige kandidaten spraken dan ook van een wedstrijd in “van het blad spelen”. Komt daarbij nog dat de naam pas heel laat bekend wordt gemaakt, zodat Tsukamoto en de andere kandidaten die vroeg aan de beurt waren, gedwongen waren deze partituur te bestuderen zonder te weten wie ze had geschreven. Dat is helemaal in tegenspraak met de “moderne” opvatting om een werk te kaderen in een ruimere context. Het spreekt toch vanzelf dat de uitvoering anders zou klinken indien het werk b.v. van een Japanner was geweest, zelfs al zouden de noten op het papier dezelfde zijn!
Voor het eerst begeleidde het Filharmonisch Orkest van Luik en van de Franse Gemeenschap de finalisten. De dirigent was Pierre Bartholomée, die nochtans de wedstrijd ooit een circus had genoemd. Het was echter zijn leerlinge Dominique Cornil die als deelneemster zijn mening heeft doen herzien. Volgens haar was een dergelijke wedstrijd onontbeerlijk voor jongeren. Toch heeft hij geaarzeld toen het voorstel hem werd gedaan, maar dan juist omdat hij het een grote verantwoordelijkheid tegenover die jonge mensen vindt. Uiteindelijk heeft hij toegehapt op voorwaarde van zoveel mogelijk te vergeten dat het om een wedstrijd gaat en het muzikale aspect te laten primeren.
De duur van het recital in de halve finale werd verlengd, zodat in de finale nog uitsluitend werken met orkestbegeleiding werden uitgevoerd, om ineenstorten (zoals van Beaver vorige keer) tegen te gaan. Dat maakt wel dat de halve finale nu belangrijker is dan de finale, terwijl er voor de finale toch nog nieuwe (en de bekendste) juryleden worden opgetrommeld, die de finalisten dus niet solo hebben bezig gehoord!
Een laatste vernieuwing is dat alleen nog de eerste zes laureaten worden geklasseerd. Dat heeft o.a. te maken met het “incident” Kabatu (**): men wil de vernedering tegengaan. Maar het resultaat was nu juist dat er zes verliezers waren! Dat men de zes laureaten beter kan begeleiden voor optredens en zo, is wel juist maar dat deed men vroeger sowieso ook al voor de eerste zes.
Van de ingeschreven 11 Belgen mochten er na de schiftingen uiteindelijk vijf doorgaan: Muhiddin Dürüoglu-Demiriz, Dirk Herten, Alexander Leman, Filip Martens en Jan Vande Weghe, maar ook Jill Lawson (van Amerikaans-Portugese nationaliteit) is erbij en die is eigenlijk toch ook eerder een Belgische. Alle zes gingen ze er echter uit nog voor de halve finale. Ook alle Amerikanen lagen eruit, wat toch opmerkelijk was na de 2de en de 3de plaats vorige keer. De halve finale werd overigens met 23 beslist, want een Rus gaf er om onduidelijke redenen de brui aan nog voor de halve finales van start gingen. Hij haalde dan ook de finale niet, waarvoor net zoals vier jaar geleden op televisie commentaar werd gegeven door Jos Van Immerseel, Rian De Waal en elke avond nog een andere gast. Als laatste was dat Robert Groslot die terloops aanstipte dat de klank op televisie erg slecht was.
Deze wedstrijd betekende ook het afscheid van Eugène Traey als voorzitter. Hij werd in 1996 opgevolgd door Arie Van Lysebeth, de directeur van de Nederlandstalige afdeling van het Brusselse conservatorium.
Voor de zangwedstrijd waren er ook een aantal veranderingen. Zo was er nog wel een opgelegd werk (in 1996 “Season’s dream” van Philippe Boesmans), maar de verplichting om enkele liederen van Belgische componisten aan te bieden werd vervangen door een lied uit het vaderland of het land van afkomst. De oratoriumfragmenten mogen nu ook met partituur worden gezongen. Bij opera is de verplichting om een fragment uit de twintigste eeuw te kiezen weggevallen (alhoewel men blijkbaar vergeet dat ook Puccini uit deze eeuw is en dit dus geen garantie was voor “hedendaags” werk). Anderzijds wordt (allicht omwille voor de instudering door het orkest) het vrije initiatief wat aan banden gelegd en moeten de kandidaten tien van de twaalf opera-aria’s uit een voorafbepaalde lijst kiezen. Voor het oratorium geldt een vergelijkbare verplichting.
Achttien Belgen schreven in: de sopranen Hélène Bernardy, Anne Cambier, Marielle Creemers, Laure Delcampe, opnieuw France Emond, Madiha Feguigui, Michaela Karadjian, Liliana Marcu, Annelies Meskens, Eva Nyakas en Machteld Willems; de mezzo’s Eunice Arias en Griet Leyers; de contratenor Michel Puissant; de bariton Jan Van der Crabben en de basbaritons Wolfgang Biebuyck, Eric Dujardin en Etienne Ligot. Het verpletterende overwicht van de sopranen en de totale afwezigheid van tenoren was allicht symptomatisch voor de héle wedstrijd.
Vijf van deze achttien geraakten niet door de schiftingen achter gesloten deur (Hélène Bernardy, Madiha Feguigui, Liliana Marcu, Annelies Meskens en Griet Leyers), wat positief is, want in totaal mochten 68 van de 151 kandidaten doorgaan naar de openbare schiftingen. Met 13 kandidaten is ons land echter wel oververtegenwoordigd als men ziet dat het tweede land (de VS) slechts zes vertegenwoordigers heeft. In een later stadium werd dit trouwens gecorrigeerd: terwijl er geen enkele Belg in de finale zat, vormden de Amerikanen daarbij de meerderheid met vier finalisten. Daarbij ook twee “Afro-Amerikanen”, zoals dat nu politiek correct heet, die overigens voor de verrassing zorgden. Bariton Stephen Salters (°1970) won immers het pleit en tenor Ray Wade (°1964) eindigde vijfde. Deze plaats was misschien wat gevleid, maar Wade was nu eenmaal de enige tenor (tegenover toch weer vier sopranen) die niet enkel de finale, maar zelfs de halve finale bereikte, en dat wil men dan wel eens koesteren. Was het onevenwicht er nog in stemtypes, dan waren de geslachten wel gelijk verdeeld: precies zes mannen en zes vrouwen. Toch waren deze laatsten duidelijk de besten en dat werd geïllustreerd door de rest van de uitslag waarbij Ana Camelia Stefanescu, Eleni Matos, Mariana Svetkova en Anja Vincken, resp. de 2de, 3de, 4de en 6de plaats wegkaapten. Het was wellicht omdat Stefanescu de publiekslieveling was dat er zoveel boegeroep was bij Salters, want slecht was hij zeker niet, zoals o.m. Bernard Cruysse en Erna Metdepenninghen bevestigden.
Ana Camelia Stefanescu (°1974) was ook mijn lievelingetje, al was ik nu veel minder geïnteresseerd dan in de twee vorige edities. Ik kan het dus absoluut niet eens zijn met Marc Clémeur die Eleni Matos, Anja Vincken en Mariana Svetkova beter vond dan Thierry Félix of Aga Winska en daarmee een verhoging van het peil zag.
Volgens Clémeur zou het belang van de wedstrijd nóg toenemen als men zich meer op opera zou toespitsen en de jury dan ook openstellen voor opera-directeurs (”Ik zeg dit niet voor mezelf”) en zelfs regisseurs, die de dramatische expressie zouden moeten beoordelen. Daarmee ging dan uiteraard weer Guy Joosten akkoord, die op zijn beurt dan tegen Stephan Moens zei: “En waarom ook geen critici?”
Clémeur werd ook bijgevallen door Werner Van Mechelen, maar dan gewoon op een pragmatische basis: op die manier zouden de zangers gemakkelijker aan contracten geraken. Voor de rest was Van Mechelen vooral onder de indruk van Stefanescu, waarvan hij de prestatie op de finale-avond vergeleek met die van Aga Winska. Dat deed ook Lydia Rysack, maar die voegde er meteen aan toe, net als Marc Clémeur en Stephan Moens trouwens, dat ze hoopte dat Stefanescu niet zou winnen, omdat ze anders een vogel voor de kat zou zijn. Zelfs op dat moment werkte ze reeds een zwaar programma af.
Met de Nederlandse sopraan Anja Vincken (°1965) viel ook België een beetje in de prijzen, aangezien zij in Maastricht een leerlinge was van Bernadette Degelin (vrouw van jurylid Louis Devos). Daarmee werd het conservatorium van Maastricht voor de vierde keer gelauwerd na de derde plaats van bas-bariton Huub Claessens en de vijfde van mezzo-sopraan Yvonne Schiffelers in 1988 en de zesde plaats van sopraan Marisca Mulder in 1992.
De Bulgaarse sopraan Mariana Zvetkova (°1965) is een leerlinge van Martina Arroyo, die tijdens de twee vorige edities deel uitmaakte van de jury, maar dit jaar niet. De jury bestond deze keer immers uit Luigi Alva, Noëlle Barker, Jules Bastin, Jane Berbié, Walter Berry, Edith Bers, Mya Besselink, Stuart Burrows, Louis Devos, Sena Jurinac, Matti Lehtinen, Evgeny Nesterenko, Joan Sutherland, Anna Tomova-Sintov en natuurlijk José Van Dam.
Het verplichte werk tijdens de halve finale van de vioolwedstrijd 1997 was “Canzone” van Peter Swinnen. Deze leerling van André Laporte is van oorsprong cellist en verbonden met Champ d’Action. In de finale mochten we “Raptus” van de Zuidafrikaan Hofmeyr twaalf maal beluisteren. Maar nee, winnaar Nikolaj Znaider kwam op 20 juni niet naar de Bijloke-Festivalhal voor het laureatenconcert van de jongste Elisabethwedstrijd. Maar de vrouwelijke fans van romantische fiedelers kunnen tevreden zijn: de nummers twee en drie zijn wél van de partij. Wie van avontuur houdt en dus van de Duitser Albrecht Breuninger, die tijdens de wedstrijd met een ongewoon programma uitpakte, zal misschien wel wat ontgoocheld zijn dat hij met een Brahms-concerto uitpakt en het is daarentegen heel verrassend de jonge Hongaar Kristof Barati die met Prokofiev komt aandraven en dan ook de ster van de avond werd, al verbrodde hij dat min of meer met een virtuoze “Erlkönig” als bis. “Verbrodde”, jawel, want voor dergelijke virtuositeit ga ik liever naar een circus dan naar een concert. Maar toegegeven, Breuninger bezondigde er zich met Kreisler (!) ook aan, terwijl hij b.v. toch de eigen compositie had kunnen spelen die werd geweigerd voor de halve finale. De vijfde laureate, Natsumi Tamai, opent de avond met Wieniawski, zodat het mannelijke gedeelte van het publiek niet helemaal in de kou bleef staan, maar het dient gezegd dat er op de uitverkiezing van Tamai nogal wat kritiek was. Ook die avond overtuigde zij mij niet, maar dat lag misschien ook wel aan het BRTN-orkest en dan meer bepaald aan de leiding door geweldenaar Frank Shipway, die helemaal geen oog had voor de gevoelige passages in het concerto van Wieniawski.
Toch was hij opnieuw van de partij als op 18 juni 1999 in de Stedelijke concertzaal De Bijloke drie laureaten van het voorbije pianoconcours werden voorgesteld. En opnieuw deed zich hetzelfde voor: Shipway drukte zijn eigen visie door (b.v. in Rachmaninov), wat op een “normaal” concert natuurlijk zijn goed recht is, maar hier zou hij toch ten dienste moeten staan van de laureaten? Soustrot kan dat, Shipway niet. De meesten zullen zeggen dat Shipway de betere dirigent is, ik ben het daarmee niet noodzakelijk eens, al moet ik toegeven dat ik natuurlijk anders zou praten als het over Jos Van Immerseel zou gaan, die uiteraard even koppig is als Shipway.
Het ging hier om de tweede, derde en vijfde laureaat van de wedstrijd, d.w.z. Alexander Ghindin, Ning An en Roberto Cominati. De meest opvallende laureaten waren er dus niet bij, namelijk de drie overigen: de winnaar de Oekraïner Vitaly Samoshko (omdat hij nu eenmaal de winnaar is, want naar verluidt is het een geweldenaar, zodanig zelfs dat bij de prijsuitreiking iemand met slagroom naar de jury gooide), de vierde, de Israëliet Shai Wosner, de enige die muzikaal klaar is voor een carrière zoals iemand het formuleerde, en de zesde, de Rus Vladimir Sverdlov, die verongelijkt was over de hem toebedeelde plaats, een ontevredenheid die door de meeste waarnemers als terecht werd bestempeld, maar door zijn kinderachtig gedrag (hij weigerde de andere laureaten te feliciteren) zijn krediet verspeelde. Voor de volledigheid, de overige finalisten waren Esther Budiardjo, Roland Krüger, Hideki Nagano, Norie Takahashi, Gottlieb Wallisch en Jakob Katznelson (een “vergissing” dat zo iemand in de finale kon geraken, aldus Robert Groslot). Opvallend was dat niet minder dan twee van de twaalf finalisten ook een Mozart-concerto vertolkten en dat voor het eerst sedert veertig jaar. Het is natuurlijk positief dat deze trend naar meer muzikaliteit dan virtuositeit zich verder doorzet (ongetwijfeld onder invloed van het succes van de “authentieken”), maar als ik dan op het laureatenconcert Ghindin dezelfde Beethoven hoorde vertolken als ik nog maar pas van Jos Van Immerseel had gehoord, dan was dit toch het verschil tussen masturberen en vrijen. Ghindin masturbeert zich (wat uiteraard ook niet onprettig is), maar Jos vrijt met de muziek.

Ronny De Schepper

(*) Allusie op Fred Brouwers (zie aldaar) na de commentaren van Jos Van Immerseel.
(**) Zij werd als twaalfde geklasseerd en weigerde achteraf haar prijs in ontvangst te nemen.


0 Reacties tot “Elisabethwedstrijd voor zang”


  1. Geen Reacties

Reageer




Blog-teller

  • 66,357 keer aangeklikt

uit de oude doos