22
Apr
08

Frank Van Laecke schrijft “Daens”-musical

Frank Van Laecke, die ik al ken van toen hij nog op de middelbare school in de klas van mijn studiegenoot Dirk Roelandt zat, heeft naar eigen zeggen een 97ste bewerking geschreven van de musicalversie van Daens die hij samen met componist Dirk Brossé en Stijn Coninx (de regisseur van de film heeft een onduidelijke functie in dit project; in Het Nieuwsblad wordt het omschreven als “alziend oog”) heeft gemaakt. Vóór de première op 4 oktober in het voormalig postsorteercentrum Antwerpen X in Berchem “hoopt” hij aan een honderdste versie te geraken.

Toen hij op de middelbare school zat, speelde Frank reeds bij het aloude Multatulitheater in de toenmalige JAM-club in Gent. Daarna heeft hij met “De Melomanen” een schitterende versie van Peter Shaffers “Equus” gebracht (een regie die hij daarna ook hernam in Sint-Niklaas bij Argus). Daarna bracht hoofdacteur Eddie Claes bij datzelfde gezelschap een stuk van Frank, namelijk “Genen tijd veur ne goeie kerstdag” met Carine De Clercq, Brigitte Demuynck, Jo Detremmerie, Rosa Geinger, Marie-France Herteleer, Olivier Heylbroeck, Agnella Lefevere, Hilde Roels, Nanette Thijs en niemand minder dan Herman Verspeeten! Tijdens de Gentse Feesten van 1986 werd ook “Rare mensen” van Frank door hen opgevoerd.
Nog later vinden we zowel Frank Van Laecke als Eddie Claes weer als de drijvende krachten achter De Urne. En als ik zeg “drijvend”, dan bedoel ik dat ook letterlijk want André Vermaerke, iemand die vooral gekend is uit het jongerentheater (Eva Bals Speeltheater en zo), regisseerde in dit gezelschap ooit een stuk dat zich op een vlot in een zwembad afspeelde. Dat heb ik echter zelf niet gezien, wél ben ik in 1991 in het Stedelijk Hoger Instituut voor Pedagogische en Sociale Studie (Bevelandstraat) naar “Lily, een vrouw als alle andere” gaan kijken van Ed Vanderweyden, waarbij Eddie Claes de belangrijkste mannelijke rol vertolkte, naast Ingrid Bogaert, Danny Brosens, Peter Bruggeman, Freddy Caleys, Kathelijne Depuydt, Kathleen De Smet, Franske Herteleer, Renée Ockerman, Ria Piers, Rudy Suwyns, An Van Avermaete, Hilde Van Wesepoel en Ann en Liane Vermeulen. Daarnaast waren er ook nog de “doublures” Marijke De Groote en Jessy Van Butsel, allicht omdat er een beetje bloot in kwam. De titelrol werd gespeeld door Betty Bouckaert en de regie was in handen van haar echtgenoot Marc De Bruyker. Rond die tijd was de TV-film “Surprise weekend” in een regie van Paul Cammermans en naar een scenario van Frank Van Laecke een ramp waarin ook Daan Hugaert en Mia Grijp ten onder gingen.
Midden de jaren tachtig had Frank Van Laecke plannen om met Marco Bakker en Willeke Van Ammelrooy een Dracula-parodie te verfilmen, die er echter nooit is gekomen. Hoe hij dan wél rond diezelfde tijd (nl.1986) en met min of meer hetzelfde beeldmateriaal in de blood-and-gore film “Lucker” van Johan Vandewoestijne is terechtgekomen is me een raadsel. Samen met Freek Neirynck loopt hij daar verloren in een verschrikkelijk slecht geacteerde “thriller-zonder-scenario” en dus ipso facto zonder “thrillen” maar met wel liters ketchup. Het hoogtepunt van de film is ene mijnheer Nick Van Suyt (alias Jerry Lucker) die een kadaver van juffrouw Helga Vandevelde neukt als het al in ontbinding is. Voor dit subtiele scenario kreeg Vandewoestijne de hulp van ene John Kupferschmidt, een naam die verdacht veel naar een pseudoniem ruikt, terwijl niemand minder dan Winnie Bauwens als “scriptgirl” staat geacteerd… En nog iets: de uiterst saaie muziek van ene Patrick Xosmos (met songs van François Lamoral) werd opgenomen bij Aaltrack!
Frank Van Laecke werd eind ‘93 nogmaals in de boot genomen door de reeds genoemde Marc De Bruyker, voor wie hij in diens vijftiende videofilm “Strip” had gefigureerd en waarbij hij “het” moest doen met zijn echtgenote Betty Bouckaert, die de rol speelde van een dominante en sexy koningin. Toen Marc Uytterhoeven voor de Sexy Follies-uitzending van Morgen Maandag erotische “home-video’s” vroeg, stuurde deze De Bruyker echter betreffende scène in. Aangezien het ook nog de énige inzending was, kwam ze in de uitzending en stond Frank wel degelijk voor aap. De muziek voor deze film was van Danny Sinclair, die ook al zijn opwachting maakte in “Lily”.
Ondertussen had Frank een zekere bekendheid verworven als co-scenarist van “Het Koekoeksnest” en “F.C.De Kampioenen” en met zijn regie van massaspektakels op het Donkmeer, zoals “My fair lady” en “The sound of music”. Zo werd hij niet enkel gevraagd voor de Nacht van de Film en de Samson-shows, maar ook door de musicalafdeling van het Ballet van Vlaanderen, die met een productie gericht op de kleinere theaters wou uitpakken. Dat werd dan “Broadway Baby”, die gedurende het seizoen 1991-1992 nog eens werd hernomen. Deze productie heeft als orkest, het zogenaamde Trio CD-Live, bestaande uit Luc Goethals, Jan Huylebroeck en Charles Van Houtte, die erin slagen met allerlei synthesizers heuse symfonietoestanden op te roepen. Bij de zangers zijn er in vergelijking met het jaar daarvoor nogal wat wijzigingen doorgevoerd, wat ook een invloed heeft op de selectie van de liedjes die voor deze “Greatest Hits” van diverse musicals in aanmerking komen. Zo werd de “Porgy and Bess”-passage vervangen door “A chorus line”, maar vooral bij de hulde aan Andrew Lloyd Webber kon men nu eindelijk de grote hits brengen. De twee mezzosopranen, Marloes van den Heuvel (niet te verwarren met Loes van den Heuvel, beter gekend als Carmen uit “F.C.De Kampioenen”) en Myriam Bronzwaar (nu vooral gekend als Julia uit “Thuis”) werden immers vervangen door twee sopranen, Wanda Joosten en An Lauwereins. Bij de mannen vallen die wijzigingen nogal mee. Daan van den Durpel (weer goed op dreef) en bas Marc Meersman blijven gehandhaafd, maar Luc Rogiest kreeg een rol aangeboden in “Dokter De Vuyst” (NTG) en moet dus worden vervangen. De Amerikaan Frank Robert Freeman bracht het er redelijk goed van af, ondanks een onverstaanbaar “Antwerps” accent.
Nadien werd de formule nog eens opnieuw toegepast voor “Hollywood by night”, met als bindmiddel dat het uitsluitend fragmenten waren uit musicals die ook werden verfilmd. De samenstelling gebeurde door Linda Lepomme, Frank Van Laecke en Yen Stolk, de choreografe. Zo kregen we o.m. bekende songs te horen uit “On the town”, “The wizard of Oz”, “Hair”, “Singing in the rain”, “Funny girl”, “Mary Poppins”, “Show Boat” en “Grease”. Regisseur Frank Van Laecke, die voor zijn “Sound of music” zelfs vliegtuigen regisseerde, heeft een beroep gedaan op de illusionist Luc Poppe om de magie van de film “live” op het podium te brengen. De cast voor deze productie is volledig dezelfde als die van de herneming van “Broadway Baby”. Dat betekent dus dat we nader kennis kunnen maken met An Lauwereins, Marloes Van den Heuvel, Marc Meersman, Daan Van den Durpel en Frank Robert Freeman, deze keer aangevuld met een viertal danseressen en één danser, die tijdens de pauze overigens verplicht waren om publiciteit voor Roland uit te delen. Ook een rare manier om jonge mensen “een kans te geven”. De muzikale begeleiding is ook weer in handen van het in “Broadway” uitstekende trio CD-Live, maar nu wérkt het niet, de arrangementen zijn té simplistisch. Ik kan nooit geloven dat deze productie in navolging van het ballet naar Kaïro (n.a.v. Walter Eysselinck, regisseur van “Anatevka”) zou getrokken zijn, wat nochtans de bedoeling was. Voor het seizoen 1993-94 werden de meisjes vervangen door Anne Clicteur (die destijds Maria zong in “West Side Story”, maar door ziekte diende vervangen te worden door Linda Lepomme) en Kristien Coenen, pas afgestudeerd bij de Studio Herman Teirlinck en al gekend van de soapserie “Wittekerke”.
Later op het seizoen ‘93-’94 regisseerde Frank Van Laecke ook een nieuwe montering van “Jesus Christ Superstar” voor het Ballet van Vlaanderen, aangezien de originele regisseur Rufus Collins ziek was geworden. Die creëerde deze rock-opera destijds in Arena, zodat - toen het grootste gedeelte van dit gezelschap in het Ballet van Vlaanderen werd opgenomen - deze productie één van de eerste reisvoorstellingen werd. Ondanks het feit dat Frank pas vier weken voor de première was ingevallen, heeft hij toch een heel nieuw concept ontwikkeld. Hij ziet de hele rockopera als een rockconcert. Als men de figuur van Christus naar het heden toe wil vertalen, dan komt men immers al snel bij een rockvedette-met-een-boodschap terecht, aldus Frank. Zeg maar Sting of zo iemand. In de tekst heeft men wel verwijzingen naar Romeinen e.d. laten staan, maar op de scène zou daarvan niets te merken mogen zijn. Tenzij dan misschien in de processcènes, want daar geraakt hij met Pilatus en Herodes toch serieus in de knoei. In die omstandigheden is de kruisiging dan dan nog een succes te noemen. Frank verplaatste de grote aria in de hof van Gethsamene naar het slot en liet de modernistische muziek met de zeven kruiswoorden weg, waarna rockzanger Jezus, “per ongeluk” geëlektrocuteerd wordt, zodat hij min of meer in kruisvorm blijft hangen. Van Laecke werd bij het tot stand komen van zijn concept terzijde gestaan door Michele Assaf, een 34-jarige Amerikaanse choreografe, die b.v. de TV-optredens van Mick Jagger choreografeert. Althans zo zegt men. Volgens Bert Verhoye deed ze alleen maar “de kleine commissiekes”. Joanne Becker tekende voor nieuwe, moderne kostumes en Karina Lambert ontwierp een sober decor, dat - samen met de belichting van Jaak Van de Velde (”the light wizard”) - diverse locaties probeert op te roepen, maar daar niet echt in slaagt.
Max Smeets leidt een orkest met jonge, meestal onbekende mensen en heeft nieuwe arrangementen gemaakt, die me echter niet echt bevielen. Ook de cast werd volledig vernieuwd (verjongd), op uitzondering van dochter Vanhulle. Frank Hoelen die Jezus speelt heeft zijn sporen vooral verdiend in een andere Webber-musical, namelijk “Cats”, maar ging de mist in, omdat hij meende dat Christus de hele tijd met een soort van debiele glimlach moest rondlopen. Bovendien bleek hij die ook nà de voorstelling nog te hanteren. Of misschien dacht hij dan nog dat hij Christus was. Addo Kruizinga had als zanger van de Nederlandse rockgroep Rubicon Judas reeds gespeeld in Tilburg, maar kon evenmin als Hoelen zingen (zelfs in de rockbetekenis van het woord). Anne Mie Gils die de “groupie” Maria Magdalena gestalte geeft, werd op de voorstelling die ik zag wegens ziekte voor het eerst vervangen door Daisy Thijs, die alvast even goed, zo niet méér in het vlees zat dan Gils, iets wat we ook voor de rest van het gezelschap weer moesten vaststellen. Verder was er nog Frans Limburg als Pilatus, Mike Libanon als Herodes, Paul Vaes als Simon, Gerardo Jak als Petrus, Bas Grevelink als Annas en Ernst Van Looy als Kaïfas, allemaal om ter slechtst zingend. Bij het koor herkende ik o.a. Lulu Aertgeerts, Walter De Cock, Miguel Espin, Stefan Hamblok, Hilde Vanhulle en Hilde Weber.
De volgende productie van het BVV waaraan Frank Van Laecke zijn medewerking verleende was “Je Anne”. En eens te meer kon men vaststellen dat in zo’n geval goede bedoelingen alleen niet volstaan.
Trouwens, wie komt er nu in godsnaam op het idee om een musical te schrijven over Anne Frank? Joden natuurlijk, omdat ze dachten dat er nog een centje mee te verdienen viel, zou ik kunnen grapjassen, maar grapjes maken mag niet in deze kontekst. Dat komt zelfs in het stuk zelf voor. Na een ruzie met zijn vrouw, zucht Hermann Van Daan: “Ik hoop dat in de concentratiekampen mannen en vrouwen worden gescheiden.” Groot tumult natuurlijk, ondanks het feit dat hij er ten overvloede aan toevoegt: “Het was maar een grapje!” (Dat geldt ongetwijfeld ook voor de opmerking dat het verblijf in het Achterhuis blijkbaar een goede manier is om van het roken af te geraken.)
In 1947 geeft Otto Frank het dagboek van zijn dochter Anne uit als “Het Achterhuis”. Hij had het in handen gekregen van Miep Gies, die het had gevonden nadat het op de grond was gevallen bij de razzia, waarbij de familie werd opgepakt. Otto was de enige overlevende. Zijn vrouw Edith kwam om in Auschwitz van ontbering en de dochters Anne en Margot stierven in Bergen-Belsen aan tyfus.
Maar goed, het zijn dus de schrijfster Enid Futterman en de componist Michael Cohen die “Yours, Anne” op 10 oktober 1985 in New York hebben gecreëerd. De Amerikaanse oorsprong van het stuk valt b.v. nog goed te merken aan de introductie van generaal Eisenhower als een soort van halfgod. Het stuk werd zowat overal in Vlaanderen opgevoerd door de musicalafdeling van het Ballet van Vlaanderen (gesponsord door C&A!) in het kader van de Bevrijdingsfeesten. Jan Huylebroeck die de leiding had van het synthesizertrio CD-Live was niet tevreden over de oorspronkelijke muziek (”te Amerikaans”) en versoberde het geheel.
De vertaling was van Rob Chrispijn, waaraan ik nog goede herinneringen had met teksten voor Herman Van Veen 25 jaar eerder, maar hier neigen zijn teksten eerder naar kiespijn. Meestal heeft hij moeite om gepaste rijmwoorden te vinden (toegegeven, de “cross-dialogen” helpen hem daarbij niet), maar als hij dan al eens een gemakkelijk rijm heeft “aar” of “ouw” b.v. dan geeft hij van katoen.
Ja maar,
luister hier eens naar,
vijf rijmen na mekaar,
dat is toch een beetje bij het haar
getrokken, nietwaar?
“Je Anne” is geen musical maar muziektheater, schrijft regisseur Frank Van Laecke in de programmabrochure. (Hij schrijft ook dat Simon Wiesenthal n.a.v. “Schindler’s list” waarschuwt voor de gevolgen van “haat en technologie”, maar wat dat laatste betreft: was dat niet eerder na “Jurassic Park”?)
Maar goed, dat eerste wat hij zegt is zeker juist. Maar hebben we muziek gehoord? Nee (zij het dat het stuk bijna volledig doorgezongen wordt op een soort parlando-toon, een opera met alleen maar recitatieven kortom). En hebben we theater gezien? Nauwelijks. Het claustrofobische gegeven biedt uiteraard weinig kans tot “actie” (”Waarover schrijf jij eigenlijk?” schampert iemand n.a.v. het dagboek van Anne, “hier gebeurt nooit iets”), maar of dit nu ook vertaald moest worden in het herhaaldelijk “verstijven” van het beetje actie dat er dan al is, weet ik niet.
Het tweede deel is dankzij de kalverliefde-episodes iets beter (ook muzikaal) dan het oervervelende eerste deel en het slot is uiteraard aangrijpend, zelfs zonder theatrale ingrepen. In deze beroerde tijden is het lovenswaardig dat het Ballet van Vlaanderen de platgetreden paden verlaat en met deze voorstelling naar buiten komt. Maar goede bedoelingen alleen volstaan niet om tot een goede voorstelling te komen.
Onder het motto “emoties: ja; sentiment: nee” was deze productie vooral voor jongeren bedoeld. De Gentse katholieke meisjesschool van Sint-Bavo had de voorstelling zelfs voor een aantal dagen uitgekocht. Dan had ik toch wel een vliegje willen zijn om te zien of de scène over de condooms er nog inzat…
Bovendien heb ik nog een paar bedenkingen. Ondanks het feit dat “links” zich al jaren identificeert met Anne Frank (denken we maar aan de tentoonstelling van het CSC-vormingswerk, waarnaar ook in de programmabrochure wordt verwezen), toch heb ik het persoonlijk altijd moeilijk met de typisch joodse aanpak van het nazi-regime. Zij trekken de problematiek nooit open. Het blijft steeds steken bij het “vervolgde godsvolk”. Dat kwam onlangs ook nog eens goed tot uiting in de televisiefilm “Forbidden” met Jürgen Prochnow en Jacqueline Bisset: het lijkt er soms op dat indien de nazi’s zich nu eens hadden beperkt tot het uitroeien van b.v. communisten, dat het dan eigenlijk nog zo geen kwaaie kerels waren geweest. In genoemde film is dat b.v. duidelijk in de slotsequens bij de bevrijding (wat in de film tussen aanhalingstekens mag worden geplaatst) door de Russen.
In “Je Anne” wordt dit min of meer opgevangen door het feit dat de hoofdrol (eigenlijk de enige echte “rol”) wordt vertolkt door Kader Gürbüz, op dat moment 25 en wellicht het beste gekend als “de Vlaamse Scarlett O’Hara”. Maar aangezien zijzelf nooit last heeft gehad van racisme, zwakt ze zelf dit aspect af. Op de persconferentie verklaarde ze zelfs dat ze zich vooral in de frustraties van Anne kan inleven omdat ze door haar Turkse vader “ook zeer kort werd gehouden”. Directeur Linda Lepomme voegde daar nog aan toe: “Ze heeft een Turkse vader, jawel, maar een Gentse moeder: ze is naar een katholieke school geweest, ze is zeker geen moslim!”
Linda Lepomme kwam overigens op het einde mee groeten op het podium. Zij zal natuurlijk zeggen dat Robert Denvers dat ook doet, maar wat zou er gebeuren indien b.v. Marc Clémeur na afloop van een operavoorstelling het applaus in ontvangst zou komen nemen? Over opera gesproken, in dit stuk moest ik op een bepaald moment zowel denken aan “Adieu ma petite table” uit “Manon Lescaut” als aan het afscheid van de bontmantel uit “La Bohème”.
In sommige voorstellingen is het mogelijk dat Gürbüz wordt vervangen door Elise De Vliegher van Sint-Niklaas, die er op Jeugd en Dans 1993 met haar choreografie “Clair Obscur” met kop en schouders bovenuit stak. Met haar vriendin Ann-Suyin Aerts vormde ze het duo “Amour Obscur”. Ze waren toen beiden 18 jaar en volgden studies aan het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie. Voor mijn balletbijdrage in Graffiti wilde ik haar interviewen, maar ze reageerde te laat op mijn oproep. Blij haar op deze manier weer te zien. Je ziet: talent drijft uiteindelijk toch altijd boven.
Gürbüz kan niet zingen, maar daar hoeft ze zich niet om te schamen. Ze was zelfs nog bijna de beste van de hele cast. Pijnlijk was b.v. haar vader, gespeeld door Jaak Vissenaken, die men nochtans speciaal uit zijn vrijwillige ballingsoord in de Franse Pyreneeën is gaan opvissen. Als moeder was Paula Stulemeijer iets beter, maar die was overduidelijk afkomstig uit Antwerpen, al was het maar omwille van het lied over haar “kienderen” b.v. De zangtalenten van Kristiaan Lagast (1952-2008) als Albert Dussel, Harry Deswarte (van Argus) als Hermann Van Daan, Paul Maes als zijn zoon Peter (blijkbaar geïnspireerd op Franky Backeljau) en zelfs Liliane Dorekens als zijn vrouw Petronella, zal ik maar met de mantel der liefde bedekken.
De enige uitzondering was An Lauwereins als haar oudere zus Margot, maar het jaar daarop was zij er niet meer bij omdat ze de hoofdrol vertolkte in “The Sound of Music”. Ze werd vervangen door Kristien Coenen, alias Astrid uit “Wittekerke”. Fabrice Delecluse, een student van het Gentse conservatorium, verving Paul Maes als Peter Van Daan.
Ondertussen ging Frank eind ‘95 in Nederland aan de slag. Samen met scenograaf Luc De Bruycker bracht hij daar in een reusachtige (maar uiteraard lege) gastank “Cavalleria” en “Pagliacci” voor de Stichting Italiaanse Opera. Het project flopte en de stichting ging nog voor het einde van het jaar overkop. Men liet een put van tien miljoen frank na.
Frank Van Laecke ging dan maar opnieuw aan de slag in het amateurtheater. In april 1996 regisseerde hij opnieuw bij Argus “Bedside story” van Alan Ayckbourn uit 1977 (oorspr. titel “Bedroom farces”). Aangezien Eddy Allcock tijdens de repetities uit bed tuimelde, moest Frank zelfs als acteur inspringen. Ondertussen was hij ook opnieuw als BRTN-scenarist actief voor de comedy-reeks “Hotel Hotel”, die in september van start ging.
Op 12 oktober 1996 pakte het Ballet van Vlaanderen in Antwerpen uit met “Sacco en Vanzetti” (oorspr. “Terra Promessa”), een musical geschreven door Dirk Brossé (muziek) en Paul Berkenman (liedjesteksten) op een libretto van Frank Van Laecke. Het was de duurste musicalproductie van het BVV tot op heden, o.a. omdat het een opdrachtwerk betreft, maar n.a.v. de tiende verjaardag mocht dat wel. Oorspronkelijk was het de bedoeling vooraf reeds een CD uit te brengen zodat de mensen op die manier reeds met de muziek vertrouwd zouden zijn vooraleer deze in het programma van de musicalafdeling zou worden opgenomen. De CD (met highlights) zou worden opgenomen met koor en orkest van de BRTN, dat tegen die tijd ook Gents zouden moeten zijn, aangezien er toen sprake van was dat Rudolf Werthen hen bij zijn Fiamminghi zou voegen. Dirk Brossé zelf zou het orkest dirigeren. Deze CD zou dan uitkomen bij Philips, waar Stef Coninx product manager is. Dat was wellicht niet toevallig, aangezien de regie van de eigenlijke opvoering is in handen was van diens broer Stijn Coninx. Toch is de CD er bij mijn weten nooit gekomen.
Alhoewel er niet echt gedanst wordt, is er toch een bewegingschoreografie van Danny Rosseel (Stijn Coninx wou oorspronkelijk zelf choreograaf worden). Misschien wekt de keuze van baron Coninx wel enige verwondering, maar de regisseur van “Daens” heeft reeds eerder een musical gedaan, namelijk “Tarzan” bij het KJT. Bovendien heeft hij reeds met Frank samengewerkt voor de 60/40-viering van koning Boudewijn en staat zijn engagement sedert “Daens” buiten kijf. Daarnaast mag men natuurlijk ook niet vergeten dat Dirk Brossé de muziek schreef voor deze film, net als voor “Koko Flanel”, één van de Urbanus-films van Stijn. Ook Dirk Brossé is een geëngageerd componist, zoals o.m. mag blijken uit “La soledad de America Latina” of de multiculturele symfonie “Artesia”. Bovendien werkte ook Dirk Brossé mee aan de koning Boudewijnviering. Helemaal in overeenstemming met zijn vroegere composities schreef Brossé een partituur die “in tegenstelling tot alternatief muziektheater of hedendaagse opera de communicatie met het publiek niet in de weg staat,” zoals hijzelf zegt. Toch schreef hij in functie van een symfonisch orkest en is de hele musical dóórgecomponeerd, wat niet belet dat er soms wel eens dialogen zijn met een “underscore”.
Uiteraard kon het BVV niet op tournee trekken met een symfonisch orkest, daarom werd naar aloude gewoonte Jan Huylebroeck aangetrokken om dit via het gebruik van synthesizers te reduceren naar een orkest van zo’n 13 man. Er waren ook onderhandelingen met het buitenland bezig, vooral met Manchester en diverse operahuizen in Italië en daar zou het werk - als het er ooit van komt - wel met een symfonisch orkest worden gebracht. Men zal met het oog hierop een Engelse versie schrijven. Althans dat werd alweer in het vooruitzicht gesteld, maar nooit effectief uitgevoerd.
De musical gaat over Sacco en Vanzetti, twee Italiaanse anarchisten die op 22 augustus 1927 in de Verenigde Staten stierven op de elektrische stoel onder de valse beschuldiging van moord. Frank Van Laecke maakte voor het eerst kennis met dit gegeven toen hij in 1978 in het NTG de opvoering zag van het stuk dat Mino Roli en Luciano Vincenzoni in 1960 hierover hadden geschreven (daarvóór waren er ook reeds het gedicht “Justice denied in Massachusetts” van Edna St.Vincent Millay in 1927 zelf, de roman “Boston” van Upton Sinclair een jaar later, de toneelstukken “God of the Lightning” en “Winterset” van Maxwell Anderson en een reeks tekeningen en schilderijen van Ben Shahn). De regie was van Hugo Van den Berghe. Herman Coessens en Walter Moeremans vertolkten de hoofdrollen. In 1966 volgde dan nog op de VARA het TV-spel “De zaak Sacco en Vanzetti” van Reginald Rose met Henk Van Ulsen als Sacco.
Nicola Sacco, arbeider in een schoenfabriek, en visverkoper Bartolomeo Vanzetti waren in 1908 naar de States gekomen. Toen na de Eerste Wereldoorlog door de minister van justitie Palmer een heksenjacht tegen al wat rood was werd ontketend, werden zij op 5 mei 1920 gearresteerd voor het organiseren van roofovervallen, o.a. een in South Braintree op 15 april 1920, waarbij er twee doden waren gevallen. Kortom, het was een beschuldiging waarop de doodstraf stond. Nochtans hadden zij enkel getracht een auto te huren om hun propagandamateriaal in veiligheid te brengen. Uit schrik om hetzelfde lot te ondergaan als hun vriend Salsedo (bij het BVV vertolkt door Wim Van den Driessche), die twee dagen eerder uit het raam van de 14de verdieping van het centrale politiebureau in New York was “gesprongen” (zie: “De toevallige dood van een anarchist” van Dario Fo), legden ze tegenstrijdige verklaringen af. Dat werd hen zwaar aangerekend. Dat plus het feit dat de veertien getuigen die hun een alibi konden leveren, zwaar onder druk werden gezet, leidde op 14 juli 1921 tot een terdoodveroordeling. Van de getuigen ten laste waren er anderzijds later drie die hun getuigenis herriepen en in de gevangenis zelf bekende een andere ter dood veroordeelde, Celestino Medeiros (bij het BVV Jeroen van Delft) dat hij de overval had gepleegd, maar dat mocht allemaal niet baten: op 19 april 1927 werd het doodvonnis bekrachtigd door gouverneur Fuller, ook al had deze 17.000 telegrammen en brieven had ontvangen en een petitie met 475.000 handtekeningen. Ook alle genadeverzoeken, zowel van Stalin als van Mussolini en de paus, werden van de hand gewezen.
In het Ballet van Vlaanderen werden de hoofdrollen vertolkt door Vera Mann (Rosa Sacco) en Tom Van Landuyt van VT4 als de schuchtere Sacco. Hans-Peter Janssens, die BVV-liefhebbers kennen als de Rus uit “Chess”, maar die in Engeland reeds een “Don Giovanni” op zijn actief heeft, zingt de rol van Vanzetti. Nolle Versyp was de procureur en Nand Buyl de rechter.
Men vertrekt van een flashback, wanneer in 1947 de 51-jarige Rosa Sacco in een ouderlingentehuis de diepgelovige rechter Webster Thayer bezoekt en hem tot een gewetensonderzoek dwingt in het licht van zijn doodsangst voor het Laatste Nieuws, pardon: het Laatste Oordeel. Als Linda Lepomme dit gegeven vergelijkt met de processen van O.J.Simpson of Rosie Verstraete en met de woede die men voelt als men een parkeerboete aangesmeerd krijgt, dan hoopte ik toch dat Frank Van Laecke er wat méér van zou maken dan dat!
En dat dééd hij. Ik zag en hoorde “Sacco en Vanzetti” een week na “Les Liaisons Dangereuses” van Piet Swerts en aangezien Swerts werd verweten “niet moeilijk genoeg” te componeren en men van Brossé toch mocht verwachten dat hij ernstiger zou zijn dan de doorsnee musical-componist, drong een vergelijking zich op. Die viel echter volledig in het nadeel van Brossé uit, omdat hij zich te strikt aan het musical-genre wilde houden met alle cliché’s gaande van het verplichte dansje (het huwelijksfeest, de Machiavelli-wals) tot een (totaal misplaatst) komisch intermezzo (de drie vrouwelijke getuigen) met tussendoor natuurlijk Vera Mann, die de Brossé-versie van “Don’t cry for me Argentina” eens mocht overdoen. Als men Swerts van stelen beschuldigde, wat moest men dan niet van Brossé zeggen!
En toch, af en toe in de zogenaamd “doorgecomponeerde” passages (muziek onder de dialogen) hoorde je een mooie solo van de hobo b.v., wat mij de bedenking ontlokte dat Brossé van dit gegeven, dat eigenlijk veel te ernstig was voor een musical, beter een opera had gemaakt. En dan liefst in de originele taal (met andere woorden een mengeling van Italiaans en Engels, pardon: Amerikaans), want niet alleen versta je het Nederlands niet in de ensemble-tonelen, het is bovendien gewoon geen mooie taal om te zingen (de “ik hou van jou, ik blijf je trouw”-toestanden zijn in zo’n geval gewoon niet te vermijden, maar daarnaast viel mij vooral het veelvuldig gebruik van de lange “ee” op, die vaak heel “vuil” werd gezongen).
Paul Berkenman heeft overigens géén goed werk geleverd. Als de rijmwoorden ontbreken, klinkt het niet echt goed en als ze er wél zijn, overdrijft hij (soms tot vier maal toe, waarmee hij toch nog één maal onder het record van Rob Chrispijn – zie hierboven - bleef). En zeggen dat hij oorspronkelijk de pluimen op zijn hoed wou steken, ten nadele van Frank Van Laecke, die uiteindelijk de enige was die een vrijwel vlekkeloos werkstuk heeft afgeleverd, met een stevige opbouw, contrastwerking (uiteindelijk is het slotwoord voor de rechter die zegt: ik ben onschuldig!) en prachtige beeldspraak. Al dient bij dit laatste gezegd dat dit vooral de vergelijking met “The beauty and the beast” betreft, waar de aanwezigheid van Sacco’s kind vereist was, het enige dramatische effect dat Van Laecke als echte vakman beter toch had thuisgelaten. Macaulay Culkin mag dan nog onuitstaanbaar zijn, we hébben in Vlaanderen nu eenmaal helemààl geen kinderen die goed kunnen acteren én zingen.
In het seizoen 97-98 regisseerde Frank voor het Ballet van Vlaanderen een musicalversie van “Dr.Jekyll & Mr.Hyde” regisseren, terwijl zijn eigen bedrijf Music Hall met een nieuwe versie van “The wizard of Oz” uitpakte en daarna zowaar met een “La Bohème”, gedirigeerd door Rudolf Werthen, in Vorst-Nationaal. Hiervoor deed Frank zelf de regie, net als in KNS waar hij zijn regie van “Equus” nog eens mocht overdoen.
Van 1 januari 1997 tot en met 28 februari 1999 was Frank artistiek directeur bij Music Hall, maar indachtig zijn hartaanval die hij beweert te hebben gehad op de Christ-like leeftijd van 33 jaar heeft hij dit opgegeven om opnieuw free-lance te gaan en al zijn dromen te verwezenlijken vooraleer hij het hoekje omgaat (volgens informatie van een ex-vriendin zal het uiteindelijk allemaal zo’n vaart niet lopen).
Na zijn samenwerking met I Fiamminghi voor “Smiley” (oktober 1999) en “Maria de Buenos Aires” (februari 2000) werkte hij samen met Seth Gaaikema en Dirk Brossé aan een musical over Kuifje. De basis van het scenario werd gevormd door “De kristallen bollen” en “De zonnetempel”.


0 Reacties tot “Frank Van Laecke schrijft “Daens”-musical”


  1. Geen Reacties

Reageer




Blog-teller

  • 84,833 keer aangeklikt

uit de oude doos