Temse heeft zijn Kaailopers, Tinnenpot heeft zijn “stroatlupers”. In de vijfde editie van het populaire “Cabaret”-programma van Margriet Bruggeman, Jo De Meyere en Oswald Versyp in een regie van Jo Decaluwe staan deze volkse figuren centraal. Het is een variatie op het bekende Gentse thema van “in mijn stroatje zijn’t allemoal komere”. Nog op 26 april en 3, 17, 24 en 31 mei in het Gentse Tinnenpottheater. Reservaties: 09/225.18.60 of 0477/43.73.02.
Het moet tijdens het seizoen 1975-76 geweest zijn dat ik Jo De Meyere voor het eerst op de scène heb gezien, en dan wel in “Sun man”, een rockbewerking van William Shakespeares “Merchant of Venice”, opgevoerd in Arena in een regie van Jaak Vissenaken. Jo De Meyere zong en speelde toen veel te nadrukkelijk, wat overigens een beetje aan zijn rol was te wijten, omdat de bewerkers niet konden besluiten of het nu een komische of een tragische figuur moest zijn. De regisseur leunde zijn interpretatie meer aan bij het laatste, waardoor hij wel afweek van Shakespeare, maar anderzijds werd het stuk daardoor minder antisemitisch dan het origineel.
En dan duurde het tot 06/09/84 toen ik in Arca “Schein trügt” (Schijn bedriegt) van Thomas Bernhard zag in een regie van Alfons Goris met Luc Philips als Karl, een oude artiest, en Jo De Meyere als Robert, zijn broer, een oude toneelspeler. Karl kan terugblikken op een carrière als bordenjongleur in het variété; Robert heeft als toneelspeler een aantal grootse rollen op zijn palmares staan. Het is een van de vele verschillen waarover gesproken maar vooral gezwegen wordt tijdens hun wekelijkse ontmoetingen, als Robert op bezoek komt bij Karl of Karl ‑ nog méér tegen zijn zin ‑ op bezoek gaat bij Robert. Of hoe de twee broers nooit echt nader tot elkaar komen en waarmee Bernhard op meesterlijke wijze aantoont dat tragiek en hilariteit dicht bij elkaar liggen.
In het Van Crombrugghegenootschap zag ik Jo op 18/9/1986 in “Biechtvaders” van Vincenzo Di Mattia in een regie van Ronnie Commissaris. Dit was zo een typisch “exportproduct” van Arca, waarin de acteurs als publiekstrekkers gelden. En dat waren dan vooral Dries Wieme en Jo De Meyere als het oudere “pastoorskoppel” dat in een generatieconflict à la “Who’s afraid of Virginia Woolf” komt te staan met hun jongere collega’s Leslie De Gruyter en Bart Van Avermaet.
In 1986 was Jo Demeyere in “Het Pleintje” alweer een andere pastoor (vergeten we daarbij zijn doorbraak als “Herdershond” niet!). De TV-film “De kleine reder” volgde in 1988. Twee jaar later was hij op de planken alweer te zien in een Arca-productie, namelijk “De Coburger” van Mark De Bie in een regie van Jos van Gorp. Dit was een gelegenheidsstuk (Leopold I werd precies 200 jaar geleden geboren) dat tevens een graantje wilde meepikken van de hoera-sfeer die er op dat moment rond onze monarchie heerste. De Bie is heel minutieus te werk gegaan, zodanig zelfs dat een aantal recensenten de “schoolse” inslag van deze voorstelling op de korrel hebben genomen. Gezien het gelegenheidskarakter van het stuk stoorde deze aanpak me niet, ik zag er integendeel juist een heel degelijke schoolvoorstelling in. De regie van Jos Van Gorp laat immers genoeg ruimte voor de persoonlijke verbeelding, terwijl het talent van Jo De Meyere het publiek in verrukking brengt.
Minder tevreden was ik over de muziek. Het was een uitstekende vondst van De Bie om Leopold te laten praten tegen een pianist die “achter een scherm verborgen zit” en zijn lievelingsmelodieën speelt (dat was overigens ook in werkelijkheid zo). Het is eveneens begrijpelijk dat men noodgedwongen heeft geopteerd voor een bandopname, aangezien het niet voor de hand ligt dat iedere zaal in Vlaanderen en Nederland over een goede piano beschikt. Maar waarom worden de melodieën op band dan toch op een kramikkelige buffetpiano gespeeld?
Robert Schneider (°1961) schreef “Drek”, althans onder die titel werd het opgevoerd door Arca in een regie en decor van Chris Vanneste (die zijn burgerdienst doet bij Arca als… technieker). Jo De Meyere heeft zelf deze tekst gekozen om daarmee heel duidelijk stelling te nemen tegen het opkomende fascisme. Heel lovenswaardig dus maar dit stuk blijft niet enkel in de goede bedoelingen steken, het heeft misschien zelfs het omgekeerde effect! De Meyere speelt hierin een gastarbeider die zichzelf “Sad” noemt als afkorting van “Saddam”. Op het einde zal blijken dat hij helemaal niet zo heet, maar dat het enkel uitgevonden is om de woordspeling “Ik heet Sad, dat betekent droevig in het Engels, maar ik ben helemaal niet droevig” tot in den treure te gebruiken.
Bovendien is hij natuurlijk wél droevig, want hij neemt gewoon alle vooroordelen van het racisme over. Het is dan ook de vraag wie er met dit stuk (ongetwijfeld vol goede bedoelingen in het Oostenrijk van dat moment) gelukkig is? De immigranten? Ikzelf zou me beledigd voelen als ik er één was. De Vlaams Blokkers? Dat is alvast niet de bedoeling. De progressieven? Die weten het toch allemaal al en inhoud en vormgeving dragen totaal niets bij. Integendeel zelfs, zodanig dat ik mijn hart vasthield omdat dit eigenlijk als schoolvoorstelling was bedoeld: de paar leerlingen die nog niet racistisch waren, zouden er wel eens als racisten kunnen buiten komen en de nog veel minder in aantal zijnde liefhebbers van theater zullen na afloop misschien al hun illusies in dit medium hebben verloren…
Bij de wereldpremière in het Thalia Theater was het stuk wél een succes, misschien omdat het “gewoon realistisch” was (dixit Vanneste). De acteur bevond zich nl. als bloemenverkoper reeds onder de toeschouwers, vóór het begin van het stuk. Maar dat was dus niet zo te Gent in Tinnenpot op 18/09/1993 en ook niet toen Mong het een tijdje later zag. Die vond dit dan ook eerder in de kaart van het Vlaams Blok spelen dan omgekeerd.
Maar wat dan gezegd van de volgende monoloog van Jo De Meyere? “Weg met de stad! Weg met het huwelijk!” (gezien op 16/1/1997) was gebaseerd op de satiren van Juvenalis, hekeldichten uit de tijd van de Romeinen, maar die tijd blijkt ontzettend sterk op die van ons te gelijken. De perstekst spreekt van decadentisme, vuile was buiten hangen, verslapping van de zeden, schijnheiligheid, seksuele perversie, wreedheid… allemaal zaken die in 1996 wel aan de orde van de dag waren, maar om dat nu meteen ook tot de kenmerken van “onze tijd” te maken, dan plaatst men de verworvenheden van de jaren zestig wel in een verkeerd daglicht.
Regisseur Jules Croiset die ooit “zichzelf ontvoerde” (in december 1987, zogezegd als aanklacht tegen het antisemitisme in “Het vuil, de stad en de dood” van Rainer Werner Fassbinder, dat destijds zou worden opgevoerd door leerlingen van de Amsterdamse toneelschool) heeft natuurlijk redenen van spreken! En jawel hoor, al van bij de aanvang is het prijs. Verkleed als klusjesman vertelt Demeyere de platste racistische en homofobe moppen, die overigens enorm veel succes hebben. Op dat moment denk je dan nog altijd dat de lachers zo dadelijk wel lik op stuk zullen krijgen. Maar dat is dan wel even anders! Juvenalis blijkt immers even racistisch en homofoob te zijn en op de koop toe ook nog een vrouwenhater. Dit is geen satire. Dit is het bevestigen van cliché’s die reeds volop bij de bevolking leven! Vergelijk de twee solostukken van Demeyere op dat vlak met de twee die Bob De Moor op tekst van Eriek Verpale bracht!
Zelf trok Jo ook weer de trukendoos wijd open. Om Barry Norman te parafraseren: “Het is niet dat hij niet kan acteren, hoor, integendeel, men ziet duidelijk dat hij aan het acteren is.” Bijgevolg is het dan ook een schande dat Jo Demeyere in de Gazet van Antwerpen van 11/1/97 durft verklaren: “Mijn stijl zit erg dicht bij Freek de Jonge en nog een aantal andere cabaretiers.”
Zelf begrijp ik dan ook helemaal niet hoe het mogelijk is, maar “Weg met de stad! Weg met het huwelijk!” van Jo Demeyere naar teksten van Juvenalis was blijkbaar zo populair dat alweer een tiental extra-voorstellingen werden ingelast in Tinnenpot. Hopelijk komt het succes niet voort uit de racistische, homofobe en sexistische grappen die Jo (of regisseur Jules Croiset) eraan heeft toegevoegd. Wie beide heren kent, weet dat deze niet “gemeend” zijn, maar uit het stuk zelf blijkt dat niet.
Misschien is de grootste verklaring voor het succes nog dat Jo Demeyere tegelijk ook erg populair was als de (nochtans erg onvriendelijke) politieinspecteur in “Heterdaad”, een rol die later werd ingeschreven in een ander feuilleton (“Flikken”), iets wat bij mijn weten nog nooit was vertoond. Merkwaardig daarbij is dat zijn zoon Gerben in het ware leven als geldkoerier écht met de georganiseerde misdaad wordt geconfronteerd.
In “Heterdaad” werkte hij ook samen met Oswald Versyp. Toen deze samen met Margriet Bruggeman de Gentse cabaretgroep Moereloere verliet, bracht het trio in september 1999 een programma in Arca onder de weinig geïnspireerde titel “Cabaret”. Bovendien was het nog een verkeerde titel ook: “Bonte Avond” was beter op zijn plaats geweest. In krantencommentaren was Demeyere reeds vooruitgelopen op de mogelijke kritiek door te zeggen dat ze zich gewoon eens wilden amuseren en dat serieuze critici maar moesten thuisblijven. Dat kan best zijn, schreef ik toen, maar Demeyere amuseert zich wel in een gesubsidieerd theater, dat wil dus zeggen: op uw en mijn kosten!
Ondertussen moet Tinnenpot het zonder noemenswaardige subsidies stellen en is het “Cabaret”-programma al aan een vijfde editie toe! Het moet dus zijn dat het genre toch écht populair is bij de mensen…
0 Reacties tot “Jo De Meyere in vijfde editie van “Cabaret””
Reageer