Vanavond om half acht op BBC2: “Wild Provence”, een Britse documentaire over wat eens de favoriete verblijfplaats was van Hugo Claus en waar nu nog altijd Marc Uytterhoeven en Keith Richards als God in Frankrijk leven…
Ik ben er steeds vanuit gegaan dat ik slechts twee keer naar de Provence (Monieux) ben geweest met mijn ouders, maar een duik in de ouderlijke fotoboeken heeft mij er nu van overtuigd dat dit driemaal het geval moet geweest zijn. Veel later ben ik er met Sonia nog eens heel even gepasseerd, op terugtocht van Spanje, maar dat telt niet mee. Het was zo’n druilerig regenweer en Monieux lag er dan nog desolater bij dan anders (procentueel ligt het aantal zelfmoorden er erg hoog), zodat we snel maakten dat we weer wegkwamen, ook al liepen we op die korte tijd toch Arlette Ughetto tegen het lijf.
Ook opmerkelijk: ik ben drie keer naar de Mont Ventoux geweest. Dus ook al in juli 1966, toen Tom Simpson nog een onbekommerde deelnemer was aan de Tour. Voor mijn vriend Erik Westerlinck heb ik toen immers een Miroir du Cyclisme meegebracht met daarin de deelnemers aan de Tour van dat jaar. Tom Simpson droeg hierbij nog de wereldkampioenstrui, hij was immers wereldkampioen geworden in 1965. (Toen moet ik ook het ep’tje met « Le téléphon » en « Madame Robert » van Nino Ferrer hebben gekocht.)
Wat de Tour van het jaar nadien betreft, herinner ik me nog heel goed dat ik op 13 juli 1967 nog in Temse was. We waren zelf “rond den blok” aan het koersen toen mijn moeder in de deuropening stond en ons toeriep dat Simpson gestorven was. Op dat moment waren we nog met de prentjes een Ronde van Frankrijk aan het spelen (Erik hield daar een boek met uitslagen van bij) en Simpson stond toevallig aan de leiding. Als ik me goed herinner, hebben we die Ronde niet verder uitgespeeld en is dat ook de laatste die we samen hebben gespeeld.
Ik heb later met mijn kinderen nog vaak met de prentjes gespeeld. Ik moet zelfs bekennen dat ik in mijn studententijd op kot nog durfde “koersen”. Ik deed dan de deur op slot, zodanig dat er niemand onverwacht kon binnenkomen. Als dat dan toch al eens gebeurde, dacht men - en men riép dat ook door de gangen - dat ik aan het masturberen was. Ik sprak hen toen niet tegen: masturberen was blijkbaar minder erg dan met de prentjes spelen!
Ook nù nog bezit ik prentjes, al is er niemand meer om mee te spelen. Mijn kleinzoon woont te ver weg (Tenerife) en blijkt de mikrobe niet van zijn vader (John) te hebben geërfd. John en ik spelen wel nog vele koersen na, maar dan enkel via de computer. We sturen dan de uitslagen naar elkaar door.
De eerste keer was ik nog te jong om in Monieux veel “apart” te doen van mijn ouders en dus verveelde ik me de meeste tijd, de tweede keer daarentegen trok ik op mijn eentje mijn plan en had ik er vele vrienden (Guy, Didier…) en vooral… vriendinnen (Josiane! Renée!).
In augustus 1967 bracht ik voor Erik dan een steen mee van de plaats waar Simpson was gestorven. Toen stond er enkel maar een gedenkplaat naast een hoop opeengestapelde stenen, waarop Simpson naar verluidt zou hebben gelegen.
Ook met de Tour 1968 was ik nog in België, want ik herinner me dat we de fameuze tijdrit tussen Herman Van Springel en Jan Janssen bij Erik in het café (op de radio) hebben gevolgd met de “Blommenkinders” (zie elders op deze blog). Josie was daar namelijk toen ook bij, vandaar dat ik het me nog zo goed herinner.
In augustus ‘68 stond het monument voor Simpson er al. Dat jaar heb ik ook een cassette opgenomen met singeltjes van Josiane en Didier. Zo herinner ik me Herbert Léonard met “Quelquechose en moi tient mon coeur” (de Engelse versie van “Something’s gotten hold of my heart” van Gene Pitney) en met op de keerzijde een andere cover: “J’ai l’amour dans les mains” (van “I feel love coming on” van Felice Taylor). En dan ook nog zijn eerste eigen nummer: “Etre sincère”. En natuurlijk de Franse versie van “Monia”, wat wij toen allemaal meezongen als “Monieux”!
Er zijn nog andere liedjes uit die periode, waarnaar ik nog steeds op zoek ben: “Les fleurs de mandarine” b.v., maar de zanger ken ik niet meer. Dat was een tijdlang ook het geval met “Angélique” en “Mes rêves d’enfant”, maar dankzij “Chanter la vie”, het zondagmiddagprogramma van Pascal Sévran op France 2, weet ik ondertussen dat het hier respectievelijk Michel Orso en een zekere Monty betreft. Sinds het begin van dit televisieseizoen is het programma echter afgevoerd zodat de hoop dat die zanger van “Les fleurs de mandarine” ook eens op het scherm passeert zo goed als vervlogen is…
In 1969 zijn mijn ouders zelf ook niet naar Frankrijk geweest en de eerste keer dat ik niét met hen ben meegeweest was in 1970, want dat was in mijn eerste “blokperiode”. Nadien bleef ik altijd in Gent voor de Gentse Feesten, waarna ik voor een eerste keer getrouwd ben en we uiteraard onze eigen weg gingen wat vakanties betreft (Bretagne, Spanje, Joegoslavië…). De eerstvolgende keer dat ik er nog eens met mijn ouders op uittrok situeeert zich dan ook in 1981, toen ik pas gescheiden was. We gingen toen samen naar het Zwarte Woud, maar dat was geen succes, zowel dat Duitse verblijf zelf als de combinatie van met je ouders op vakantie gaan als je de dertig al gepasseerd bent. Na drie dagen ben ik dan ook vertrokken om via Keulen en Parijs (*) toch weer richting Zuid-Frankrijk te gaan (maar deze keer was het Saint-Raphaël), maar dat is dan weer een ander verhaal…
Over verhalen gesproken, de bundel “De Provence, reisverhalen” (Atlas, 2001) is over het algemeen een meevaller. Het begint met een “verhaal” van ene Stefaan van den Bossche (nog nooit van gehoord), dat een goede inleiding is. Eerder een reisgids met verwijzingen naar schrijvers die in de Provence gewoond hebben dan een “verhaal”, maar dat geeft niet.
Daarna is er de beklimming van de Mont Ventoux door Petrarca, iets waar ik reeds lang naar heb gezocht, maar het blijkt uiteindelijk zeer saai te zijn.
Dan is het de beurt aan Paul Theroux met een mooie beschrijving van een treinrit van Spanje naar Italië via de Franse Azurenkust.
Na een bijdrage van Julian Barnes komt er nog een verhaal van Jan Donkers, “Avez-vous vu mon père?”, over hoe diens zoon de scepter overneemt bij het beklimmen van de Mont Ventoux. Het is inderdaad een typische “coming-of-age-story” of nog beter: “une rite de passage”. “Je wordt ouder, papa” van Peter Koelewijn, maar deze keer in proza, zeg maar. In de inleiding schetst de auteur hoe hij vroeger, toen zijn zoon Sander nog jong was (15), hem makkelijk het nakijken gaf op Franse en Engelse colletjes. Ter gelegenheid van zijn 18de verjaardag willen ze echter beiden de Mont Ventoux beklimmen en al vlug wordt duidelijk dat voortaan de rollen omgekeerd zullen zijn. Op een stuk “vals plat” tegen de wind in, kan de vader nog goed de grote versnelling rondkrijgen, maar op een scherprechter als de Mont Ventoux komt dit uiteraard helemaal niet van pas. Terwijl de zoon gezwind naar boven klimt, dient de vader voet aan de grond te zetten. Op de top maakt Sander zich zorgen omdat z’n vader wegblijft en hij vraagt aan een Franse automobilist: “Avez-vous vu mon père?” Jawel, hoor. Die zit een kilometer lager uit te hijgen!
Couperus heeft het daarna over het Arles onder de Romeinen en Piet Piryns geeft een goed overzicht van het politieke extremisme in Marseille.
Michael Allin is een beetje een buitenbeentje met zijn beschrijving van de aankomst van Zarafa, de eerste giraffe in Europa (men had wel over het hoofd gezien dat er in Florence in de vijftiende eeuw reeds een was geweest), in datzelfde Marseille.
Hugo Raes tenslotte heeft het over de Tramontane die de mensen tot wanhoopsdaden kan aanzetten. Met de gebeurtenissen destijds in Monieux voor ogen zou ik zeggen: zeg dat wel!
De conclusie is dat dit boekje - ondanks dat het een aantal interessante gegevens en soms mooie teksten bevat - eigenlijk toch maar een allegaartje is. Zoals je zelf kan vaststellen, springen de onderwerpen van de hak op de tak en de landelijke afbakening is soms een hinder (het verhaal van de tocht van Zarafa naar Parijs stopt bruusk in Lyon) en soms niet terzake (o.a.Barnes zelf wijkt daar soms van af). Verder lijkt de keuze van de fragmenten ook soms als los zand aangeharkt. Als voorbeeld kan ook hier Barnes weer gelden met twee hoofdstukken (de reisavonturen van de schrijvers Henry James en Edith Wharton en de Tour 2000) die totaal niks met elkaar te maken hebben. In plaats van dat de goede fragmenten dit dus tot een goed boek maken, is het eerder net omgekeerd: men voelt dat het zoveel beter kon. Haastwerk.
Ronny De Schepper
(*) Zie hierover een passage in het stuk over striptease.
0 Reacties tot “Wild Provence”
Reageer