Vanavond om zeven uur op Nederland 3, net zoals vorige week, alweer een film naar een boek van Guus Kuijer. Deze keer betreft het “Krassen in het tafelblad” uit de Madelief-reeks. De film werd in 1998 gedraaid door Ineke Houtman.
Op het einde van de jaren zeventig richtte de “Politieke Werkgroep Germaanse” (PoWeGe) van de Rijksuniversiteit van Gent een colloquium in over jeugdliteratuur. Nochtans was dit debat niet het enige dat in het kader van het colloquium plaats greep. Reeds vanaf ’s morgens hadden de meeste deelnemers referaten gehouden, die echter toen al uitgroeiden tot levendige discussies met het select publiek. Met select bedoelen we hier dat er geen massale belangstelling was (de afwezigheid van professoren was frappant), maar dat de aanwezigen allen sterk gemotiveerd waren. Er waren mensen bij die actief zijn in de opvang van jeugdige delinquenten, van gastarbeiderskinderen, mensen uit de jeugdbeweging, uit alle geledingen van het onderwijs en er was ook een actieve deelname van de aanwezige persmensen.
In zijn inleiding beklemtoonde een woordvoerder van PoWeGe dat men het colloquium zeker niet mocht situeren binnen de activiteiten in het kader van het “Jaar van het Kind”. De inrichters distantieerden zich immers van dit initiatief. Nadien had normaal Eric Hulsens aan de beurt moeten komen met een algemene probleemstelling maar door de mist was hij verhinderd. Dat was voor ons een gelukkig toeval, want nu zou Hulsens zijn tekst ’s avonds naar voren brengen als inleiding op het debat en zo zijn we in staat u die (zij het uiteraard ingekort) ook te geven.
DE AANLOOP
Dan maar onmiddellijk het woord verleend aan Liva Willems (1933-2002), die over haar eigen ervaringen mocht spreken. Bij haar lag de nadruk op de eigenwaarde van het kind, waarbij ze op de gevaren van anti-autoritaire jeugdliteratuur wees. Zij werd opgevolgd door een goed bekende van haar, Gaston Van Camp, die een heel wat moeilijker opdracht had verkregen, namelijk het engagement in de jeugdliteratuur. Nochtans was Van Camp wel de geschikte man om hierover te handelen, daar hij tot 1974 niet-geëngageerde (en “dus” zeer goede verkochte) werken had geschreven (de Sven-reeks, sprookjes, …). Het was pas na een zeer diepgaand gesprek met Miep Diekmann dat hij boeken is beginnen schrijven als “Harry van de achterbuurt”.
De zeer interessante namiddag werd dan afgesloten met recensente Gerda De Visser (van Knack), die een zeer verrijkend gesprek had met de Nederlandse jeugdauteur Guus Kuijer (”Met de poppen gooien”, “Krassen in het tafelblad”, …). Kuijer zette zich vooral af tegen de “vertedering” die iedereen voelt voor kinderen. Ter illustratie gaf hij het voorbeeld van de nazisoldaat die een joods jongetje nog eens over het kaal geschoren hoofdje aaide vooraleer het in de gaskamer te sturen.
HET KIND NIET IN EEN RESERVAAT STOPPEN
’s Avonds werden alle sprekers dus nogmaals verenigd voor het slotdebat, waaraan - naast Eric Hulsens, die zoals gezegd nu wel was komen opdagen - ook nog een andere jeugdschrijver deelnam, namelijk Henri Van Daele. Als moderator fungeerde Inge (van PoWeGe).
Eric Hulsens: Er is me gevraagd een inleiding te houden over een aantal nogal uiteenlopende onderwerpen, die ik meteen zal opnoemen dan weet u wat er op u afkomt. Het eerste is het ontstaan van de jeugdlectuur, het tweede de kritiek, het derde het onderwijs, het vierde het engagement en dan tenslotte de verhouding tussen Noord en Zuid op het gebied van jeugdliteratuur. Ik wil heel in het kort over al deze onderwerpen een paar ideeën naar voren brengen in de hoop dat allerlei mensen zich daaraan zullen storen en daarna vragen zullen stellen aan de hier aanwezige panelleden.
Eerst en vooral dus het ontstaan van de jeugdlectuur. Jeugdlectuur is allerminst vanzelfsprekend. U hebt, evenmin als ik, wellicht nog nooit gehoord van de jeugdboeken van de oude Romeinen, de oude Grieken of de Oude Egyptenaren. Als je gaat kijken wat mensen als Erasmus in de zestiende eeuw over literatuur voor de jeugd schreven dan is dat voor onze begrippen bevreemdend. De bekende humanist, heeft een schoolboekje geschreven bedoeld voor de lagere schoolleeftijd waarin onderwerpen ter sprake komen zoals syfilis, echtscheiding, en dat soort dingen. We stellen dus vast dat de notie “kind” vroeger anders was dan nu. Waar komt die jeugdlectuur dan vandaan? Ze is in West-Europa ontstaan in de achttiende eeuw. En de fundering van het ontstaan vinden we bij pedagogen uit de periode bijvoorbeeld bij Jean-Jacques Rousseau. In “Emile ou de l’éducation” (1742) staan zinnen zoals deze: “De natuur wil dat de kinderen kinderen zijn voor ze mannen zijn” en “De kindsheid heeft manier van denken en voelen die haar eigen zijn”. Dit dus in tegenstelling met de eeuwenoude opvatting dat kinderen een soort van kleine volwassenen waren. Wat er achter zit, is echter ook wel dat in de historische periode waarin Rousseau leefde en schreef, de kloof tussen kinderen en volwassenen groter geworden is. Bij hem wordt de kindsheid dus een soort van reservaat. Je moet ze niet confronteren met allerlei volwassen zaken, dat kan het kind kwaad doen… Ik persoonlijk vind dit een heel dubieuze stelling.
Wat typeert nu de jeugdlectuur? Ten eerste natuurlijk het erkennen van de jeugd als aparte publieksgroep. Maar dat houdt gewoonlijk ook in “adaptatie”, dat betekent dat degene die de tekst schrijft zich de ontvanger van die tekst voor ogen houdt en zich daaraan aanpast. Deze adaptatie kan zich op verschillende manieren manifesteren. Formeel is de adaptatie in een kinderboek bijvoorbeeld te merken in het feit dat er veel wit op de bladzijde staat. Ook dat de tekst opgesplitst is in veel kleine stukjes, want het concentratievermogen en de leescapaciteit van de jonge lezer worden geacht niet zo groot te zijn. Literair technisch betekent het dat jeugdboeken vaak in de ik-persoon geschreven zijn, dat er veel dialogen in voorkomen en dat de hoofdpersoon heel dikwijls iemand is van de leeftijd waarvoor het boek bedoeld is. Op het gebied van de inhoud is die adaptatie ook te merken en wel in het weglaten van bepaalde onderwerpen.
Het pendant daarvan is natuurlijk dat er ook een voorkeur is voor bepaalde thema’s. Heel veel kinderboeken gaan bijvoorbeeld over vriendschap tussen kinderen. Tegenwoordig is er op dit gebied een kentering.
Tweede thema dat ik even wilde aanraken is de kritiek. Vroeger had de jeugdboekenkritiek drie heel duidelijke criteria: 1) is het boek esthetisch waardevol? 2) is het pedagogisch verantwoord? 3) is het aangepast aan de leeftijd van het kind?
Daarachter zitten natuurlijk nogal versteende denkbeelden over wat een kind is. Daarmee is voor het ogenblik niet te werken omdat al die noties zelf op de helling zijn komen te staan. En ik zou dus liever uitgaan van het volgende: 1) technisch gezien: hoe is een boek gemaakt en welk effect heeft dat op de lezer? (dialoog, vertelperspectief, spanning, …), 2) sociologisch: welke normen geeft het mee? welke rolpatronen? 3) psychologisch: welke invloed heeft het boek op het kind, maar dan niet gezien in het licht van dat er vaste waarden zouden zijn voor elke leeftijd.
Derde punt: het onderwijs. Het onderwijs deugt niet, zoals iedereen weet, en het literatuuronderwijs nog veel minder. Traditioneel is het zo dat hierin enkel de Schoone Letteren worden bestudeerd en dan nog meestal in een historische context. De opinie van de leerling is van weinig tel en zijn eigen lectuur komt niet aan bod. Ik vind dat nogal een akelige toestand en als ik minister van onderwijs word binnenkort dan wordt het dit: het vak Nederlands dient om de verbale communicatie te bestuderen. Daar moeten dus inkomen: kranten, triviale literatuur, stripverhalen en ook televisieprogramma’s.
Vierde punt: het engagement. Dat is een heel eenvoudige kwestie: engagement is een totaal overbodige term, ik zie daar het nut niet van in.
Het gemakkelijkste heb ik voor het laatste gehouden: de verhouding tussen Noord en Zuid. Dat is heel simpel: de Vlaamse jeugdliteratuur is achterlijk en de Nederlandse wordt schromelijk overschat.
Engagement
- Tot zover dus de inleiding van Eric Hulsens die toch een heleboel uitspraken bevatte, waarover discussie mogelijk is. Ik denk bijvoorbeeld aan zijn mening over engagement. Wenst iemand van het panel daarop in te haken?
Daniël Jansens: Ik denk dat dit een totaal overbodige discussie is. Geëngageerd of niet: het is weinig relevant. Gewoon recht voor de raap lekkere teksten schrijven, dat is het! Ander onderwerp.
Guus Kuijer: Onder engagement versta ik eigenlijk emotionele betrokkenheid bij het werk. Zo kan ik bijna enkel schrijven uit woede.
Henri Van Daele: En als het boek dan af is, ben je dan nog kwaad?
Guus Kuijer: Eigenlijk wel.
Henri Van Daele: Dan is het eigenlijk niet erg gelukt, niet?
Guus Kuijer: Toch wel. Kijk als je bijvoorbeeld gaat vrijen, dan wil je nadien toch ook nog steeds meer?
Liva Willems: Heel eventjes toch niet. Tijd voor een sigaret.
Guus Kuijer: En dat heet “klaarkomen”, niet? Dat is wel raar. Ik kom nooit klaar.
Gerda De Visser: Ik denk overigens dat het niet anders kan, dan uit woede schrijven. Er is toch geen hond, denk ik, die de maatschappij zoals ze is en functioneert goed vindt of leuk of mooi of noem maar op.
Henri Van Daele: Maar er zijn toch ook boeken geschreven vanuit heel andere gevoelens. Geluk, tevredenheid…
Guus Kuijer: Ik hou niet zo van die positieve juichkreten. Ik geloof er ook geen fluit van. Je kan trouwens ook vanuit woede buitengewoon vrolijke boeken schrijven.
PULP?
- Is het niet zo dat het grootste deel van de volwassenen afwijzend staat tegenover kinderliteratuur?
Guus Kuijer: Nou ja, maar je mag ook niet uit het oog verliezen dat 99% van de kinderliteratuur pulp is, dat het niet te lézen is, gewoon rot geschreven.
Gaston Van Camp: Ook ik heb jaren lang bijna in opdracht boekjes gemaakt, die als prijsboeken per kilo gekocht werden door de schooldirecteurs. Ik heb daar heel veel geld mee verdiend en mij daar jaren lang heel goed bij gevoeld, maar dan is mijn maatschappelijk bewustzijn wakker geworden en ben ik beginnen nadenken over mijn eigen leven, mijn relaties… En dat heeft een directe weerslag gehad op wat ik schreef. Op een welbepaalde dag heb ik zeer bewust die pulp vaarwel gezegd en dat heeft me zeer veel geld gekost. Vele, vele tienduizenden, het loopt in de honderdduizenden, heb ik op één minuutje tijd, van tafel geveegd, toen ik tegen mijn uitgever zei: “Sorry, kerel, ik doe het niet meer”. Nu schrijf ik voor een veel kleiner publiek en ik verdien 10% van wat ik vroeger verdiende, maar ik voel me 90% gelukkiger dan vroeger. Ik wil er wel aan toevoegen dat ik reeds een vaste betrekking heb in het onderwijs. Maar het is inderdaad zo dat als je een onooglijk dichtbundeltje met twaalf gedichten publiceert, dan word je in de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen voor vol aangezien, maar als je 45 jeugdboeken schrijft, dan zegt men: “De heren van Zichem komen binnen”. Dat is authentiek wat ik nu vertel!
ONDERWIJS
- Is dat ook niet te wijten aan het onderwijs?
Daniël Janssens: Ja, dat heb ik ook nooit kunnen verklaren, waarom bijvoorbeeld mijn buurmeisje als ze voor de school een boekje moet lezen - van Vandeloo of Ruyslinck natuurlijk - waarom ze dan steeds het dunste neemt?
Gerda De Visser: Ach, op de scholen leert men gewoon boeken haten. De manier waarop ze uitgepluisd worden, daar word je misselijk van.
- Het wordt misschien wat te technisch maar volgens mij is het ook te wijten aan het feit dat wanneer een kind dat begint te lezen het partiële defecten heeft, dus allerlei stoornissen die hem of haar het lezen bemoeilijken, dan wordt het hem zodanig moeilijk gemaakt dat ze daarna werkelijk een afkeer krijgen van de leesact.
Guus Kuijer: Volgens mij zijn sommige kinderen inderdaad meer visueel of meer auditief ingesteld en toch wordt dat lezen veel meer benadrukt dan het begeleiden tot het bekijken van films of het beluisteren van muziek of zo. En nochtans kan men ook op die manier prima communiceren.
- Is het in het kader van het “ontlasten” van het lezen ook niet belangrijker dat kinderen een boek meer als een object leren benaderen, zoals ook Eric reeds heeft aangestipt. Dat kinderen op het moment dat ze nog niet kunnen lezen, vertrouwd worden gemaakt met boeken. Ermee spelen als het ware. Daarmee samenhangend zou ik trouwens willen opmerken dat kinderen die niet graag lezen tóch stripverhalen lezen, of liever bekijken. Want een stripverhaal is meer “object” dan een leesboek. Vandaar misschien de verkeerde opvatting dat stripverhalen het lezen van “echte” boeken zouden tegenwerken, omdat kinderen die niet lezen, toch in strips bladeren.
Guus Kuijer: Het is wel een feit dat ondanks alle miserie kinderen aanzienlijk meer lezen dan wij. In Nederland zijn sinds kort de bibliotheken gratis toegankelijk voor kinderen, wel die worden werkelijk bestormd, die kunnen het niet meer aan! Er is een leergierigheid bij kinderen waar je steil van achterover slaat. Daarmee zijn wij niet te vergelijken.
KRITIEK – RESPONS
- Ik ga daar volledig mee akkoord, maar ik heb wel vastgesteld dat die belangstelling voor het lezen afneemt naarmate ze ouder worden. En daar zit het literatuuronderwijs voor iets tussen, vrees ik.
Gaston Van Camp: Ik trek mij niks aan van wat mijn kinderen of de kinderen uit mijn klas over mijn boeken vinden. Het is mijn boek en ik bepaal wat erin komt. Dat is dus totaal in tegenspraak met mensen die beweren dat de kinderen het moeten goed vinden. En ook mijn uitgever houdt zijn poten eraf!
- Ik zou aan Gaston Van Camp toch eens de vraag willen stellen hoe hij het vindt dat de kinderen toch eerder de voorkeur geven aan zijn pulp-boeken zoals hij ze heeft genoemd dan aan zijn latere werken?
Gaston Van Camp: Ik begrijp je vraag niet. Ik heb twintig jaar onderwijservaring en ik heb vastgesteld dat kinderen die zogenaamde probleemboeken even graag zoniet liever lezen dan de andere. Maar ik spreek dan wel over de helft die léést.
- Maar ik spreek over de andere helft die niet leest.
Gaston Van Camp: Ja, die zijn voor mij dan verloren. Sorry, daar schrijf ik niet voor. Deze namiddag is die vraag ook gesteld: waarom geen boek schrijven voor arbeiderskinderen? Dat kan ik niet. Ik heb zelf te weinig bindingen en contacten met dat arbeidersmilieu.
- Maar die kinderen zijn toch ook de volwassenen van later?
Gaston Van Camp: Ja maar ik ben beperkt, hé, dat moet dan maar iemand anders doen.
Guus Kuijer: Ik vind dat de vraagsteller volkomen gelijk heeft. Een schrijver zou, als het even kan, toch zo moeten schrijven dat kinderen uit alle milieus het zouden moeten kunnen lezen. Maar zelfs dan bereik je nog niet iedereen en dàt is verdrietig. Ik denk dus dat men als dat zou kunnen, klassenloos zou moeten schrijven, maar ik denk ook dat het een illusie is.
- En wat doe je met vijftien-, zestienjarigen en nog ouder die in een anti-leesklimaat zijn opgegroeid? Die te oud zijn om kinderboeken te lezen en onbekwaam om volwassen literatuur tot zich te nemen?
Guus Kuijer: Dat is inderdaad een zeer belangrijke vraag, waarover zich nog niet veel mensen bekommerd hebben. En ik vind nochtans dat dààr inderdaad wat te doen valt. Ikzelf zou het heel graag proberen. Dat vind ik juist zo leuk, zo’n uitdaging.
Liva Willems: Ik héb het geprobeerd in boeken voor jonge mensen van die leeftijd maar in een taal van achtjarigen. Want het is de taal die de grootste hinderpaal vormt.
NOORD-ZUID
- Eric heeft de punten aangeduid waarover we het zouden hebben. We hebben die inderdaad ongeveer allemaal aangeraakt behalve dan het laatste: de verhouding Noord-Zuid. Heeft het onderscheid in de jeugdliteratuur iets te maken met het calvinistische Noorden tegenover het katholieke Zuiden?
Guus Kuijer: Vast wel. In Vlaanderen is er bijvoorbeeld nooit een behoorlijke revolutie geweest en ik denk dat het daar wel iets mee te maken heeft. Dat Amsterdam bijvoorbeeld zo een heel lange traditie als een vrije stad heeft opgebouwd dat werkt zeer zeker ook door in de opvoeding. Vandaar de vele ietwat opstandige kinderboeken die in Nederland verschijnen.
Gerda De Visser: Ook een verschil met Nederland is dat de hele wetgeving hier zo verschrikkelijk is beïnvloed door de godsdienst en dat de mensen het gevaar daarvan niet inzien. Dat ze zelfs hun kinderen naar katholieke scholen sturen, ook al hebben ze helemaal niets met de kerk te maken!
Eric Hulsens: Ik vind toch dat de Nederlandse jeugdliteratuur overschat wordt. Daarmee bedoel ik dat men in Vlaanderen veel te vlug denkt dat het grootste deel progressief zou zijn. En dan voert men bijvoorbeeld Jan Terlouw in. De Vlaamse jeugdliteratuur daarentegen is achterlijk omdat de meeste schrijvers zich niet documenteren. Ze zijn er gewoon niet mee bezig. Ze volgen niet wat er in het buiteland gebeurt, ze studeren niet op hun vak, ze werken niet op hun boeken, ze kakken boeken enfin.
Inderdaad, één van de moeilijkste literaire disciplines is en blijft immers het schrijven van een goed kinderboek. Vooral sinds dit genre (terecht natuurlijk) ook door de progressieve microbe is gebeten. Wat is dan immers de gemakkelijkheidsoplossing, die inderdaad vaak in Nederland wordt gehanteerd? Men vervangt de oude clichés (moeder aan de vaat, kinderen zijn gehoorzaam, jongens zijn dapper, kinderen hebben geen geslachtsorganen) door nieuwe (vader aan de vaat, kinderen zijn opstandig, meisjes zijn dapper, kinderen spelen met hun geslachtsorganen) en men denkt: klaar is Kees. Maar Kees doolt.
“GEEN REKENING HOUDEN MET DE DWANG VAN HET KATHOLICISME”
Enkele jaren later ging alle aandacht naar een belangrijk initiatief: de oprichting van Manteau Jeugd.
Julien Weverbergh gaf als toelichting: “De aanleiding tot het starten van deze bibliotheek, die wij stevig willen uitbouwen, is van drieërlei aard. In de eerste plaats hebben verschillende auteurs die zich in ons fonds thuisvoelen, niet alleen romans en verhalen geschreven maar ook jeugdboeken. Ik vernoem onder meer Mireille Cottenjé, Elisabeth Marain, Willy Spillebeen. Het is bekend dat de identificatie van een literaire auteur met zijn uitgeverij groot is. Deze auteurs vroegen ons om ook hun jeugdboeken uit te geven. Een tweede reden die ons tot niet geringe investering verleid heeft, is het feit dat de belangrijke uitgevers van jeugdliteratuur in Vlaanderen uitgesproken van katholieken huize zijn. Het is onze wil zowel voor vrijzinnige auteurs, als voor gelovige auteurs die met de dwang van het katholicisme bij hun literaire scheppingen geen rekening wensen te houden, onderdak te bieden. Met het oog op de recente verklaringen van katholieke prominenten die opnieuw een duidelijke profilering van de beproefde waarden wensen, lijkt onze beslissing van vorig jaar vooruitziend te zijn geweest. De derde, en zeker doorslaggevende reden die ons ertoe aanzette voor ons onontgonnen gebieden te gaan exploreren, is het feit dat wij ‘het talent’ in huis hadden.”
NELLEKE BERNS:
“EINDELIJK”
Tot dusver Julien Weverbergh, die volgens Van Camp ooit nog zou hebben gezegd: “Ik heb nog nooit een jeugdboek helemaal uitgekregen”. En met het talent waarover hij het had bedoelt hij niet hogergenoemde schrijvers, maar wel Nelleke Bens, al meer dan twintig jaar met Manteau verbonden en “grote kenner en liefhebber van jeugdliteratuur”. Bovendien, zo voegt Weverbergh er nog aan toe, “door haar functie als redactrice bij Manteau heeft zij ook de kunde van het uitgeven onder de knie. Zij zelf pleit er al jaren voor dat wij bij Manteau met jeugdliteratuur zouden starten - zij krijgt nu haar kans”.
Goed als het dan toch Nelleke Berns is die het beleid zal bepalen, laten we dan even uit hààr toespraak halen, wat haar intenties zijn. Vooreerst wil zij zich richten tot “kinderen in de middelbare schoolleeftijd”. Te oordelen naar de eerste drie verschenen werken, mogen we daar op eigen verantwoordelijkheid misschien aan toevoegen: hoger middelbaar?
En dan gaat ze verder: “Het uitgeven van jeugdliteratuur is niet zo héél anders dan uitgeven van literatuur voor volwassenen. We zullen aan die boeken dezelfde eisen stellen: ze moeten mooi van taal zijn, goed van opbouw en uitwerking. De uitgeverij kan zorg dragen voor een fraai boek: een goed in de hand liggend voorwerp, een leesbare letter, verzorgde tekst en mooie illustraties. Voor de illustraties en de omslagen van onze jeugdboeken hebben we iemand aangetrokken uit Hasselt: Michel Gruyters. Hij heeft de manuscripten gelezen en de verhalen in vijf prachtige pentekeningen weergegeven; een soort klein stripverhaal dat aan de tekst voorafgaat. In de toekomst zal hij mee het gezicht bepalen van het jeugdboekenfonds. Voor de inhoud doe ik een beroep op de Vlaamse auteurs. Ik ben ervan overtuigd dat er nog veel talent verborgen zit. Dat er manuscripten zijn die bij gebrek aan de juiste uitgever in de la zijn blijven liggen of zelfs niet geschreven zijn. Dat er genoeg jonge mensen zijn met prima ideeën, die met de juiste begeleiding tot goede resultaten zouden kunnen komen”.
Bens eindigt dan met een oproep dat de pers “eindelijk” meer aandacht zou besteden aan de jeugdliteratuur, een klacht die steeds terugkeert en totaal ongegrond is voor wie op dit terrein een beetje volgt wat er zo allemaal verschijnt. Wat wél waar is, dat is dat jeugdboeken eerder aan bod komen op kinder- of vrouwenpagina’s in plaats van op de literaire bladzijden en dat bijgevolg de recensies niet zo “hoogdravend” zijn, maar misschien is dat juist een voordeel want ik vraag me af wie er nu in godsnaam geïnteresseerd is in de hersenspinsels van een of andere licentiaat Germaanse Filologie die zijn thesis in twee kolommen probeert samen te vatten…
VOOR VOLWASSENEN EN “AANKOMENDE” JEUGD…
Begin 1983 organiseerde de groep Stiekum, info- en actiegroep ter detaboeëring van de kinder- en pedoseksualiteit, een filmfestival in Gent. Vijftien jaar later, na de affaire Dutroux, zou zoiets totaal ondenkbaar zijn, maar ook toen vormde het reeds een aanleiding voor kinderlievend Vlaanderen (VMO, Voorpost, Were Di en andere Pro Vita’s) om op straat te komen. Gelukkig bleef het bij wat burengerucht en de negatieve invloed op de opkomst die door Stiekum werd gevreesd is zéker goedgemaakt door de extra-reclame die de manifestatie hierdoor kreeg. Overigens was het sop de kool niet waard: “Menuet” en “La femme enfant” zijn niet onaardige, maar toch gewone bioscoopfilms en de met veel brio aangekondigde Japanse experimentele kortfilm “Emperor Tomato Ketchup” ging af als een gieter.
Interessanter vanuit dat opzicht is dan ook het nieuwe themanummer in de Nederlandse reeks “Jeugd en Samenleving”. Inderdaad, volgens ons moet kinderseksualiteit zeker bespreekbaar zijn, maar in relatie tot volwassenen blijft het toch een “gevaarlijk terrein”, vooral omdat er tot nu toe zeer weinig empirisch onderzoek over is gebeurd.
Van een autoriteit als Theo Sandfort valt het ons dan ook tegen dat die zich bijvoorbeeld beperkt tot het interviewen van twee willekeurig gekozen meisjes die een verhouding hebben met een oudere man. Bovendien betreft het enerzijds werkelijk een kind (zes jaar) en anderzijds een tiener van veertien jaar. Kan men dat zo maar naast elkaar plaatsen? Mag men trouwens heteropedofilie en homopedofilie onder één hoedje vangen? En wat gezegd van het alweer opduikende verwarrende onderscheid tussen pedofilie en pedoseksualiteit, als dit in het homofilie/homoseksualiteit-debat reeds lang achterhaald is?
Hetzelfde gebrek aan wetenschappelijke ernst (alle voetnoten ten spijt) kan men Guus van der Veer aanwrijven die bij een aantal leeftijdsgenoten naar hun jeugdherinneringen ging vissen. Theo Sandfort herpakt zich gelukkig met de gesprekken die hij voerde met inrichtingwerkers over erotische momenten in het werken met kinderen, niet omdat de aanpak “wetenschappelijker” zou zijn, maar op zijn minst wordt hier een nieuwe bron aangeboord. Ook de bijdrage van Frits Wafelbakker over de grens tussen seksueel contact en seksueel misbruik is zeer waardevol (vooral de items pornografie, prostitutie en seksuele verwaarlozing).
Maar het opmerkelijkste was het artikel van Ada Schillemans over Vrouwen tegen Pedofilie. Alhoewel zij zich heftig afzet tegen de voortrekster van deze beweging, Alice Schwarzer, legt zij toch de vinger op de wonde als zij stelt dat “een pedofiele verhouding (…) niet emanciperend (is), het kind is voor de volwassene alleen aantrekkelijk zolang als het een kind is, het kind moet dus klein blijven.”
Kinderseksualiteit als zodanig ligt voor ons veel minder problematisch, zij het dat wij soms de indruk hebben dat het in boeken voor vooral jonge kinderen wat geforceerd overkomt.
“Kriebels” van het Franse collectief dat zich specialiseert in boekjes voor de allerjongsten, dat vonden we nog leuk, maar de twee nieuwe deeltjes die telkens rond het thema “dromen” draaien, stemmen ons minder enthousiast. Dromen kan soms lekker zijn (”Lekker dromen”), maar ook griezelig (”Griezeldoolhof”). Alhoewel er in “Lekker dromen” heerlijke tekeningen staan als het in het bad plassen of het in huis rondpeddelen, staan ze toch te zeer op zichzelf. Een “band” (geen “verhaal”) is er wel in “Griezeldoolhof” (zelfs een knappe cirkelsymboliek), maar deze doolhof is anderzijds toch wel bijzonder griezelig!
HOLLANDSE KINDERAUTEURS,
DAAR KUN JE BETER SOEP VAN KOKEN!
“Heel wat ouders”, zo begint het boekje “Zullen we deze dan maar houden”, “zijn nogal vervelend, dat is niets bijzonders. Maar de vader en moeder van Liesje en Lodewijk van Pech tot Puffelen waren wel buitengewoon vervelend”. Nou, reken maar! Zo verplichten ze hun kinderen hun neus te snuiten, hun oren schoon te maken en hun haren te wassen. Zeg nou zelf!
Liesje en Lodewijk doen ze dan ook naar een tehuis en gaan naar het warenhuis om nieuwe ouders te kopen. Maar deze zijn zo ijverig dat ze geen tijd hebben voor L & L, ze worden dan maar geruild, maar nu blijken het verschrikkelijke luie ouders te zijn. De volgende zijn dan weer extra dom. Tegen die tijd echter zijn de 40 bladzijden om “en toen gebeurde er dit”, de domoren beginnen de kinderen te knuffelen, zodat deze zeggen: “Zullen we deze dan toch maar houden”. Schrijver Rindert Kromhout en illustratrice Sylvia Weve werken beide onder meer voor “Vrij Nederland”. Het zal dus wel godslastering zijn als wij dit boekje het etiket “ergerlijk” opkleven.
Maar we zijn nog niet aan het einde van ons lijden: Maartje is zo’n typisch pestjoch dat Hollandse kinderauteurs zo “hardstikke leuk” vinden. Van Hollandse kinderauteurs daar kan je beter soep van koken! Nou, zo erg is het ook weer niet natuurlijk, dit boek van Veronica Hazelhoff, eigenlijk valt het zelfs best mee. Maar zoveel Hollandse kinderauteurs na elkaar lezen dat kan nooit goed zijn. Daar word je humeurig van. Dat is ook de bedoeling, vrees ik.
Het boek over Maartje heet “Hierzo!” Wadde? Vanwaar die titel? Wel het is gewoon een tussenwerpsel dat Maartje vriendje Tim zo graag gebruikt net zoals er andere mensen zijn die “wadde”, “dadde” of “nou moe” zeggen. Dit laatste is trouwens niet enkel Guust Flater z’n geliefkoosde uitdrukking, maar ook de titel van het eerste Maartjesboek waarvoor Hazelhoff en zilveren griffel kreeg.
BLAFFEN TEGEN EEN KARIKATUUR
Eigenlijk hebben we nooit erg van Nederlandse jeugdliteratuur gehouden (voor alle duidelijkheid kunnen we misschien beter spreken van “Hollandse” jeugdliteratuur). Ondanks Dik Trom en Pietje Bell is ons van de oudere generatie vooral dat verschrikkelijk moraliserende toontje bijgebleven, wat - en nu komt het natuurlijk - ons evenzeer irriteerde in de jongste richting, ook al beoogde men hier precies het omgekeerde effect. Maar, zoals dat vaak gaat als men zich tegen iets wil afzetten, men verviel in overdrijvingen, zodat Hollandse kinderen in die boeken niet zozeer tot mondigheid werden aangezet, maar wel tot het opzetten van een grote mond.
Als Hendrik Conscience de Vlamingen leerde lezen (en jongensdromen verwezenlijken), dan leerden Veronica Hazelhoff en Rindert Kromhout van der Meer (bijvoorbeeld) de Hollandse voetbalsupporters-in-spe blaffen. In de boeken zelf was dat dan wel blaffen tegen een karikatuur (zodat men er soms nog kon inkomen), maar aangezien karikaturen nu eenmaal niet in het dagdagelijkse leven plegen rond te lopen, onthielden Kees en Mies enkel het blaffen.
Nou, hartstikke leuk, kan je misschien denken, maar op die manier wordt het nog moeilijk werken aan een betere wereld. Dat is natuurlijk ook moraliseren en je hoeft het daarmee dus zeker niet eens te zijn, maar kom ons dan asjeblief niet vertellen dat je, om “progressief” te zijn, de jeugd met doemdenken en no future moet opzadelen.
Typisch is in dat soort boeken de kritiek op het onderwijs. Kritiek op leerinhouden en gebruikte methoden, daar kunnen we natuurlijk best inkomen, maar vaak heeft men de indruk het onderwijs als zodanig maar overboord te willen kieperen. Een cliché-situatie is bijvoorbeeld dat men ergens in opstand komt tegen een hypertraditionele leraar, maar als men daarvoor dan de steun krijgt van, of als-ie-vervangen wordt door een “moderner” exemplaar, dan blijkt die al gauw “in de grond dezelfde” te zijn (want dat is dan “een ouwe zak van 1968″ nietwaar?). In de (overigens uitstekende) jeugdfilm “De bende van hiernaast” trekt de “sociaal-culturele werker” na heel wat mooie woorden bijvoorbeeld uiteindelijk wel partij voor de nogal racistische flatbewoners.
Maar goed, Holland heeft ons niet nodig gehad om dat allemaal in te zien, want er is daar nu zelf blijkbaar een kentering ingetreden. De verhalenbundel “Okketok” van Henk Barnard (uitgeverij Westfriesland, Hoorn, 90 blz.) is daar een typisch voorbeeld van. Net zoals de daarjuist aangehaalde voorbeelden is dit een boek dat zich tot tamelijk jonge kinderen richt (7 à 8 jaar), precies omdat op die leeftijd volgens ons de basis wordt gelegd voor de houding die met de puberteit tot uiting komt.
In deze bundel herwerkt Barnard een aantal bestaande verhalen (zelfs Sinterklaas en de kerststal ontsnappen er niet aan), zodat de nieuwe aanpak meteen erg duidelijk wordt. Zo is er bijvoorbeeld de bekende geschiedenis van Piet de Smeerpoets, vroeger een moraliserend verhaal om kinderen tot netheid aan te zetten. Dan kwam er een periode dat nette handen hoegenaamd niet progressief waren en dus herschrijft Barnard het verhaal waarbij Piet het precies dankzij zijn vuile handen erg ver brengt. Tot hiertoe lijkt het dus wel een verhaal dat eerder een paar jaar geleden werd geschreven. En dat kàn misschien ook wel, want als het eigenlijk reeds afgelopen is, dan wordt er plotseling nog een paragraaf toegevoegd: “Maar ik denk dat je moeder zal zeggen: het gaat er niet om, wie het ‘t verst brengt in deze wereld, maar wie de schoonste handen heeft”.
Al kunnen wij die moeder dan weer niet zo goed thuisbrengen: zich afzetten tegen het carrière-maken, ja die generatie herkennen we natuurlijk! Maar had die zelf ook geen vuile handen en ongewassen haren? Tenzij het allemaal figuurlijk is natuurlijk, dat “zich de handen vuil maken”, waarop het meteen duidelijk wordt dat dit een moedertje is dat ooit nog met haar krent op de Dam heeft gezeten of in het Vondelpark heeft geslapen.
Hoe dan ook, met die toegevoegde paragraaf lijkt dit wel Goethes “Werther” of “Mijn kleine oorlog” van ons aller Boontje. Maar dan literair van veel geringer kwaliteit natuurlijk, want tussen de lijnen door had u wel al begrepen dat dit soort van “ethisch réveil” ons dan misschien niet onwelkom mag zijn, maar dat de verpakking nog niet dàt is.
Er is immers overigens nog een tweede reden waarom we ons steeds aan Hollandse jeugdboeken hebben geërgerd en die heeft dan met de vorm te maken. Boven de Moerdijk doet men immers steeds smalend over die Vlaamse boerkes die nauwelijks Nederlands kouten. Zelfs onze wereldberoemde smartlapzangers worden in hun doorbraak geremd omdat zij over “zwarte bonen” zingen in plaats van over “bruine” en omdat zij heel de stad “versieren”.
Maar omgekeerd hebben onze Hollandse broeders (en zusters natuurlijk) het nooit verleerd om een soort bargoens te schrijven, waarmee je zelfs met Van Dale bij de hand vaak niet wijzer wordt. Zo vernemen we op bladzijde 82 van “Okketok” bijvoorbeeld dat Piet een vrijer krijgt. Nu hadden we hier in Vlaanderen wel Liva Willems (GodeLiva Uleners, 1933-2002) die over lesbische cavia’s schreef, maar van zo’n openheid keken we toch wel even op. Gelukkig stond dit woord wél in Van Dale, waar we als allerlaatste betekenis (en zonder vermelding dat dit enkel in het Noorden zo is) de omschrijving “sinterklaaspop die een man voorstel” vinden.
Nu mag je (enigszins terecht) stellen dat ik me daarover teveel opwind, maar als je dan ziet wat voor een herrie ze in Nederland maken over ons taalgebruik, dan mag dat toch wel even, dacht ik zo. Kijk maar naar “een broodje wesp” dat Nannie Kuiper en Dolf Verroen samen schreven. Daarin rijdt een tot Belg bekeerde Nederlander (Eddy, “je lijkt wel een wielrenner”) van Nederland naar Tielt en neemt onderweg een Hollandse liftster mee, die natuurlijk Veronica heet. En dat is dan aanleiding voor een heleboek “grapjes” over het Vlaams (het begint al met de titel die eigenlijk “een broodje hesp” moet zijn, maar dat schijnen Nederlanders niet te verstaan, evenmin als “een tas koffie” of “een schone neus” en verder noemen wij iedere vrouw natuurlijk een “madame”, blazen wij de h niet aan, zeggen “gij” en zingen “liedekens”) en voor een aantal versjes (ik gok erop dat Verroen verantwoordelijke is voor het magere verhaaltje en Kuiper voor de soms leuke, soms flauwe poëzie). Maar als de strafste krachtterm die Veronica uit haar zak kan toveren “foppeldepiep” is, dan kan dat ons nauwelijks deren. Trouwens, ik weet wel dat het protestantse Noorden niet zo’n hoge pet op heeft van al die heiligen, maar tot nader order staat er nog steeds een verbindingsteken tussen Sint en Niklaas!
Veel meer woorden hoef ik aan deze grap niet te verspillen, tenzij dat mijn vermoeden dat Verroen-Kuiper tot de Veronica (?) Hazelhoff-strekking behoorden net op het einde nog wordt bevestigd. “Doe ook goed je best op school, maar a.u.b. niet te veel, want dan word je veel te braaf”, is zowat de slotzin en die had ik al voelen aankomen, wanneer een paar bladzijden daarvoor de kinderen worden aangemaand eens even flink herrie te schoppen. “De Belgische grote mensen schrokken zich een aap”, zo gaat het dan verder, “maar gelukkig zijn Belgische kinderen bijna allemaal erg slim”. Nou, reken maar, die zijn zo slim dat geen koekjes van dit soort deeg lusten!
HIERZO!
Maar we zijn nog niet aan het einde van ons lijden: Maartje is zo’n typisch pestjoch dat Hollandse kinderauteurs zo “hardstikke leuk” vinden. Van Hollandse kinderauteurs daar kan je beter scep van koken! Nou, zo erg is het ook weer niet natuurlijk, dit boek van Veronica Hazelhoff, eigenlijk valt het zelfs best mee. Maar zoveel Hollandse kinderauteurs na elkaar lezen dat kan nooit goed zijn. Daar word je humeurig van. Dat is ook de bedoeling, vrees ik.
Hierzo! Wadde? Vanwaar die titel? Wel het is gewoon een tussenwerpsel dat Maartje vriendje Tim zo graag gebruikt net zoals er andere mensen zijn die “wadde”, “dadde” of “nou moe” zeggen. Dit laatste is trouwens niet enkel Guust Flater z’n geliefkoosde uitdrukking, maar ook de titel van het eerste Maartjesboek waarvoor Hazelhoff en zilveren griffel kreeg (143 bladzijden).
JOOST, MEESJE, SOFIETJE, MARIJKE, BIRGIT EN DE ANDEREN:
HOE DROEF HET IS KIND TE ZIJN
Alhoewel. Sommige schrijvers in Vlaanderen zijn dan weer in het andere bedje ziek. Hier druipen de kinderboeken nog van de meligheid. Zo heb ik hier “Meesje, een kunstnierpatiëntje” van Staf Verrept. Een ernstige ziekte, met de nodige psychische complicaties voor wie ermee geconfronteerd wordt. Zo’n boek mag dus best, kan zelfs zeer relevant zijn voor de betrokkenen (en dan bedoel ik iedereen die er ook maar heel ver mee te maken heeft). Vooral wanneer het met kennis van zaken geschreven is en dat is hier, helaas voor de auteur, wel degelijk het geval.
Afgezien dus van het feit dat ik vind dat je de kinderen niet voortdurend met allerlei vraagstukken moet confronteren maar hen ook wel eens wat ontspannends mag gunnen, tegen de huidige trend in, is dit boekje inhoudelijk te verdedigen. Ook omdat het niet alleen de specifieke problematiek behandelt maar in feite alles wat ziekte en ziekenhuis betreft opentrekt en bespreekbaar maakt naar de kinderen toe.
Hoewel, soms blijkt Verrept nogal betuttelend, soms over-sentimenteel (maar dat ligt moeilijk natuurlijk, een kind aan de kunstnier zal hier weinig overdreven sentiment terugvinden vermoed ik). Vaak echter is hij ook in zijn gedachtengang niet erg logisch. En blijvende personages nogal wazig. Verrept maakt het zich ook niet makkelijk met de twee antipoden aan de kunstnier, Meesje die het niet kan verwerken, haar vriendinnetje die daar quasi doorheen rolt. De clichés liggen voor de hand.
En of Meesje zo nodig ook nog haar ouders moest kwijtraken in een auto-ongeluk? Het sentiment hoopt zich op. Vooral wanneer de broer van Meesje zijn carrière als topvoetballer moet opgeven om zijn niet te kunnen afstaan. Zelfs Pfaff zou hier paf van staan!
Ik aarzel dus om een oordeel uit te spreken. Dit boekje kan positief zijn, maar er zitten vanuit volwassen optiek nogal wat nadelen aan vast. Niet in het minst is daar de gehanteerde taal: verouderd, stroef, overladen. Slecht gekozen en overbodige adjectieven, manke vergelijkingen, uitdrukkingen die te onpas gebruikt worden om een literaire stijl te suggereren. Samen met de talrijk taalfouten wordt dit een slecht klasopstel.
Normaal zou dit een onvoldoende worden, maar gezien de thematiek en de wijze waarop enkele facetten daarvan belicht worden, geef ik toch enig krediet. U zal het zelf moeten uitzoeken.
ZIJ DRONK LIMONA MET EEN RIETJE
Ongeveer hetzelfde valt te zeggen van “Het zondagskind”, van Daisy Ver Boven. Het zondagskind, dat is Sofietje, en ook al drinkt ze ranja met een rietje (door de schrijfster evenwel irriterend “limona” genoemd), het leven is voor haar geen pretje. Ze begint een boek met zo maar eventjes twintig volle pagina’s (pagina 5-24) volgestouwd met de ene (kleine) ramp na de andere. En dan moet het ergste nog komen: Sofietjes vader is een Italiaanse gastarbeider die haar moeder echter niet meer heeft weergezien nadat ze was verwekt, haar pleegvader, tevens de echte vader van haar jongere zusje en broertje, wordt op de koopt toe in de gevangenis opgesloten omdat hij in dronken toestand twee mensen heeft doodgereden. Mama Maria trekt dan op met eene lederen Johnny die de pest heeft aan kindere en vooral aan Sofietje en samen belanden ze dan op hun beurt achter de tralies wegens drugsmokkel. Oef!
En toch is Sofietje een zondagskind, vindt Grote Beer, haar opa en zowat het enige levende wezen dat ze niet wantrouwt, en dus geboren voor het geluk. En dat vindt ze dan aan het slot in … een home. ‘t Kan verkeren, zei Bredero.
Dit boekje zal dus ook wel met de nodige goede bedoelingen geschreven zijn, maar naast het reeds opgesomde overtrokken leed, komen er dan verder nog een aantal bezwaren tegen de spelling (zo worden systematisch de aanhalingstekens wel geopend, maar niet gesloten) met als bekroning een paar manifeste fouten (”echo-d het zusje” pagina 18; “gelachten” pagina 39 en 91; “hij verwendt de poest” pagina 65). En op pagina 20 krijgt men op de koop toe de tijdsaanduiding “eind in de namiddag” terwijl de kinderen pas uit bed zijn. Huilen wordt het dus toch. Mét of zonder pet op.
TRANEN MET TUITEN OF EEN BIJTENDE GLIMLACH?
Huilen wordt er ook in overvloed gedaan in “Tranen met tuiten”, een nieuwe vertaling uit de reeks “Le sourire qui mord”. Een tegenvaller. Misschien omdat er nu tekst bij afgedrukt is, wat in de vorige niet het geval was (behalve dan het ook al niet zo geslaagde “Julie”), de tekeningen zijn immers nog steeds even mooi. Maar die tekst … nee, daar zijn toch te veel opmerkingen over te maken.
Het gaat dus over wenen. Maar dan blijkt dat zowel over een fysiologische reactie te gaan (uien schillen, stofje in het oog…) als over een psychische. En dat op dezelfde hoogte. Bovendien blijft het rollenpatroon gehandhaafd (ook al wordt er tegenin gegaan): “mama’s” wenen als “papa’s” niet naar huis komen en “papa’s” wenen hoegenaamd niet. Nu, de “mama’s” en de “papa’s” die Infodok-uitgaven in huis halen, die beantwoorden alvast niet aan dat patroon, waarom dus vasthouden aan die stereotiepen?
Ook over de taal vat wat te zeggen. De inleiding is daarvoor typisch. Door het gebruik van elliptische zinnen wordt er van het kind toch wel erg veel doorzettingsvermogen gevraagd om zich door het verhaaltje heen te bijten. Om nog te zwijgen van de tot tweemaal toe herhaalde fout “wenen doet je niet alleen” (pagina 12 en 46). Ook toch nog een opmerking over de tekeningen: waarom worden de Franse metronamen behouden, daar waar de Franse vlag wèl (onhandig) in een Belgische wordt omgetoverd?
Met de Nederlandse uitgave van de boeken van “Le sourire qui mord”, wil Infodok de bedoelingen van deze kleine Franse uitgeverij ondersteunen omdat het ook de hunne zijn. Ze willen kinderen de gelegenheid geven om dàt uit te spreken, waarvoor ze meestal te klein geacht worden. Daarom deze boeken: kinderen kunnen zich erin herkennen, met hun dromen en verlangens, vreugde en twijfels, problemen en angsten…
Elk boek uit deze reeks is een heel project. Een gans jaar door, wordt het thema aan honderden kinderen voorgelegd: in klassen, bibliotheken, lees-ateliers… Samen met de kinderen gaan de auteurs na of het verhaal aanspreekt, of het hen diep raakt, zowel naar inhoud als naar vorm (wisselwerking tekst-illustratie). Vele ouders en onderwijskrachten zijn betrokken bij deze projecten.
“Julie of de geschiedenis van het meisje met de jongensschaduw” was het eerste ervan dat in Nederlandse vertaling verschijnt. Het verhaaltje is voorspelbaar: Julie beantwoordt niet aan de normen die traditioneel van een klein meisje worden gesteld, krijgt hierdoor schuldgevoelens opgedrongen, die pas wijken als ze een jongetje ontmoet dat zich “meisjesachtig” gedraagt (dat is verdomd exact hetzelfde als wat wij net hebben gelezen in “De Roos”, je weet wel die geromantiseerde biografie van zangeres Janis Joplin).
De tekeningen zijn prachtig, maar de begeleidende tekst is zwak. Ligt het aan de vertaling van Liva Willems? Dat kan je natuurlijk enkel maar weten als je ook de originele versie hebt gelezen.
Een andere reeks van dezelfde makers bevalt ons dan ook meer, want dit zijn “histoires sans paroles”. De eerste “vertaling”, als je dat zo mag noemen, “Kriebels”, is enorm bevallen.
VOOR DE ALLERKLEINSTEN
In de reeks “Kijk- en Denkspelletjes” van Casterman verschenen de nummers 4, 5 en 6. Elk boekje bevat meer dan 30 opgaven voor kinderen van 3 tot 6 jaar. De boekjes zijn leerzaam en amusant, en dat is voor die leeftijd nog steeds een ideale combinatie. Er wordt hier liefst onder begeleiding gewerkt, hoewel dat niet strikt noodzakelijk is en de boekjes zich dus ook als zoethoudertjes aandienen. De opgaven zullen echter wel steeds verduidelijkt moeten worden gezien de doelgroepen nog niet zelf kan lezen. De opdrachten zijn gebaseerd op kijken, nadenken, verbanden leggen, zelf ontdekken. Daarbij mag er gekleurd, getekend, gekleefd en zelfs lawaai gemaakt worden. De opgaven bleven niet beperkt tot de klassieke doolhof en vormherkenning maar getuigen van inventiviteit. Helaas hapert er soms wat aan de vertaling van de bijhorende opdrachten, zowel taalkundig als in betekenis. Bovendien blijken niet alle opgaven te kloppen, bijvoorbeeld “fruitmand” in nummer 4 en “van wie is die koffer” in nummer 5. En dat is dan weer iets te inventief!
Eveneens bij Casterman in de reeks “Samen ontdekken” verschenen een vijfde en zesde deeltje voor de allerkleinsten. Het zijn kijkboekjes, geënt op de concrete leefwereld van het kind. In vier dubbelbladzijden (stevig geplastifieerd karton) met gedetailleerde tekeningen wordt de observering van het kind gescherpt. Deze boekjes zijn bijzonder geschikt om er verhaaltjes aan op te hangen; en dat geldt voor de volwassene maar ook voor het kind zelf want deze prenten betekenen een verrruiming van de concrete leefsituatie via visueel gestimuleerde fantasie.
Dierenboeken doen het natuurlijk ook nog steeds erg goed. Zeker als ze zo mooi geïllustreerd zijn als de reeks “Het leven van de dieren” van Casterman. De harde realiteit van het platteland wordt niet met de fluwelen handschoen benaderd (foto’s en realistische tekeningen van elkaar verslindende dieren zijn legio, met als uitschieter de “provisiekast” van de klauwier), maar daartegenover staan dan toch ook haast ontroerende scènes van nesten en jonge diertjes. In het geval van de (toch nog steeds intrigerende) voorhistorische dieren is er echter voldoende afstand geschapen om zich niet te laten meesleuren, noch door afgrijzen, noch door sentiment. Maar een document is dit boek zeker wél. Echt een schitterende reeks!
Bij Lannoo verscheen ook een uniek boekje. Riet Wille schreef de speelse gedichten, Tine Vercruysse zorgde voor plezante en verzorgde tekeningen in “Raadsels te koop”. Het opzet is reeds alle lof waard: op elke linkerbladzijde staan een zestal raadselgedichtjes die hun oplossing vinden in de tekening ernaast (wie toch gaat dolen kan even achteraan neuzen). De onderwerpen grijpen terug in de dagelijkse kinderrealiteit. Knap idee dus, maar ook de uitwerking in tekst en beeld is professioneel degelijk en amusant. Een onbetwistbare aanrader.
Dat kan ik niet zeggen van “Lukas Konijn, goochelaar (of indianenopperhoof)” van Janosch (Westfriesland, Hoorn), een roman over een jongetje dat niet weet te beslissen of hij later goochelaar dan wel opperhoofd van een indianenstam zal worden. De auteur van dit boek, dat dateert uit 1968, weet wel het standpunt van de jongen inzake grillige fantasie en wensdromen te vertolken. Maar verder dan dit beperkt zweven rond een magere problematiek komt hij niet. Over de realiteit waarin Lukas leeft komen we niks te weten, niet over zijn ouders, vrienden … tenzij wanneer een detail absoluut noodzakelijk is voor het verhaal. En zo blijft de hoofdpersoon een mistig, wazig baasje in een schaduwwereld. Dit zijn 73 bladzijden absurde gebeurtenissen zonder ruggegraat of achtergrond met als enig positief gegeven dat Janosch van Lukas een antiheld heeft gemaakt en zo de jonge lezer leert te relativeren.
MARIETTE VANHALEWIJN
“Met de maan als schuitje” is een bundeling van negentien verhaaltjes voor het slapen gaan van Mariette Vanhalewijn. En jawel hoor, je zou ervan in slaap vallen. Dit is werkelijk zoetekoek van ‘t kan niet meer, met natuurlijk een massa verkleinwoordjes. Nu ben ik de eerste om toe te geven dat men onze kleine ukken moeilijk met Gremlins of Ghostbusters te slapen kan leggen, maar spannende indianen- of dierenverhalen kunnen toch geen kwaad, dacht ik zo. Bovendien, misschien om het goedkoop te houden of omdat het toch vooral een voorleesboek is of om er overdag in te kunnen kleuren of wegens weet ik veel welke reden, maar geen enkel kleurtje in een boek met nochtans vele illustraties (Trui Bauters) is toch wel erg saai (Lannoo, 96 bladzijden, groot formaat). Roddy las en “besprak” van haar “Wie liep daar?” over twee kinderen die in de sneeuw spelen en hun eigen voetsporen voor die van ijsberen houden.
Voor dezelfde leeftijd en van dezelfde oppervlakkigheid is bij de uitgeverij Casterman onder andere de nogal sullige Tierlantijntjes-reeks van Anne-Marie Chapouton en Gerda Muller of “Joost kan toveren” van Michel Baverel en Luis Camps. Ook “Het piepkleine scheepje Pyamabroek” van Janosch is niet bepaald diepgaand, maar de tekeningen zijn zo charmant dat we ze toch niet zo maar terzijde schuiven. Het surrealisme van Janosch wordt door sommige recensenten als positief ervaren, maar naar onze bescheiden mening is dit misschien wel het oordeel van een volwassene en houdt een kind (paradoxaal genoeg) van een strengere logica.
Het allerbeste voor deze leeftijdscategorie zijn echter twee reeksen bij Casterman die beide de didactische toer opgaan. Is de reeks “Spelenderwijs” van Ella Dyst misschien nog een tikkeltje te schools, dan gaat de “Scheerlok Halms”-reeks van Pierre Coran en tekenaar Mérel resoluut de ecologische toer op, waarbij zelfs harde acties niet worden geschuwd (”Minet in nood” en “De jager die teveel rookte”)!
Voor de àllerkleinsten zijn er nieuwe gekartonneerde boekjes van Kim en Pim (”De eerste stapjes van Kim”, “De eerste stapjes van Pim”, “Kim en Pim gaan buiten spelen” en “Kim loopt buiten”), telkens met amper zes tekeningetjes en een minimum aan tekst.
Eveneens didactisch, maar dan voor kleuters van vijf en zes jaar, is “Kribbel krabbel” van Mie Guffens en Willo Gonnissen (uitgeverij Lannoo). We zouden bijna schrijven: de naam zegt het al, want dit hoogst eenvoudige verhaaltje gaat over twee potloden die een papier volkrabbelen. Op het eeste gezicht zijn de gedrukte krabbels trouwens nauwelijks te onderscheiden van écht kleutergekribbel. Vandaar ons scepticisme, zeker als men rekening houdt met de prijs. Het is allemaal goed en wel als in een pedagogisch bijlaagje achteraf wordt gesteld dat dit boekje de kleuters wil aanzetten zelf creatief te zijn (lees: te kribbelen en te krabbelen), maar ons inziens kan dat ook op een veel goedkopere manier, namelijk met twee échte potloden en een vel papier.
De aller-allerkleinsten worden ook niet vergeten bij Casterman: voor hen is er de reeks “Samen ontdekken” waarbij aan de hand van zes gekratonneerde bladen een visueel beeld wordt opgeroepen van onder andere winkels, het platteland, de stad en de verschillende kamers in een woning. 175 frank voor zo één “boekje” is natuurlijk niet niks, maar hopelijk kunnen ze tegen een stootje (binnen een paar maanden zullen we u hiervan op de hoogte brengen). Rolpatronen (een oud zeer) worden in de tekeningen zeker niet doorbroken, maar ze worden ook niet extra in de verf gezet.
NAAR DE HEMEL GEVLOGEN
Zo’n papa die wèl weent, komt voor in “Birgit” van Gudrun Mebs, een uitstekend boek over een meisje dat sterft aan een hersentumor. Het is geschreven vanuit het standpunt van haar jongere zusje, waardoor het hele proces voor jonge kinderen (doelgroep: vanaf 7 jaar) zeer verstaanbaar wordt. Daarbij worden menselijke trekjes niet over het hoofd gezien “toen ze dat zei, klonk het alsof ze boos op me was omdat ik nog gezond was en Birgit ziek. Want Birgit is haar lieveling, dat wist ik al lang”, maar ook “Die akelige rekensommen heb ik helemaal verkeerd opgelost, maar juffrouw Verelst was zeer mild en zei dat het niet erg was, en de anderen gaapten mij aan, vol jalouzie. Want bij hen is het wel erg als hun rekensommen fout opgelost zijn, maar ze hebben immers geen zieke zus in de kliniek”. (Pagina 19 en 20).
Alleen maar jammer dat ook hier een paar taal- en zetfouten zijn binnengeglipt (”baby’s” pagina 25, “papa zei dat dat de regels was” pagina 28, “alemaal” pagina 46), maar spijtiger is dat er ook gebeden wordt “zoals in de kerk” (pagina 34) en dat er gezegd wordt dat de ziel van Birgit “naar de hemel is gevlogen” (pagina 51). Op zich is daar natuurlijk niets tegen, maar het is zo discriminerend voor lezertjes die niet gelovig zijn opgevoed.
HET VERDRIET VAN MARIJKE
Na “Het verdriet van België” schotelt Infodok ons nu ook “Tienerverdriet” voor en die tiener is Marijke, een meisje zoals er wel veel zijn in België. Eigenlijk is Marijkes verdriet ook een beetje het verdriet van (jong) België.
Marijke is vijftien en dus “geen katje om zonder handschoenen aan te pakken” zoals haar moeder (pagina 10), maar ook zijzelf (pagina 57) schrijft. Maar een echt “probleemboek” waarin de abortussen zich opstapelen is het ook niet. Marijke loopt wel weg van huis, maar dankzij een priester en een oma komt het allemaal weer goed. Schrijfster Denise De Veylder (1923) heeft haar vorige week dan ook bij het Davidsfonds en Altoria gepubliceerd … Alles bij elkaar schenkt deze niet geforceerde aanpak toch bevrediging. Matige aanrader voor braaf rebellerende meisjes.
JOOST WEET HET INDERDAAD
Gekke tijd toch, die jaren tachtig. Waar het vroeger de domme jongetjes of de lelijke meisjes waren die de kneusjes waren in de kinderboeken, dan is het nu zowaar een soortement van wonderkind dat het voorwerp is van spot vanwege zijn hele omgeving, ouders en vriendinnetjes inkluis.
“Joost”, zo heet het intelligente knaapje dat fysisch evenwel nogal zwak is uitgevallen en de ondertitel is dan ook “de domme avonturen van een slim jongetje”.
Peter Van Gestel is de auteur en Peter Van Straaten (je weet wal, “Vader en zoon”) maakte er passende tekeningetjes bij.
Een vermakelijk boek, dat een paar langdradige uitweidingen niet te na gesproken, een mengeling is van geestigheden en … droefgeestigheden. Al gauw ga ja als volwassen lezer sympathie opvatten voor het dromerige joch (al is dromerig niet het juiste woord, want het zijn z’n hersens die constant werken), maar of zijn leeftijdsgenootjes vanaf elf jaar, voor wie het boek bedoeld is, er ook zo over denken, dat mag Joost zelf weten. Het zou best kunnen dat zij Joost én het boek eigenlijk maar een zeur vinden. De vaak moeilijke taal zal daar ook niet vreemd aan zijn.
JAN ZIT MET EEN KATER
Met al dat verdriet, zoeken velen hun toevlucht bij huisdieren. Zo heeft Liva Willems El en Els, Paulina uit “Ik ben een wolk” heeft King en Kong en allemaal hebben we misschien ook wel ooit eens hamsters, guinese biggetjes of dwergkonijntjes gehad.
Laten we maar meteen beginnen met het meest aangrijpende werk, “De hond achter het raam”, van Helen Griffiths (uitgeverij Westfriesland). Dit interessante werk dat werkelijk de basithema’s van àlle literatuur bevat, wordt onderbroken gepresenteerd, zodat je haast verplicht bent (ook omdat het zo goed geschreven is), om het in één ruk uit te lezen en dat vraagt dan wel erg veel van je “psyche”, a fortiori van die van een kind. Het verhaaltje is op zich nochtans erg simpel. Alison, een meisje van dertien, leeft wat op zichzelf teruggetrokken. Haar vader heeft ze nooit gekend en haar moeder heeft eigenlijk alleen maar belangstelling voor uitgaan en oppervlakkige dingen. Daarom projecteert Alison al haar liefde op een reusachtige herdershond die, net als zij zou je bijna kunnen zeggen, dag in dag uit voor het venster van een flatgebouw voor zich uit zit te staren. Vooraleer Alison dan uiteindelijk erin slaagt die hond in haar bezit te krijgen, komen er nog een aantal aangrijpende obstakels in de weg die je weliswaar reeds op de kaft kunt aflezen, maar dat vinden we nu wel een beetje overdreven om de inhoud van niet minder dan 123 pagina’s op een totaal van 132 reeds te “verraden”! Maar misschien was de schrijver van die tekst er ook vanuit gegaan dat het eigenlijk niet om feiten ging, maar om gevoelens. En, zoals gezegd, daarvan wordt er een heel scala van bestreken. Relaties spelen bijvoorbeeld een belangrijk rol, liefdesrelaties (huwelijk, echtscheiding, …), maar ook de relatie ouders-kinderen en vriendschap voor mens en dier.
Op een veel aangrijpender manier dan in talrijke “volwassene romans komt ook de onmacht van communicatie naar boven. Zo begrijpt Alisons moeder helemaal niets van haar liefde voor de hond Wolf. Om haar dochter van haar “waanzinnige” idee af te brengen, zou ze haar desnoods “een peperdure porseleinen herder, bijna precies zo getekend als Wolf (geven), al moest ze daar tien winkels voor aflopen”.
Of er is de relatie van Alison tot Reg, de nieuwste minnaar van haar moeder: “Ze kon hem natuurlijk vragen om nog wat te blijven, maar ze was boos op hem omdat ze de indruk had dat hij waarschijnlijk nog boos op haar was”. Bijna “platonisch” dus, in de betekenis dat menselijke relaties meer op schijn, op indrukken, op vermoedens worden gebaseerd dan op het wezen, de realiteit, zodat je op de duur zoals de punker Jason je gaat afvragen: “Ik? Ik geef om niets. Wat heeft het voor zin? Als je om iets geeft, raak je het kwijt”.
Jammer dan ook dat Alison in haar wanhoop haar bestaansreden buiten zichzelf gaat zoeken, god dus. Op zich maakt het deel uit van dat “zoeken”, zodat het een valabel onderdeel van een jeugdboek kan uitmaken, maar als Reg op haar vraag naar het bestaan van god categoriek antwoordt: “Als hij niet bestond, zou alles volkomen zinloos zijn”, dan werpt dit toch wel een slagschaduw over dit voor de rest prachtige boek. Zelf uitmaken dus of dit zinnetje voor u de overige 132 pagina’s vergalt.
Een andere hond, Piraat, speelt ook een belangrijke rol in “Grapje van Silvester” van Diane Broeckhoven (uitgeverij Lannoo, 100 bladzijden), een boek dat zich echter eerder laat inschakelen in onze rubriek “jeugdboeken over kinderen die van huis weglopen”. Hier is Joke aan de beurt, een Indisch meisje dat door een geitewollesokken-koppel is geadopteerd. Een “Indische mijnheer” sprak haar naam ooit eens uit als het Engelse “joke” (grapje) en zo is het dan ook gebleven. Zoals gewoonlijk is de reden waarom Joke van huis wegloopt inderdaad ook weer een grapje (na een ruzie met har autochtoon-Vlaamse, jonger broertje). Gelukkig blijven jeugdschrijvers meer fantasie te hebben dan reële kinderen, want anders had de politie de handen vol met het zoeken naar onze ukken allen al, laat staan dat er dan nog bij de CCC zouden aansluiten.
Toch is dit boekje van Broeckhoven een meevaller, want naast Grapje is er ook nog een zekere Silvester die er vanonder muist, zoals de titel al laat vermoeden, en deze man heeft wel degelijk redenen! Hij is zopas opgenomen in een tot bejaardentehuis omgetoverde kleuterschool, waar veel werk kwam daar niet bij te pas, want de bejaarden worden echt als kleuters behandeld: na Sasamstraat het bed in, vinger opsteken als je wil plassen en bij je eten geen ferme pint maar heloranje limonade (”of was het spoelwater van de penselen na de tekenles?”). En in het schetsen van deze problematiek (onder andere de relatie tot Piraat) is Broeckhoven uitstekend geslaagd, tot een gemeende ontroering toe zelfs.
Natuurlijk loopt alles uiteindelijk goed af, want zeiden we niet reeds dat jeugdschrijfsters meer fantasie hebben dan Salvator-nonnen, om maar die te noemen?
KATTEN, DRAKEN EN ANDERE INSECTEN
Bij de reeds genoemde uitgeverij Westfriesland verscheen ook een boekje (107 bladzijden) waarin nu eens geen hond, maar wel een aantal katten centraal staan. Het betreft hier dan echter wel zes kortverhaaltjes, die - uiteraard zou ik bijna zeggen - ook veel oppervlakkiger zijn dan het werk van Griffithsen Broeckhoven. Elly Brassinga en Hans Ludo van Mierlo hebben het in “De geheimzinnige kattenmepper en andere verhalen” telkens over een kat die op de eens of andere manier voor herrie zorgt (door een wielrenner ten val te brengen, een reclamespotje of een kattenshow in de war te sturen of eten te pikken) maar telkens loopt het uiteindelijk allemaal goed af en is de kat de held van de dag.
Het titelverhaal zelf is echter een uitzondering, ook al omdat de “menselijke” hoofdrol hierin wordt vertolkt door een jongetje van amper vijf jaar, daar waar de andere kinderen zoals gebruikelijk de leeftijd hebben van diegenen waarvoor de verhalen zijn bedoeld (vanaf tien jaar). Die leeftijdswijziging was nodig omdat het hier gaat om een jongetje dat in zijn onschuld en in zijn pogingen om een aantal katten uit de buurt te helpen in feite hel wat narigheid veroorzaakt. Maar ook dit, wat trieste, verhaal valt uiteindelijk op z’n pootjes, ook al kan dat van de katten in kwestie niet worden gezegd.
Evenmin als van het taalgebruik van deze nochtan Noordnederlandse uitgave. Met de aanhalingstekens is het een hele soep, een dt-fout mag natuurlijk ook niet ontbreken naast tal van “merkwaardige” woorden zoals “wielrenfiets” of “wielrenliefhebbers”. Ook zegt men ergens dat er veel katten en poezen waren. Ja, en veel volk en mensen ook.
Van nog mindere kwaliteit is “Yo-ling-ho, de vliegende vuurtorendraak” van Marianne Clijn (uitgeverij Lannoo, 120 bladzijden). Weliswaar werd dit boek bekroond met de aanmoedigingsprijskamp van de stad Tielt en van Lannoo zelf, maar dat zegt meer over de andere inzendingen dan over dit boek. Waarover gaat dit immers? Over alles en niets! Er wordt kwistig gesprokkeld en sprookjes en mythen van zowat alle werelddelen, dat alles wordt grondig door elkaar geschud en bijgevolg zodanig opgediend dat men er niet meer wijs uit geraakt wat de schrijfster nu eigenlijk wil meedelen. Geen wonder dat men van zo’n cocktail voortdurend moet boeren, winden laten en poepen zoals er constant wordt gedaan in boek.
Is dit een boek om schuchtere kinderen die bij het minste een vuurrood hoofd krijgen gerust te stellen en moed in te spreken, net zoals dat met onze draak gebeurt? In het begin heeft het er de schijn van, maar later wordt dit overspoeld door de hoeveelheid andere motieven. Is dit boek ook bedoeld voor nogal jonge kinderen? Maar waarom dan een tamelijk moeilijke taal gebruiken? Ik zou zo zeggen dat men op z’n minst reeds in het vierde lager zou moeten zitten om het te kunnen lezen, maar anderzijds vinden die kinderen dat wellicht al veel te onnozel voor hun leeftijd.
En wat te denken van nevenintriges zoals de “Groenen” (!) die vergiftigd worden door een Grote Stinkerd of de “slechten” die naar een soort van heropvoedingskamp moeten en hun zelfkritiek moeten maken? Zitten we dan toch in China?
Hoe het dan wél moet, dat illustreert “Mormels paard”. Dat is een malsere biefstuk. Dit boek (112 bladzijden) is dan ook niet van een Hollander maar van een Amerikaanse.
Mormel is een 11-jarige Cherokee-indiaan en Middernacht is z’n paard. Maar eigenlijk was het misschien beter andersom, want dat paard is maar een mormel. Althans dat vinden de Cherokees, zodat zij het niet de moeite waard vinden het terug te halen wanneer het door vijandige indianen wordt geroofd. Dan trekt Mormel er maar zelf op uit. Dit spannende en poëtische verhaal van Joyce Rockwood was werkelijk een verademing tussen al de rotzooi die we de laatste tijd hebben moeten doornemen. Aangeraden al vanaf 10 jaar!
Bernard Lernout brengt in “Avonturen in Binnenwereld” (uitgeverij Lannoo, 132 bladzijden) geen conglomeraat van allerlei mythen en legendes, maar beperkt zich tot die ene bekende: dat van de huiskabouter die de woning beschermt tegen allerlei gevaren. Een typisch motief uit oude sagen wordt hierin uitstekend geïntegreerd: dat beschermen gebeurt vooral bij middel van een soort van toverschild, de prolk, en als dat schild gestolen wordt gaat Tomte de kabouter ernaar op zoek samen met Lien, het “geminimaliseerde” dochterje van de bewoners, en allerlei dieren zoals kevers, muizen, vliegen of wormen.
Het heeft er alle schijn van dat Bernard Lernout dit verhaaltje voor z’n eigen petekind heeft bedacht en het ook in zijn of haar eigen huis laat afspelen en ik heb stellig de indruk dat, althans voor boeken voor jonge kinderen, dit de beste methode is (denken we maar aan “Winnie de Poeh” van Alan Alexander Milne bijvoorbeeld), aangezien op die manier een zeker “realisme” de vaak ongebreidelde fantasie wat in toom houdt.
Jan De Wachter die heeft het echter met zijn zangmuizen Erika en Del niet onder de markt. Zijn moeder heeft er namelijk de pest aan en wil ze zo vlug mogelijk kwijt… op alle manieren, desnoods met de hulp van de kater Gember. Gelukkig zijn Jans zusjes Liesje en Kaat er ook nog om Frika en Del te verdedigen. Maar wat zal Jans stiefvader Willem doen? Die heeft zelf wel witte muizen gehad als klein was, maar nu doet hij alles wat Jans moeder zegt … of toch niet?
“De rel om Frika en Del” is een schitterend boek, dat ik iedereen kan aanraden die van huisdieren houdt… of ze haat.
ZULLEN WE KOEKEN BAKKEN OF MOEDER HELPEN?
Wie ook beoogt dat haar boekjes door de kinderen zelf worden ter hand genomen dat is de uitgeverij Hemma. Maar hier staat dan weer tegenover dat de inhoud aan de erg magere kant is. Het gaat dan ook om boekjes voor kinderen vanaf drie jaar, “Moeder helpen” bijvoorbeeld of “Hondenvriendjes” (weliswaar mooie kleurenfoto’s van honden). Via rijmpjes de kinderen iets aanleren is dan anderzijds een beproefd procédé dat misschien toch wel z’n nu kan hebben. Hiervoor kan vooral “Weet jij hoe laat het is?” gelden, al was het wel gemakkelijker geweest indien er ook links een uurwerk was nagebootst met verplaatsbare wijzers. In “Touky tuinier” (vanaf vijf jaar) probeert men de kinderen een beetje wegwijs te maken in de tuin maar dat schijnt waarempel (sic!) niet zo goed te lukken.
Het Nederlandse taalgebruik is wel meer een struikelsteen bij deze Waalse uitgeverij. Zo wordt het anders zeer fraai uitgegeven “Koeken bakken met Anneke” (vanaf vijf jaar) ontsierd door een flagrante vertaalfout als “dat doet niets” (ça ne fait rien!) en “parapluie” wordt zelfs helemaal niet vertaald. Dat doet ons wél iets!
Bij uitgeverij Dupuis bestaat nu ook een reeks voor de allerkleinsten (vanaf drie jaar). Het zijn kleine gekartonneerde boekjes, ongeveer 15 cm x 15 cm met telkens zo’n 25 bladzijden. De helft daarvan met een mooie, kleurrijke tekening, de andere helft haast volledig wit met grote tekst.
Tot hiertoe verschenen er vier nummers: 1. Het hamstertje van Tina; 2. Tijs en Tea; 3. De pop van Maja; 4. Petra kan al …
Drie daarvan zijn vertaald uit het Zweeds (2, 3 en 4), “Het hamstertje” uit het Duits. Drie zetten aan om iets te doen (1, 2 en 4), “De pop van Maja” daarentegen is nogal banaal. Drie zijn dan ook speciaal bedoeld voor het slapengaan (1, 3 en 4).
Met “Petra kan al …” zijn we het niet helemaal eens. Die boekje is duidelijk ontsproten uit de “trial and error”-pedagogie, iets proberen en we zullen dan wel zien of het tegenvalt of niet. Vooral bedoeld om de ondernemingszin van de kleuters aan te moedigen, heeft deze theorie toch ook minder goede kanten. Zoals trouwens in het boekje zelf voorkomt: “Petra voelt of het water koud is, of warm. Wat kan jij voelen met je handen?”. Nou, je handen in kokend water stoppen kan best eens tegenvallen!
Zelf zijn we dan ook het meest in onze nopjes met het overheerlijke “Hamstertje van Tina”. Ja, daar zouden wij ook wel graag mee spelen!
In de serie Dolfijnboeken van Lannoo verscheen “Een poes in een put in je hoofd” van Hugo Brems. Maarten is een jongen die in zijn fantasiewerelden allerlei gedaanten aanneemt en talloze avonturen beleeft. Een spannend boekje dat aansluit bij de verbeelding van de lezer, terwijl de werkelijkheid toch steeds weer opduikt, vaak in ironische, soms tragische details. Een poëtisch boek ook, met een duidelijke katharsis die alles relativeert. Ik vraag me wel af of de jonge lezer (vanaf 8) deze grillige fantasie, die ongetwijfeld ook wel de zijne is, op papier kan volgen en tot een coherent geheel smeden. Als illustratie voor de ontwikkelingsspychologie is dit zeker een interessant werk, dat de evolutie van de verschillende ik-jes en het letterlijk en symbolisch samensmelten daarvan, aantoont. Als illustratie van de leefwereld van het kind zeer aanbevolen; als ontspanningslectuur zie ik het toch voor iets oudere lezers, vanaf 12, die ook de knipoogjes als kunnen begrijpen.
EEN BEESTENBOEL
Of het nu al of niet gefingeerde poezen of eenden zijn, ik kan me haast geen enkel jeugdboek voor de geest halen waarin géén dier voorkomt op de een of andere manier. Een verzameling dierenverhalen (Jennifer Kavanagh, Een boek vol dierenverhalen, uitgeverij Westfriesland, 138 bladzijden) leek me dan ook een uitstekend idee. Toch is het geen meevaller geworden en dat om verschillende redenen.
Ten eerste is er de selectie. Altijd een combinatie van zakelijke aspecten (wat màg worden overgenomen en wat niet) n van persoonlijke smaak natuurlijk, maar sommige stijlen zijn toch echt te uiteenlopend om onder één hoedje te worden gevangen. Vooral de allegorieën zijn volgens mij niet op hun plaats (”Hoe de angst ontstond” van Rudyard Kipling en “De dans van buffalo” van Leon Garfiels). Zoals men weet gaat onze “Reinaert de Vos” bijvoorbeeld ook niet over dieren…
Hetzelfde kan men - om andere redenen - stellen bij “En toen kwam de kat” van Barbara Lacey (overigens vergeten in de voor het overige ook zeer onvolledige inhoudstafel) dat mij niet echt geschikt lijkt voor kinderen. Dat is trouwens zeker niet het geval bij het cynische “Esmé” van H.H.Munro. En ook de mentaliteit van “De verdwaalde zee-arend” (T.O.Beachcroft) staat me niet aan (een jongen moet zich helemaal laten openrijten door een zee-arend, vooraleer zijn vader een beetje respect voor hem kan opbrengen).
En dan is er de taal. Ik zal daarover blijven doorzeuren tot uitgevers daarvoor een beetje respect beginnen te tonen want vertaalster Corry van der Hulst heeft ze ook hier weer genoeg “opengereten”. De meest merkwaardige woorden en zinswendingen kom je hier tegen. Wist je bijvoorbeeld dat het meervoud van knecht “knechts” is? Om dan nog te zwijgen over de ridicule Hollandse aanpassingen die Tante Corry heeft aangebracht in dit Angelsaksische boek (de Vlaamse kinderen kunnen natuurlijk de pot op): zo leest de familie Digby-Jones “De Telegraaf”, gaan ze naar “Paleis Soestdijk” en vieren ze “karnaval boven de Moerdijk”.
Is het dan allemààl huilen met de pet op? Welnee, om op de traditionele optimistische noot te eindigen: het verhaal “Vechten en veren” van Jan Mark over het allergische jongetje is mooi, terwijl op z’n minst twee van de vier nog niet opgesomde verhalen (we kunnen niet té veel in detail treden) ook aandacht zouden verdienen.
Een bekend kinderboek over dieren is uiteraard ook “Dr.Dolittle” van de Amerikaan Hugh Lofting (1886-1947). Lofting kreeg de inspiratie hiervoor hier in ons land toen zijn zoontje hem vroeg om hem te schrijven hoe het eraan toeging in de loopgraven aan de IJzer. Lofting vond dat de waarheid toch iets te cru was voor het jongetje en begon te fantaseren hoe de paarden, die toen nog deel uitmaakten van een leger, daarover zouden praten. En zo kwam hij bij het idee van een professor die met dieren kon praten. De naam van de professor verwijst overigens ook naar zijn zoontje, dat nogal aan de luie kant was.
Loftings vrouw bracht de gebundelde verhaaltjes naar een uitgever en in 1920 zag “The story of Dr.Dolittle” het licht. En dan kwam natuurlijk het bekende verhaal van de sequels en de schrijver die op de duur gefrustreerd geraakt omdat hij liever als “echte” schrijver erkend wil worden. Daarom liet hij in 1928 zijn hoofdpersonage achter op de maan, met de bedoeling hem daar voorgoed aan zijn lot over te laten. Zo hadden de lezers het niet begrepen en in 1933 moest hij hem met “Dr.Dolittle’s Return” terughalen.
Alhoewel Lofting strikt moraliserende bedoelingen had met zijn verhaal (als we wat meer naar elkaar zouden luisteren, zouden we minder ruziemaken), sijpelt er hier en daar wel wat we zouden kunnen noemen “alledaags racisme” door, een kwaal die toen nog bij vele blanke Amerikanen leefde. Het is dus wel ironisch dat in 1998 de zwarte steracteur Eddie Murphy gestalte gaf aan de beroemde professor.
POEZIE
Tussen zijn twee romans schreef Willy Van Doorslaer in 1994 ook een dichtbundel (”Dit is het bos, verdwaal hier maar”). Kinderpoëzie is een zeer veronachtzaamd genre, vooral dan nog in onze Vlaamse contreien. Vanaf het ontstaan in de romantiek (met onder ander de “historische” pruimen van Jantje, hem toegedicht door Hiëronymus van Alphen) tot de “renouveau” van Annie M.G. Schmidt bleven de Vlaamse kinderen dan ook haast uitsluitend aangewezen op de konterfeitsels van onze Noorderburen. Twee van onze grootste poëten, met name Guido Gezelle en Paul van Ostayen, hebben weliswaar enkele van hun meesterwerkjes op de rijmpjes en liedjes van het kind geënt, maar als “kinderdichters” zijn zij vaker de geschiedenis niet ingegaan.
Dit heeft terecht kwaad bloed gezet bij Jan Van Coillie, die zich aan de Katholieke Universiteit van Leuven sedert enige jaren over dit geminachte kind van moeder literatuur ontfermt. Het resultaat van zijn passie vinden wij in een mooi verzorgde bloemlezing die de titel “Ma er zit een dichter in mijn boom” meekreeg. Zo’n 200 gedichten en 60 auteurs zijn opgenomen, allen van na 1960, aldus de auteur, maar dan wel met deze correctie dat in het geval van vertaalde poëzie de datum van de vertaling en niet van de oorspronkelijke publicatie wordt gesteld (zo schreef Alan Alexander Milne zijn “Now we are six” en “When we were very young”, in de jaren twintig, maar pas in de jaren tachtig werden ze door Nannie Kuiper vertaald).
Om uit z’n frustratie te komen, deed Van Coillie ook een speciale inspanning om veel Vlamingen aan bod te laten komen. Hiervoor moest hij onder andere zijn toevlucht nemen tot publicaties in kranten (zoals volgend gedicht), wat het werk een extra dimensie geeft. Zoals Armand Van Assche, één van onze weinige “erkende” dichters die zich ook op kinderpoëzie hebben toegelegd (met “De zee is een orkest”), echter terecht bij de voorstelling opmerkte: het was niet nodig hen in de index met een VL te stigmatiseren.
Over indexen gesproken, de auteur heeft er ook één aangelegd van een aantal trefwoorden, zodat deze bundel ook in het onderwijs bruikbaar wordt. Stippen we tenslotte nog de leuke tekeningetjes van Paul de Becker aan en het feit dat dit werk eigenlijk reeds zo’n bekroning heeft gehad. De auteur vermelde namelijk dat er een jongetje was dat op de blank gebleven bladzijden onder korte gedichten zélf nog enkele strofen bijschreef. Een beter compliment is ons inziens niet denkbaar.
Laten we tot slot er nog op wijzen dat ieder die geïnteresseerd is in jeugd- en kinderliteratuur terecht kan bij een gespecialiseerd tweemaandelijks tijdschrift “Pluizer”, uitgegeven door de Pluralistische Organisatie voor Bibliotheekwerk in samenwerking met Infodok.
Ronny De Schepper
Mag ik, ter verdediging van mijn grootvader Staf verrept, er toch nog even bij vermelden dat Meesje dateert uit 1983, hetgeen het verouderde taalgebruik misschien toch ook een beetje kan verklaren?
Groetjes, Inge