Vannacht om half één op BBC 2 de documentaire “If it ain’t Stiff…” over de platenfirma Stiff Records van Dave Robinson en Jake Riviera die vooral faam maakte tijdens de zogenaamde “punkperiode”.
Toen ik op De Rode Vaan werkte, werd er geregeld vergaderd met de diverse medewerkers die over cultuur schreven. Want dat waren er nogal wat. In plaats van dat dit geapprecieerd werd, kregen we daar in partijkringen juist veel kritiek voor. Omdat er niet zoveel medewerkers waren voor de economisch-sociale en politieke rubrieken, zoals je van De Rode Vaan toch zou mogen verwachten. Liever dan in eigen ziel te kijken, kreeg de cultuurredactie het dan maar te verduren.
Overigens is het zeker niet zo dat ik hiermee een pluim op mijn eigen hoed wil steken, want deze vergaderingen bestonden al toen ik op mijn beurt nog slechts een medewerker was. Ik herinner me nog goed de allereerste vergadering die ik mocht bijwonen. Dat was op het appartementje van Chantal De Smet in de Sint-Jansvest in Gent, hetzelfde appartement waar later hoofdredacteur Piet Lampaert en nog later collega Jan Mestdagh zouden wonen. Je zou het m.a.w. de “Gentse redactie” kunnen noemen!
Dat was in 1977, het jaar van de punk zeg maar. Ik weet het, punk is wel “ouder”, maar in de jaarlijkse pop-poll van Humo was het in 1976 nog als “meest overroepen verschijnsel” uit de bus gekomen. Maar ondertussen was Humo bijgedraaid en aangezien dit blad de trendsetter is (was?) bij linkse jongeren, was punk in 1977 een “hot item” geworden (*). Toch waren er sommige “progressieve” jeugdclubs die punks de toegang ontzegden. Een lezersbrief van een club in Oostende, die op die manier onder vuur kwam te liggen, was de aanzet voor mij om een reeks over “pop en fascisme” voor te stellen.
Die vergadering (en eigenlijk de hele cultuurpolitiek achter de schermen van De Rode Vaan) werd toen geleid door Freek Neirynck, die zelf echter niet voor het blad schreef, tenzij af en toe onder een pseudoniem. Freek vond het een fantastisch voorstel en wilde dat hiermee ook de “nieuwe” Rode Vaan (men stapte over van het oude dagbladformaat op een echt magazine) op cultureel vlak zou worden gelanceerd.
Het spreekt vanzelf dat die reeks dus grote ophef heeft gemaakt, niet alleen buiten De Rode Vaan waar ik de hele punkmeute over me heen kreeg (zelfs Amada meende op de wagen te moeten springen door een artikel tegen die “reactionaire” De Schepper te schrijven, maar zij kregen lik op stuk van hun eigen lezers), maar ook binnen de KP, met name met de Jongcommunisten (die natuurlijk hun kansen om aan te tikken bij een bepaald soort jongeren zagen verloren gaan) zou het nooit meer goed komen. Ook al schreef ik later zowel voor Kritis als Graffiti, twee bladen door de Jongcommunisten uitgegeven. Maar dat was dan eerder op vraag van één iemand (een “fan” zeg maar) die daarop op interne vergaderingen wellicht werd afgerekend. Zo herinner ik mij dat hoofdredacteur Jaak Perquy (de enige nog levende communist in Vlaanderen, zoals hij in 2007 nog werd opgevoerd in Het Nieuwsblad) op een persconferentie waarop Graffiti iets te vieren had, mij zat af te zeiken, terwijl ik nota bene de enige was die zowel aan het eerste nummer als aan dat feestnummer had meegewerkt. Sic transit gloria mundi.
Samengevat, ik heb heel lang geaarzeld om deze reeks op mijn blog te zetten. Ook al omdat ik nu dertig jaar later ook wel vind dat ik af en toe kort door de bocht ga. Maar over de grond van de zaak kan ik nog altijd akkoord gaan met mezelf en in tegenstelling tot Marc Didden vind ik dus niet dat verontschuldigingen op z’n plaats zijn…
Pop en fascisme
Het geweld van punkgroepen heeft me steeds tegen de borst gestoten, maar ik durfde het nauwelijks voor mezelf bekennen. Ik wist immers ook wel dat hun geweld zich nu ook tegen mijn generatie begint te keren en dat daar geen ontkomen aan is, het is gewoon de wet van de tijd. Iets verhinderde me echter om me daar maar zo gewoon bij neer te leggen. En dat “iets” was iets heel tastbaars en had weinig, ja niets, met muziek te maken: punkgroepen lopen bij voorkeur met nazi-emblemen getooid en tijdens optredens steken ze hun sympathieën voor Hitler en Cie niet onder stoelen of banken. Killing Joke b.v., maar het meest van al nog een Belgische groep, Hubble Bubble (**).
GEWELD IN POP
In interviews met “linkse” journalisten beweert men dan natuurlijk dat het allemaal niet ernstig bedoeld is, maar – zoals Marc Didden in Humo zeer terecht opmerkt naar aanleiding van een optreden van Alex Harvey (weliswaar geen punk, hij zou hun vader kunnen zijn) – “tien minuten spielerei met Nazi-symboliek (opgestoken armen, zweepslagen, hakenkruisarmbanden) neutraliseer je niet door een dialectisch gemompeld ‘Adolf Hitler was a bastard’, Alex, en kom ons niet vertellen dat de enkele tientallen pubers die tijdens ‘Framed’ de nazigroet brachten dat allemaal deden omdat ze zo lekker de ironie van de zaak snapten. Alles is relatief, behalve concentratiekampen, heeft een verstandige dichter ooit geschreven. En we twijfelen nauwelijks aan de eerlijkheid van Harvey’s anti-militaristische en anti-fascistische taal, maar the medium is nog steeds the message, en het doel heiligt nog steeds de middelen niet”.
Vooral niet wanneer “the message” duidelijk belangrijker is dan “the music” (zoals bij punk), willen we daar zelf nog aan toevoegen.
In zo’n geval wijkt men wel degelijk af van de “geweldtraditie” die altijd bestaan heeft in pop van zodra men werkelijk van “pop” kan spreken (in plaats van “populaire muziek” die niet specifiek voor jongeren was, al vonden er ook hysterische taferelen plaats bij optredens van Frank Sinatra en Johnny Ray maar dan enkel bij het vrouwelijke publiek, van “geweld” kon je dus niet spreken). Het heeft bijgevolg niet de minste zin de punkrellen te vergelijken met de opkomst van de rock’n'roll of Beatlemania (en ook niet met rellen na voetbalwedstrijden trouwens, want hier schuilt ook geen ideologie achter, tenzij misschien in Zuid-Amerikaanse landen en dan is het precies een uiting tégen dictatoriale regimes).
We hopen dit duidelijk te maken door een schets te geven van de evolutie van het geweld in de popmuziek. En alhoewel zal blijken dat we zullen moeten oppassen met politiek geladen termen op dit riskante terrein kunnen we grosso modo toch stellen dat dit een evolutie van links naar rechts is.
VECHTEN EN ROCKEN AROUND THE CLOCK
Als “bewijs” dat het punkgeweld niet rechts kan zijn, haalt men dikwijls aan dat punks jonge werkloze arbeiders zijn die op die manier reageren tegen het kapitalistische systeem. Gewis en zeker, maar wat stellen ze in de plaats? Vergeet niet dat ook groepen als VMO en dergelijke er prat op gaat “zowel tegen het communisme als tegen het kapitalisme” te zijn. Punks willen tabula rasa maken met deze maatschappij om op de puinen ervan een sterke staat op te bouwen. Natuurlijk doen dergelijke grote woorden belachelijk aan als men ziet hoeveel punks er in werkelijkheid zijn. Dit mag echter niet beletten dat we uitbreiding van het verschijnsel met alle middelen moeten tegengaan. Er is geen enkele reden bijvoorbeeld waarom men tegenover punk toleranter zou moeten staan dan tegenover de VMO. Zeker niet wegens hun muziek.
Als men blijkbaar van de veronderstelling uitgaat dat men enkel goede muziek kan maken in nazi-uniform wel dan hoeft het voor mij niet. En het blijft trouwens nog een grote vraag of “echte” punks goede muziek maken.
De kaarten liggen in 1977 dus heel anders dan in 1954 bij de opkomst van rock’n'roll. Rock was immers ook een muziekvorm van jonge arbeiders, maar geboren uit overvloed. Een beetje zoals later de provo’s reageerden de rockers tegen de verveling en de welvaartstaat. Wel welvaart maar geen wel-zijn! Het is duidelijk dat bij de aanvang althans het geweld van rockfans niets te maken had met fascisme. Integendeel zelfs, rock’n'roll heeft in zeer sterke mate bijgedragen tot de ontvoogding van de zwarten. Ik wil hiermee zeker niet ontkennen dat er nog veel misbruiken waren (vooral op het vlak van copyright), maar niet alleen kregen de zwarte artiesten een ruimere vertegenwoordiging op de hit-parade (meer zelfs dan de werkelijke procentuele verhouding), ze kregen een zekere welstand en moesten dus niet meer creperen in de goot zoals zovele blueslegenden, en vooral: ze konden zingen en spelen zoals ze zelf wilden en niet zoals de blanken het wilden (waardoor het vroegere succes van Nat King Cole bijvoorbeeld verklaard wordt).
Bijgevolg sprongen vele extreem-rechtse groepen zoals het American Legion op de bres om te trachten de verspreiding van rock tegen te gaan. We zaten toen volop in de koude oorlog en men zag in “rock” een onderdeel van een communistisch complot om de jongeren te ondermijnen door seks en rassenvermenging en hen tot opstand aan te sporen. Ironisch genoeg is het juist de brave Nat King Cole geweest, die het ernstigste slachtoffer is geworden van zo’n hetze. In Alabama werd hij namelijk door extreem-rechtse elementen van het podium geranseld.
Maar toch, merkt criticus George Melly op, werd rock ook gewantrouwd door linkse intellectuelen. Ook zij zochten achter deze “rage” een “brein”, een opzet, namelijk de verloedering van de arbeidersjeugd. Het geweld dat rock uitlokte, was volgens hen géén bedreiging van de gevestigde maatschappij, maar had integendeel een katalyserende functie, dit wil zeggen men legde het erop aan dat de jongeren hun agressie kwijt konden tijdens optredens door bijvoorbeeld de banken te vernielen of achteraf slaags te gaan met de politie. Een functie die nu vervuld wordt door de voetbalsport als het ware. Er zit wel een kern van waarheid in deze opvatting, vooral omdat de verdere geschiedenis deze gedeeltelijk zou bevestigen.
DOOD EN DECADENTIE
Wanneer na verloop van tijd de motivatie tot het geweld voor de rockers was weggevallen (hun idolen waren gerecupereerd door het systeem, denk aan de “bekering” van Elvis Presley na z’n legerdienst), bleef dat geweld alleen over.
En doelloos geweld is altijd rechts geweld. De eerste tekenen aan de wand waren de beruchte strandgevechten tussen Mods en Rockers in Engeland. De Mods (van “modern”) waren een uitvloeisel van de beat-boom, al waren The Beatles zelf geen specifieke Mod-groep, wel: The Who, The Small Faces en The Kinks bijvoorbeeld. Zij hadden ook Amerikaanse navolgers in groepen als Question Mark and the Mysterians en Tommy James and the Shondells. In Amerika gebruikte men toen de benaming “punk” voor deze mensen, maar uiterlijk is er niet de minste overeenkomst met de huidige punks. Muzikaal apen de huidige punkgroepen wel deze mensen na.
De echte fanatieke rockers bleven bestaan (zoals in Zweden de Raggare die het vooral op gastarbeiders, bejaarden, langharigen en linksen hebben gemunt), maar het grootste gedeelte werd opgeslokt door de Hell’s Angels. Deze zijn de eersten geweest die op grote schaal nazi-kentekens begonnen te dragen. De Mods van hun kant verdwenen bijna geheel in de hippie-beweging. Deze kregen het nu vooral aan de stok met zogenaamde “skinheads” (kaalkoppen): gelaarsde herriezoekers die dweepten met Bluebeat (Greyhound, Pioneers), een muziekvorm die we nu vooral kennen als reggae (Bob Marley) en waarvan de aanhangers (vooral uitgeweken Jamaïcanen) geregeld aangevallen worden door neo-fascistische blanke jongerengroepen (het Nationaal Front). Je ziet hoe in pop links en rechts gemakkelijk van plaats kunnen verwisselen!
In New York had toen Lou Reed reeds een hele schare volgelingen gekweekt. Reed werkte niet met fascistische slogans noch met zweep en ketting. Maar hij zong over en zijn hele show ademde een sfeer uit van Dood & Decadentie. Het zou uitmonden in de rage van de zogenaamde nichtenrock, die een vruchtbare bodem zal blijken voor het verwerken van fasciserende tendenzen.
In Reeds kielzog volgden onder andere The New York Dolls (die een “links” imago hadden, namelijk als Rode Gardisten, maar hoe gemeend dit alles was blijkt uit de groep die later uit hun rangen voortkwam: Kiss). Verder waren er nog de travestie Wayne County, The Stooges (met Iggy Pop), Patti Smith (”Hitler is een gemuteerde artiest, hij was een enorme acteur. Als die ooit rock’n'roll bedreven had…”) en Alice Cooper (”De kracht van onze show zit hem eigenlijk in het feit dat wij opnieuw aan cabaret doen, zoals je dat had in Duitsland voor W.O.II, toen iedereen veel interesse had voor al wat decadent was”).
In Engeland heette zijn grootste apostel David Bowie: “Alles gaat naar de bliksem, alleen een dictatuur kan dit weer gezond maken. Er komt een extreem-rechts front dat alles van de sokken slaat en weer zuiver maakt” (Humo 18.9.75). Nadien heeft Bowie dergelijke uitspraken teruggenomen, maar het kwaad was gesticht. “Fans” denken daarover immers niet na, zij assimileren gewoon de ideeën van hun “idool”.
Het ergste is nog dat er een klimaat is gegroeid waarin men pop als “waardenvrij” beschouwt. Guy Mortier: “Als bij wijze van spreken Adolf Hitler zijn boodschap gezongen zou hebben, voor een background van fraaie gitaren en geprodjoest door Nils Lofgren, zou de popfanaat hem wellicht alleen op muzikaal vlak beoordeeld hebben”.
EEN PUNT ACHTER PUNK
Nu kan je Bowie zelf moeilijk als een punk bestempelen, maar men doet dit wel voor zijn “ontdekking” Iggy Pop (al zijn er wel tegenargumenten te bedenken). We hebben immers al gezien dat Iggy Pop eerder thuishoort in de Lou Reed-entourage. Iggy Pop is wellicht de meest expliciete bewonderaar van het fascisme (cfr. zijn artikel in “Punk”) en bovendien wordt zijn destructieve act gretig overgenomen door de (veel jongere) punks, zodat het wel verantwoord is hem als link te gebruiken. Een échte punk is hij echter niet.
Wie dan wel? Eigenlijk is dit een moeilijker vraag dan, afgaande op het toch wel courante “punkuniform” “piekhaar, veiligheidsspelden in oren en wangen, T-shirts met “I hate you” en “We want war”, swastika’s… zou kunnen veronderstellen. De meeste punkgroepen ontkennen immers meestal dat ze punks zouden zijn. De diepzinnigste zelfanalyse komt misschien van Rat Scabies (van The Damned): “Wij hebben allemaal het schijt aan Rod Stewart.”
Indien punk echter georchestreerd is door de “business” – zoals sommigen beweren – dan is de rage terug te brengen op één man: Malcolm McLaren, vroeger manager van The New York Dolls, nu van Johnny Rotten and the Sex Pistols die eerst doorgebroken zijn en “dus” het meest succes hebben (”God save the queen”, “Anarchy in the UK”). McLaren heeft meteen een aantal dure boetieks (voor een kapot T-shirt betaal je daar een fortuin) en sex-shops geopend. De meeste punkplaten worden verspreid op het label “Stiff” (lijk) en dat was een beetje vooruitziend, want de meeste punkers was (letterlijk) geen lang leven beschoren (*). De eerste (en de strafste) was bassist Sid Vicious van The Sex Pistols die in 1979 in het fameuze Chelsea Hotel op 21-jarige leeftijd zelfmoord pleegde, nadat hij eerst zijn vriendin Nancy Spungen had vermoord.
In de Verenigde Staten is er een gelijkaardige beweging die men “New Wave” noemt. Hier draait alles rond een kroeg: CBGB’s. Een paar namen? Television, The Ramones en de meisjesgroep The Runaways (”Met een zangeres die net de dochter van Iggy Pop en Brigitte Bardot is”).
Maar terug naar Engeland: ook typisch is dat men ondanks de nazi-symbolen toch een afzet probeert te vinden bij een links gehoor. Het conflict tussen de multinational EMI en de Sex Pistols zou moeten bewijzen dat Rotte Johnny en zijn knapen “links” zijn. De werkelijkheid is iets gecompliceerder: de bazen gaan inderdaad niet akkoord met de vuilspuiterij van de Pistols, maar het verkoopt en wat kun je als kapitalist meer wensen? De druk die op EMI wordt uitgeoefend komt dan ook van onderaan: tijdens de opnames maakten de jongens het zo bont dat bij een volgende sessie het arbeiders- en bediendenpersoneel gewoon het werk neerlegden met de eis dat de groep geen poot meer in het gebouw zou zetten (volgens “l’Humanité Dimanche” zouden ze bijvoorbeeld een secretaresse verkracht hebben).
Volgens een Humo-lezer zou The Clash “de vinger op de wonden van het hedendaagse Groot-Brittannië leggen: sociale voorzieningen, rassenproblemen, werkloosheid, corruptiepolitici, politiegeweld, enz. Daarbij vervallen zij niet in fascistische slogans en ideologie, maar zij zoeken een alternatief naar de linkse kant op.” Hierover ondervraagd zei zanger Joe Strummer (gewezen skinhead): “Ik weet niet eens wie de fucking Eerste Minister is.”
Tot slot nogmaals duidelijk stellen: wij spreken hier niet over de waarde van punkmuziek “op zich”, gewoon omdat wij weigeren pop als “waardenvrij” te beschouwen. Zolang punkgroepen en/of hun fans denken met fascistische taal, tekens of actie te moeten uitpakken om hun muziek te onderstrepen, raden wij alle medewerking aan de verspreiding van dit verschijnsel (bijvoorbeeld door de “mode” te volgen, naar concerten te gaan of, nog erger, te organiseren, platen te kopen) af. Van zodra deze jongeren echter hun verstand beginnen te gebruiken en zich ofwel louter concentreren op hun muziek ofwel hun maatschappelijke functie beter analyseren, zijn wij bereid onze mening te herzien.
POST-SCRIPTUM
Ongeveer tien jaar na punk dook plotseling “oi!” op. Hierover was iedereen het vrij eens dat het hier pure fascistische skinhead-muziek betrof. Voorbeelden: Skrewdriver, Stigger en Standrecht. Toen in 2006 echter een jongeman in Antwerpen racistische moorden pleegde onder invloed van de Blood and Honour-website voor Oi!-aanhangers, verscheen er in Humo meteen een lezersbrief van ene Ben Verbeeck uit Kapelle-op-den-Bos om erop te wijzen dat oi! “(politieke) muziek voor zowel linkse als rechtse mensen” was. Als linkse oi-groepen citeert hij dan The Oppressed en Loikaemie.
Tegelijk zet hij een “misverstand” recht dat gegroeid is in verband met het dragen van boots (standaarduitrusting) met rode veters: dat zou “betekenen ‘dat je al iemand goed bij elkaar hebt geklopt’. Integendeel, de meeste (extreem-)rechtse skinheads weren rode veters juist, omdat rood de kleur van het communisme is.”
And the only good communist is one who’s dead natuurlijk. Nothing changes, everything remains the same.
Ronny De Schepper
(*) Humo heeft dit lange tijd uiteraard ontkend, pas zeer recent (in Humo van 24/8/2007) geeft Marc Didden (de toenmalige popredacteur van dat blad) toe dat hij oorspronkelijk punk ook niet zag zitten: “The Kids hadden het in het begin zéér moeilijk. Ik herinner me een concert in de Alma in Leuven waar ze door allerlei puistige studenten in groene Tiroler-lodens uitgejouwd werden. Beschamend, maar ook een beetje Humo’s schuld. Humo was de punk in het begin niet erg goed gezind. Mea culpa. Ik begreep niet meteen dat de eerste platen van de Sex Pistols en de Ramones en dus ook de Kids ronduit fantastisch waren.” Alhoewel ikzelf dus ook een beetje gemilderd ben in mijn standpunt, vind ik nog altijd dat verontschuldigingen eigenlijk niet op hun plaats zijn. Maar het anti-intellectualistische ondertoontje (“puistige studenten”) toont nog steeds aan van waar de wind waait natuurlijk.
(**) De reeks “pop en fascisme” is inderdaad o.m. tot stand gekomen omdat de Brusselse groep Hubble Bubble zich liet opvallen door met nazivlaggen te zwaaien op het podium. Lang heeft deze groep echter niet bestaan, toch niet in de oorspronkelijke formatie. Drummer Roger Jouret leende zijn uiterlijk aan de stem van Lou De Prijck en Plastic Bertrand was geboren. Bassist Daniel Massart ging nog een beetje verder: die reed zichzelf te pletter tegen een paal. Zo bleef zanger-gitarist Alain Von Bür alleen over. Voor de elpee “Faking” (1979) werd nog een zanger-gitarist ingehuurd, Danny Joan, en niet minder dan twee drummers.
(***) Het zou duren tot 1959 vooraleer rock ook aanvaard werd door studenten, in een zeer verwaterde vorm dan nog wel, de zogenaamde highschool-rock van mensen als Bobby Rydell (zie op deze blog onder “de Bobbies”).
(****) In De Rode Vaan schreef ik destijds dat het “stijve” betekende, waarop ik openlijk terechtgewezen werd door wijlen Jacky Huys, toen hij gastspreker was in mijn reeks “muziek en maatschappij” voor Elcker-Ik in Gent. Aangezien “lijk” inderdaad meer voor de hand lag, liet ik mezelf lijdzaam afmaken, terwijl ik nochtans een bewijs voor het grijpen had. Helaas zag ik de aflevering van de serie ‘Allo ‘Allo waarop ik me kon beroepen pas vele jaren later: René ligt in bed (met Mimi onder de dekens verstopt) na een dag vol avonturen. Zijn vrouw Edith is daarom vol begrip: “You must be feeling very stiff,” zegt ze. En René beaamt dat volmondig met een blik op de plaats waar Mimi verborgen zit, die dat ongetwijfeld eveneens “volmondig” beaamt… Eveneens later was er de bekende film “The Full Monty”, waarin Gerald gegeneerd herinneringen ophaalt aan de eerste keer dat hij in het zwembad meisjes in bikini zag: “I got a stiffie!”
YOU’RE NOT ALONE
Ik was in die tijd niet de enige die zich tegen punk keerde, zij het dat de meeste “medestanders” zich eerder op het “modeverschijnsel” concentreerden i.p.v. een ideologisch standpunt in te nemen.
Jef De Visscher (Kandahar): “Ik vind punk niets. Eigenlijk zou men het verschijnsel moeten negeren, er niet over schrijven bijvoorbeeld. Want alles wat men erover schrijft is in feite publiciteit en dat is het niet waard. Er zitten wel een paar talenten tussen, maar die zouden er ook wel geraakt zijn, zonder de hele poeha eromheen”.
Jean-Pierre Goossens (The Bluebirds): “Punk is junk. Maar ik kan de reactie van de jongeren die met een eigen muziek voor de pinnen willen komen, best begrijpen. In de jaren vijftig en zestig kón dat, compromisloze muziek maken en toch een afzet vinden, maar nu is men dat gaan standardiseren. Als je nu met een nummer afkomt, wordt dat gemeten aan de bestaande normen, de ‘trend’. En als je tegen die trend ingaat – of als zo’n A&R-mannetje van een platenfirma dat nog maar dénkt – dan kun je het afbollen. Vandaar dat er bijvoorbeeld door de gevestigde firma’s geen rauwe muziek meer wordt uitgebracht. Het zijn allemaal gladde, gepolijste, uitgestippelde producties. Het is dus normaal dat de jeugd die zich eens wil uitleven naar een ‘nieuwe’ muziek gaat zoeken. Als ik 18 zou zijn (ik ben nu 24), zou ik wellicht ook een punk zijn, want die opstand tegen die industriële disco-muziek daar kan ik inkomen! Dat men schrijft dat ABBA The Beatles van de jaren zeventig zijn, dat zegt genoeg”.
Nochtans zegt Björn Ulvaeus (Abba): “Ik hou van punk. Punks zijn net zo eerlijk over hun muziek dan wij over de onze… Ik geloof niet dat zij onze tegenpolen zijn. Frida en Anna ontmoetten Johnny Rotten op het vliegveld van Stockholm. Hij kwam naar hen toe en vertelde dat hij Abba een goeie groep vond. Ik vond hun plaat ‘God save the queen’ heel erg aardig.”
Johnny Rotten (The Sex Pistols): “De meeste punkgroepen knoeien maar wat met clichés en vervelen de mensen die betaalden om naar hen te komen zien”.
Rod Stewart: “Men zegt dikwijls dat punkgroepen dezelfde muziek spelen als wij tien jaar geleden, maar wij speelden tenminste niet vals. Daar gaat het echter niet om. Als zij zich zo willen uitdrukken, is dat hun goede recht. Het is als moderne kunst, zie je, het is een kwestie van vrije expressie”.
Dirk Van Esbroeck (Rum): “Ik heb nog niet veel punkmuziek gehoord. Ik heb wel horen zeggen dat de muziek op een niet al te hoog peil staat, maar dat vind ik geen bezwaar. In het begin van de jaren zestig was dat, buiten The Beatles, trouwens ook het geval. Daarom denk ik wel dat er uit de punkbeweging toffe dingen kunnen voortkomen, net zoals vijftien jaar geleden. Maar wat ik tot hiertoe gehoord heb, vind ik muzikaal twee keer niks. Ik heb ook de indruk dat de punkrage door de commercie zwaar over het paard wordt getild. Nu hebben ze precies iets gevonden waarmee ze weer een nieuwe markt kunnen creëren. De voornaamste slachtoffers zijn trouwens de punks zelf die denken: we zijn van de straat, we gaan eens goed geld verdienen. Dat vind ik wel jammer”.
Johan Verminnen: “Ik vind het normaal dat muziek de gevoelens weerspiegelt van een generatie. Zo had je vroeger mensen als Beatles, Stones en Who, die eigenlijk beter waren dan punk omdat hun teksten zoals ‘My Generation’ – beter weergeven waar het eigenlijk over gaat. Maar het is wel een belangrijk fenomeen. Zoals steeds zit er natuurlijk kaf onder het koren maar ik ben ervan overtuigd dat er belangrijke mensen uit naar voren zullen treden”.
Walter Ertvelt: “Punk lijkt mij duidelijk een product van de verveling van de jaren ‘70. In een periode van grote werkloosheid is het logisch dat er een heleboel jonge mensen muziek gaan maken. En dat met beperkte middelen. Het is zeer interessant dat we vaststellen dat er een aantal jonge mensen zich gaan afzetten tegen de gevestigde rockbonzen. Negatief zijn wel de uiterlijke verschijnselen die daarbij komen en die me inderdaad nogal fascistisch toeschijnen.
Toch denk ik dat we daar niet zwaar moeten aan tillen. Rock heeft dit stééds gehad, van in de jaren vijftig al. Zoveel mensen die bij elkaar komen en die men vanop het podium manipuleert (handen klappen, rechtveren, meezingen, …), dat is altijd een vorm van fascisme. Ik herinner me zo enkele jaren geleden een optreden van Slade. Of ik denk aan de grote festivals als Wight en Woodstock. Maar ik vind dat ongevaarlijk, omdat wanneer zich een verschijnsel voordoet zoals hier nu punk, het toch ogenblikkelijk gerecupereerd wordt door het systeem. Er zit natuurlijk bij die punk wel één aspect aan en dat is dat fascisme eigenlijk iets is waarmee men niet kan lachen. Toch vind ik het ongevaarlijk want het feit dat groepen als Eddie and the Hotrods, The Runaways en andere, hier bij ons doordringen, ‘bewijst’ dat ze al ingekapseld zitten in het systeem. Maar zij zijn natuurlijk slechts het topje van een ijsberg. Ik kan me voorstellen dat er op dit moment duizenden groepjes overal actief zijn en dat is zeer positief, als je rekent in welke impasse we zaten in de jaren zeventig.”
Peter Koelewijn: “Ik geloof niet in punk. Punk is net zoals hoola-hoop. Dat duurt gewoon een jaar en dan is het over…”
Jef Elbers: “Punk interesseert me niet. Het lijkt me zo weer een rage gecreëerd door de haarkappers. Totaal marginaal. Als ik om me heen kijk, zie ik geen punks. Dat heeft niets met het volk te maken”.
Er waren natuurlijk ook mensen die er anders over dachten en soms waren het zelfs degenen die ik het meest aan het hart drukte:
Raymond van het Groenewoud: “God save the queen vind ik een tof nummer. Ik word ook koud als ik zie dat journalisten schrijven over punk zoals mijn ouders in mijn tijd over The Beatles. En het zogenaamde fascisme van de punks. Alweer: wat is fascisme in zo’n geval? Als The Rolling Stones destijds Street Fighting Man zongen dan vond men dat een revolutionair nummer”.
Roland: “Punk is enorm. Ik ben daar geweldig enthousiast over”.
Kamagurka, jaren later in “De Morgen” (18/1/1997): “Vroeger kwam veel van wat we deden voort uit de punkgedachte. Ik vraag mij nu af of de punk wel heeft bestaan. Het zal wel een soort illusie geweest zijn, of een marketingproduct. In dat klimaat was zogezegd alles mogelijk, maar je moest er toch niet aan denken om bijvoorbeeld dwarsfluit op een podium te spelen. Je zou die dwarsfluit wellicht op een onverwachte plaats hebben teruggevonden, waar ze trouwens ook thuishoort.”
Alhoewel tenslotte laten we (nomen est omen) accordeonist Marino Punk aan het woord: “Punk betekent: doen wat je wil, waar je zin in hebt, geen mode of wetten volgen, je eigen wetten stellen. Die attitude spreekt me aan: je kleedt je zoals je wil, je gedraagt je zoals je wil en het is niet omdat je andere schoenen aanhebt dat je er niet bijhoort. De punkbeweging heeft een heel open ingesteldheid. In Aarlen heb ik eens accordeon gespeeld tussen allemaal grote punkgroepen – toch zijn die mannen beginnen pogoën op de tonen van mijn accordeon. Ik heb toen wel een beetje rapper moeten spelen (lacht).” (Zone 09, 7/2/2007)
beste ronny
ik ken je niet en ik explikeer seffens hoe ik op je blog ben terechtgekomen.
goed gelachen met je oude 8super gedateerde en ietwat naieve) artikels over punk, net iemand die in een plots verduisterde kamer zijn weg aan het zoeken is.er is ondertussen veel veranderd in de wereld en we zijn allen wat ouder en in het betere geval ook wat wijzer geworden.
ik hou ervan om van menig te verschillen.
volgens mij was punk zoals dat ik dat ervaar zeker links.
denken we maar aan de eigen beheer producties, de DIY attitude tegen de groet concerns, de independent platenfirma´s, groepen die hun platen auteursgewijs ondertekenen met de groepsnaam en niet als individuen, de broederschap met de rasta´s, het feit dat vrouwen plots als muzikanten in groepen verschenen, het feit dat groepen plots meer raciaal gemengd werden et j´en passe mon cher.
volgens mij heeft punk niks te maken met hakenkruizen en hanekammen maar is voor mij wel een van de creatiefste en meest invloedrijke kunststromingen van de afgelopen 100 jaar en die invloed is nu nog steeds merkbaar in alle kunstromingen van muziek over fotografie, grafiek, film, toneel en de wijze waarop de media nu met het publiek omgaan.
voor mij heeft punk ook maar enkele maanden geleefd in het voorjaar van 1976 tot het einde van 77 al wat er daarachter gekomen is oi punk, hanekammen en 15 jaar later de commerciele disney punk heeft met het oorspronkelijke zeer progressieve idee niks meer te maken.
net zoals de eerste punkgroepen styllistisch met elkaar niks te maken hadden
the clash, the damned, the buzzcocks,wire, the slits, the pistols, the jam en the stranglers lagen muzikaal zo ver uit elkaar dat ze persoonlijk verantwoordelijk zijn voor evenveel subgenrestromingen.
ik ben geen punker en ben dat ook nooit geweest ik ben ook nooit een hippie of een gothic of een metalhead of een technofreak of een discokikker ik ben kloot per w en ben enig.
dr kloot per w tervuren
hoe ben ik op je blog terechtgekomen.
ik ontmoette gisteren in brussen na 30 jaar danny joan van hubble bubble op straat hij was zeer gehaast en we konden niet lang praten maar hij wist mij wel te zeggen dat hij een myspace had. ikke niks gevonden de enige match met zijn naam kwam van jou blog, vandaar.
ps spijtig dat ge uw tijd verliest met naar sergio kwissen te kijken. ha ha ha