Mong Rosseel en Magda Demeester treden nog altijd op, ook al zijn ze slechts sporadisch nog eens te bekijken in hun eigen thuishaven, namelijk bij De Vieze Gasten in de Gentse Reinaertstraat. Op zaterdag 19 januari kunnen we om 20.30 uur nog eens gaan genieten van “De illustratie”, een heerlijke ratatouille van korte verhalen en nog veel meer liederen. “Le temps des cérises”, “La Paloma”, “Dream a little dream of me”, nummers van The Kinks, kortom een eigentijdse versie van “De Tijd van Toen”. De toegang bedraagt 6 Euro 20 cent en men kan reserveren op dvg@deviezegasten.org
De geschiedenis van Vuile Mong (Mong Rosseel, 1946) begint in Veurne: “Ik liep school in de Achterhoek, in Veurne, waar vandaag nog altijd zo weinig gebeurt op cultureel vlak. Het enige toneel waar wij naartoe gingen, was de jaarlijkse voorstelling die de school zelf opvoerde. Terwijl mijn kinderen, die in Gent in het middelbaar zaten, naar tal van culturele manifestaties trokken met de school. Dat alles mag dan nog lang niet voldoende zijn, we staan toch al een heel eind verder. Zowel de school als het milieu erbuiten is belangrijk. Ik groeide op zonder een boek of een plaat in huis. Naar theater of films werd niet gegaan. Zelfs een krant of weekblad hadden we niet. Precies op school waren er enkele leerkrachten die deze leemte trachtten op te vullen. Daarvoor ben ik hen nog altijd zeer dankbaar. Aanvankelijk gingen wij naar bepaalde concerten, niet omdat we zoveel van die muziek hielden, maar omdat we zoveel respect hadden voor die leraar. De eerste keren zaten we nog wat verveeld lawaai te maken. Maar na een aantal keren hadden we door dat die muziek ons ook heel wat kon ‘vertellen’. Thuis hebben we platen van heel uiteenlopende genres. Ik stel vast dat mijn kinderen de ene keer rock, de andere keer Mozart kiezen. Dat is toch leuk? Moet er echt altijd onderscheid gemaakt worden tussen ‘cultuur’ en ‘Cultuur’? Ik vind culinaire aangelegenheden evenzeer tot cultuur behoren. Bij mij duurde het tot ik in Leuven zat vooraleer ik ontdekte dat er nog iets meer bestond dan schijfjes kaas. Thuis aten wij nooit andere kaassoorten. Toen ik voor het eerst dat geweldige aanbod zag, durfde ik er haast niet van te proeven. Die houding kan je ver doortrekken. Ook het racisme is bij ons te herleiden tot schrik voor het vreemde. Het durven ingaan op nieuwe dingen, dat hoort eigenlijk ook tot de cultuur. In de culturele centra moet dan ook zowel het gekende als het vreemde te vinden zijn. De ene dag Will Tura of Johan Stolz, de andere avond Anne Teresa De Keersmaeker. Daarom vind ik het zo jammer dat sommige kunstenaars durven beweren dat hun ideaal een theater zonder publiek is. Ik heb dat drie Nederlanders eens horen zeggen tijdens een televisiedebat. En we hebben hier ook nog de periode gekend waarin de groep van Jan Decorte de zes mensen die bleven kijken, gewoon begon uit te schelden. Waarom verlieten ze ook de zaal niet? Dan moeten we wel vraagtekens plaatsen bij die ‘kunst’. Uiteraard is dat niets anders dan charlatannerie. Gelukkig ontmaskert die zichzelf vroeg of laat.”
De Vieze Gasten van Vuile Mong daarentegen gaan terug op het nogal strakke cabaretkader Roodpoot met vooral teksten van Guido Van Meir. Nadien probeerden ze het met een nep-circus, inclusief nep-krokodil. Kort na hun ontstaan hadden ze reeds een authentieke “schlager” (Het Apekot), die ze opvolgden met… een sterk geëngageerde elpee, die enkel via alternatieve distributiewegen verspreid werd. Het engagement was immers steeds de rode draad geweest doorheen al hun grillige kapriolen, en dat blijft het nu ook nog.
Door de kritiek was Vuile Mong tot dan toe nog nooit aux sérieux genomen. Daar kwam verandering in toen moeder Rika De Backer het vormingstheater in 1976 opnam in het theaterdecreet en met de subsidie van een half miljoen Wim Meeuwissen (voorheen Internationale Nieuwe Scène en Mannen van de Dam) zich bij het gezelschap kon voegen om daar het dramatische gedeelte wat op te vijzelen.
Ook het orkest werd versterkt en muzikaal stond men dus eveneens steviger in de schoenen. De jaarlijkse avondvullende vertoning Adhemarke, een mengeling van strip en horror, werd dan ook een groot succes in 1977.
Op dit elan ging men verder met Bommerskonten, in het teken van het jaar van het dorp (1978). Hiervoor had men deze keer een échte circustent op de kop kunnen tikken en de prachtige hoes van de elpee die ze voor deze gelegenheid hebben gemaakt, geeft “Bommerskonten” en haar inwoners weer op dezelfde manier als het klassieke beginbeeld van de verhalen van “Asterix”. In de show treden bovendien ook de gebroeders “Dalton” op, voor de gelegenheid heten zij echter niet Joe, Jack, William en Averell maar Schiltz, Claes, Martens en Tindemans (de volgorde is niet noodzakelijk dezelfde)!
Voor het programma “De Wild West Revue” (1979) was er versterking door een aantal mensen van Stekelbees. Hiermee bouwde men niet alleen een kinderprogramma uit, maar Herwig De Weerdt heeft ook een uitstekende stem (luister maar naar de elpee “Als wij willen spelen”) en die werd uitgespeeld in een programma zónder Vuile Mong, dat speciaal bestemd is voor jeugdclubs. Naast Herwig ontpopt gitarist Fabien Audooren zich als een uitstekend imitator van Elvis Presley en van Shadow Hank Marvin. Inderdaad, Rockles(s), zo heet het programma, wil een “les” zijn in rockmuziek. Men start dus met rock uit de jaren vijftig, waarbij men alle klassiekers naspeelt in de gebruikelijke vetkuivenkledij. De sixties is iets moeilijker. De Beatles en de Stones naspelen kan immers niet iedereen. Vandaar dat de Vieze Gasten een eigen interpretatie brengen. Voor de jaren zeventig heeft men er vooral retro, disco en punk uitgepikt.
De rock wordt echter ook in zijn blootje (”rockless”) gezet (wij dachten dat dit in hààr blootje moest zijn), dit wil zeggen dat men er enerzijds niet voor terugschrikt om al eens te parodiëren (grappen en lolbroekerij mogen uiteraard niet ontbreken) en dat anderzijds rock ook binnen zijn (haar) politiek-sociaal-economische context wordt geplaatst. Maar dit laatste klinkt geleerder dan het in feite is. Men doet dit namelijk aan de hand van dia’s. Oorspronkelijk was het de bedoeling tussendoor stevig politiserend te werken, maar hiervan is men moeten afstappen wegens gebrek aan respons. De beste fragmenten zijn uiteindelijk puur muzikale momenten, nl.Pink Floyd, Trini Lopez en The Shadows.
Ter gelegenheid van 150 jaar België (1980) volgde dan “De Stomme van…”, gevolgd door “Alle hens aan dek” (1981), “Zoo is ‘t” (1982), “Dextrum praecedit” (1983), “Werk zat” (1984), “Soep zonder ballen” (1985) en dan, ter gelegenheid van de viering van vijftien jaar Vieze Gasten in 1986: “L’amour médecin” naar Molière.
Over heel die periode vertelde Mong me: “De eerste tien jaar overlapten de programma’s die we speelden en de interventies die we deden elkaar volledig. Dat kwam omdat de programma’s in feite collages waren op basis van de actualiteit. Onze groep is dan ook een goede barometer wat sociale conflicten aangaat, gewoon door de oproepen die we krijgen om deel te nemen aan allerlei acties. En daar zie je een enorme evolutie in, ja. Tot het einde van de jaren zeventig kunnen we zeggen dat de acties waartoe we ons steentje hadden bijgedragen op een paar uitzonderingen na allemaal een positief resultaat hadden geboekt. Denk maar aan de lock-out bij Boel, aan de acties tegen mevrouw Wens van Vrij en Vrolijk, enz. Vanaf 1979 is het echter een ellenlange lijst van acties, waarbij stuk voor stuk de eisen niet werden ingewilligd. In ‘81 werden bij Boel uiteindelijk tóch 128 mensen ontslagen, bij Siemens werd ook geen enkel onstlag ingetrokken, bij Bell-Telephone zijn wel degelijk 1.100 mensen afgevoerd ondanks het protest, noem maar op.”
“Een tweede zaak die mij ook enorm frappeert is dat tot aan ons tiende bestaansjaar wij als groep een zekere erkenning kregen omdat wij tegen zo lage lonen al die dingen deden. Als wij het b.v. voor arbeiders bij Boel opnamen, dan verdienden wij slechts 15.000 fr., terwijl het laagste loon bij Boel zeker het dubbele was en mensen die iets meer gespecialiseerd werk deden wel het drie- of vierdubbele verdienden. En wat zien we nu? De laatste vijf jaar (1981-1986, RDS) worden we meer en meer geconfronteerd met jonge mensen die naar ons, met ons minimumloon van 24.000 fr. opkijken als naar mensen die het gemaakt hebben, want daarmee hebben we zowat het dubbele van wat zij hebben!”
“Vandaar natuurlijk dat het zelfbehoud van de mensen zo groot wordt. Men heeft schrik om in actie te komen om het weinige dat men nog heeft toch te kunnen behouden. Dat draagt zeker bij tot het cynisme van de groep. We hebben zelf amper genoeg om onze kinderen groot te brengen en tegelijkertijd zijn er dan duizenden jongeren die naar ons opkijken en zeggen: zo is het gemakkelijk actie voeren, je verdient er nog geld aan ook! Weet je trouwens wat erg vervelend is? Dat men het vanzelfsprekend vindt dat wij ergens optreden uit solidariteit, maar als een Rob De Nijs eens gaat zingen tegen Apartheid, dan staan daar plotseling alle kranten vol van.”
NIEUWE KLANKEN VOOR DE SOCIALISTISCHE MAATSCHAPPIJ
Mong: “En dan zijn er ook die zo van die heel ingewikkelde theorieën hebben over geëngageerde muziek; die en die klanken zouden uiterst geschikt zijn voor de opbouw van de Nieuwe Socialistische Maatschappij. Eisler bijvoorbeeld wel, maar Beethoven niet want in zijn symfonieën zit teveel hiërarchie… Allez, ik heb het daar wel moeilijk mee, want bepaalde teksten van fascisten en socialisten lijken erg sterk op mekaar. Kom, al te gader vooruit bijvoorbeeld. Het is volgens mij, doodgewoon de context die maakt of een lied al dan niet bijdraagt tot de strijd. Echte strijdnoten, die bestaan niet. Op de Boel-staking speelden we meestal ronduit gezellige deuntjes zonder strijd-inhoud. Maar de context maakte ook die liedjes geëngageerd. En ook wie het zingt, bepaalt de context. Als Louis Neefs zaliger zong van “Laat ons een bloem” is dat op zijn minst dubbelzinnig. Het publiek slikt toch, of hij dat nu meent of niet.”
“Ik spaar niemand, ‘k zeg het vlakaf. Die kritiek op ‘68 bijvoorbeeld komt meestal van mensen die het hebben meegemaakt, maar die steken hebben laten vallen. Kijk, destijds verweten de vakbonden ons vooral: jullie studentjes, jullie maken nu wel erg van je oren, maar eens jullie afgestudeerd zijn, zijn jullie manager en zijn jullie ons vergeten. En ik denk dat de kritiek vooral komt van mensen die inderdaad in zo’n geval zijn. Maar ik persoonlijk ben ontzettend blij dat ik de periode van ‘68 heb mogen meemaken. En dat we zweefden? Tot daar. Je kan iemand die jong is toch niet verbieden van te zweven, zeker? Mijn hart gaat akkoord met wat ik vertel en zing. Je hebt zo van die linksen die té veel denken, maar voelen? Ho, maar! Wij, mensen, bestaan toch niet uit twee verschillende delen, zeker? Wat is me dat nu. Ik ben meer diegene die luid laat horen wat mensen al weten, waar ze in wezen al van overtuigd zijn. Naar kleine dorpen gaan is interessant, kwestie van een overdracht van overtuiging. En alle organisatoren zeggen ‘t zelfde: “Mong, jongen, hier is ‘t moeilijk!”. West-Vlaanderen, Limburg, overal is ‘t moeilijk. Volgens de inrichters tenminste. Ochgottekes toch, de eenzame linksen in hun kleine dorpen. En ik moet dan even de kloof gaan dichten, “dan kunnen we er weer voor een jaartje tegen”. En een jaar later, is alles bij het oude gebleven”.
Jaja, ‘t is een harde, lange weg. Weer aardig op dreef, tatert Mong honderduit. Best gezellig. Over hoe ze als actiegroep ontstaan zijn en bij toeval de formule van het strijdlied op de kop tikten. Over Zomergem en het aan de lijve ondervinden van de bekrompen dorpsmentaliteit en de tegenkrachten die er hoogtij vierden en vieren. Over een leraar die zijn leven en reputatie ruïneerde om een rijksschooltje in dat dorp te installeren. En na 10 jaar “dwangarbeid” komt die school er, en dan is er verdorie niks alternatiefs, niks progressiefs aan.
Mong: En ondertussen waren wij volop bezig de RUG te bezetten. Er was er zelfs één die naar Cuba had getelefoneerd om Fidel mee te delen dat hier eindelijk de grote revolutie losgebarsten was! Een lange weg, inderdaad. Als we dus op een actie gingen spelen, hadden we maar te putten uit de voorraad van de programma’s. Maar wij voelden ook wel dat er sleet kwam op die formule. Dat hield immers in dat we nooit een thema konden analyseren. Zelfs onze liedjes sprongen van het ene thema over naar het andere! Toen er dan op een gegeven moment minder interventies waren, namen we de gelegenheid te baat om nu eens een echt groot thema te kiezen en daarover een programma te maken. Dat was dan rond vrede, al was ook dat nog een beetje een collageprogramma omdat we er het thema vrijheid nog hadden bijgenomen, daar ons dit als anarchisten erg nauw aan het hart ligt en ook aangezien vrede en vrijheid vaak tegen mekaar worden uitgespeeld. Men maakt de mensen immers wijs dat er maar vrede kan zijn als er ook zekerheid is en zekerheid staat juist heel dikwijls vrijheid in de weg. Vandaar dat wij dan met de Tarzan-figuur op de proppen zijn gekomen, die voor de grootst mogelijke vrijheid symbool staat. Maar ook hier was het einde erg pessimistisch - ook al vind ik het persoonlijk één van onze mooiste scènes - als hij op het podium komt met een pak aan en een karretje van de supermarkt en hij tegen Jane zegt: nu is alles o.k., want ik heb nu een identiteitskaart, een vakbondskaart, een levensverzekering, een rijbewijs enz.
KONING UBU
Mong: “Bovendien kwam er een wending in de aanpak sedert Rik Hancké en Lisette Mertens werden aangetrokken. Voor ‘Ubu’ van Alfred Jarry in een regie van Rik Hancké b.v., in een vertaling (eerder bewerking) van Pjeroo Roobjee. We moesten een productie hebben met een kleinere bezetting en zo zijn we op ‘Ubu’ gevallen. Lisette had dat in de theaterschool in Eindhoven met leerlingen opgezet en volgens haar was dat wel te bewerken tot een heel kleine bezetting. En dat klopt inderdaad. Ikzelf speelde Ubu, Magda was ma Ubu en Kurt Defrancq (later een ware B.V. met zijn typetje Modest en zijn rol in “Thuis”) speelde al de rest. Rik had misschien wel wat meer tijd nodig gehad, maar uiteindelijk ben ik toch best tevreden met zijn aanpak. Hij heeft Alfred Jarry nogal trouw gevolgd. Het stuk is immers geschreven in een soort van kinderlijke stijl. Het zijn eigenlijk grote kinderen die bezig zijn. En zo brachten wij het ook.”
Deze erg grappige voorstelling in een decor van Marino Basso heb ik gezien in den Oepites in Zomergem op 25/5/91. De voorjaarszon gaf al zoveel warmte dat de vrouw van een Gents fotograaf daar in een doorkijkpakje verscheen met niks als een tangaatje eronder aan. Dat uiteraard volledig terzijde, maar laten we zeggen dat het bijdroeg tot een algehele sfeer van welbehagen.
Mong: “Onze ‘Ubu’ had meer succes dan de versie in het NTG en dat bracht Pjeroo Roobjee op de idee om een soort van samenwerking tussen het NTG en ons op poten te zetten, n.a.v. de heropening van de schouwburg op het Sint-Baafsplein. Officieel heette dat een coproductie, maar ik vond dat belachelijk, want de partners waren hoegenaamd niet gelijkwaardig. Het oorspronkelijke idee stond ons wél aan moet ik zeggen. Pjeroo had met Rood garen een stuk geschreven over de geschiedenis van het socialisme in Gent en het zou de bedoeling zijn dat het NTG de ‘officiële’ versie speelde en wij, in een fabrieksruimte, daar een andere kijk zouden op geven, zoiets in de zin van het boek ‘Alles is anders’ van Patrick Dewitte. Het NTG zag dat echter minder zitten, want zij moesten dan zogezegd dat ‘officiële’ standpunt verdedigen. Daarom herschreef Roobjee zijn stuk, weliswaar voor het NTG, maar met daarin een aantal personages die echt op ons lijf geschreven waren. En ‘ons’ dat waren dan niet enkel Magda, Fabien en ikzelf, maar ook Herwig De Weerdt b.v. en zelfs Jan Decleir! Dat zag Hugo Van den Berghe echter alweer niet zitten. Hoe moest hij dat aan zijn acteurs gaan uitleggen? En, om eerlijk te zijn, zelf zag ik dat ook niet zitten. Zie je mij al op de scène staan met die acteurs van het NTG? Ik mag er niet aan denken! Dat is gewoon een andere wereld. Gevolg: Roobjee moest opnieuw aan de slag. Hij kwam niet meer tijdig klaar voor de opening, die dan gebeurd is met ‘Onder de torens’ van Hugo Claus, zoals je wel weet. Het zou dan worden verplaatst naar het seizoen ‘94-’95 met Rik Hancké als regisseur en het accent meer verschoven van het socialisme naar het anarchisme, maar ook dat is er nooit van gekomen.”
- Toch geeft heel deze discussie reeds aan dat er stilaan met andere ogen tegen de Vieze Gasten werd aangekeken.
Mong: “Natùùrlijk worden we het meeste vergeleken met de Nieuwe Scène en dan voegt men daar meestal wel aan toe dat wij er beter in geslaagd zijn de sprong te maken naar de jaren negentig. Dus wat wil je dat ik daarop zeg? Dat ik blij ben natuurlijk, hé. Vooral omdat er ook geen compromissen van ons worden verwacht. Ook voor ‘Ubu’ en ‘Heldendeugd’ hebben wij zelf gekozen, dat was zeker niet onder druk van het verkrijgen van subsidies. Dat heeft wél met het aantrekken van Rik Hancké te maken, dat wel. Die zei onmiddellijk: jongens, ik ben zoveel jaar directeur van Proloog geweest, welnu dàt soort theater wil ik niet meer maken. Maar dat hadden wij ook nooit gemààkt. En hij wilde ook professioneel werken. Hij wilde b.v. dat het stuk geschréven werd. Dat was voor ons nieuw, zoals gezegd.”
HELDENDEUGD
Mong: “Hetzelfde verhaal als ‘Ubu’ zou ik u kunnen vertellen over ‘Heldendeugd’, die farce van Roobjee. Ook die is in de pers zeer goed onthaald. Nochtans vooraf, toen we dat vertelden, zei iedereen: hou dan maar uw schaar gereed! Nu dat was hoegenaamd niet nodig. Roobjee leverde een stuk van een normale lengte. Er zat alleen maar één lied in, maar dat was bij hem dan wel drie bladzijden lang, waarin dat meisje voortdurend herhaalde dat haar lief in de oorlog was gestorven. Dat hebben we teruggebracht naar een zingbaar lied van een halve bladzijde, maar dat was het enige!”
Begraaf nooit iets of iemand te vroeg, dat is zowat de boodschap in “Heldendeugd”. Nadat korporaal Edward Hoste immers heldhaftig is gesneuveld aan de IJzer, kan vader Hoste daar politieke munt uit slaan en het op die manier zelfs tot minister brengen. Helaas, juist op dat cruciale moment duikt de zoon weer op. Een mirakel? Lazarus uit de doden opgestaan? Lemond die opnieuw de Tour wint? Niets van dit alles: korporaal Hoste heeft door al dat oorlogsgeweld een slag van de molen gehad en heeft al die tijd in een Duits krankzinnigengesticht verbleven. Aangezien uit zijn brieven bovendien blijkt dat hij eigenlijk een pacifist is die een hartsgrondige hekel heeft aan al die valse heldendeugden, bestaat zelfs de mogelijkheid dat zijn krankzinnigheid een dekmantel is geweest voor desertie. Dat wordt ongetwijfeld de ondergang van minister Hoste. Zijn baantje als bediende derde klas bij de post in Adinkerke-De Panne wenkt alweer. Of is er alsnog een oplossing? Misschien is die teruggekeerde soldaat helemaal niet zijn zoon…
Tijdens de pauze hield Mong Rosseel hierover een enquête bij de toeschouwers, “want wij passen het stuk aan naargelang van de wensen van het publiek”. Grapje natuurlijk, want de tijd dat er op het podium volop geïmproviseerd werd door de Vieze Gasten ligt nu wel definitief achter de rug. Integendeel, de tekst van Pjeroo Roobjee is heel dwingend en zowel de acteurs als regisseur Rik Hancké hebben er zich totaal aan onderworpen. Nu is Roobjee niet bepaald een makkelijk auteur en al is “Heldendeugd” geen “Sapeurloot”, de Vieze Gasten hebben er een hele kluif aan gehad om de zeer literaire zinswendingen er op een natuurlijke manier uit te krijgen. Dat is hen wonderwel gelukt, al werden ze daarbij ongetwijfeld geholpen door het feit dat hun vroegere speelstijl wel aansluit bij het “bigger than life”-effect dat Roobjee met zijn gekuist dialect nastreeft. En de ervaringen van Rik Hancké in “De Sapeurloot” zelf zullen natuurlijk ook handig van pas zijn gekomen.
Hoe dan ook, Mong en Magda (beiden uitstekend als het ouderpaar Hoste), bijgestaan door ouwe trouwe Herwig Deweerdt (als Edward) en twee nieuwe gezichten (Ineke Geerts als de lustige weduwe Fanny en Lieve De Baes als de bazige stiefzus Alice), slaan met dit stuk definitief de weg in naar nieuwe horizonten. Zonder hun idealen te verloochenen (socialisme en vooral pacifisme zijn nog steeds de thema’s die het stuk schragen) slaan zij nu de weg in naar de Culturele Centra, waar een nog onontgonnen terrein voor hen braak ligt. Vermelden wij ook nog dat Fabien Audooren en Guido Schiffer voor een muziekscore hebben gezorgd (door henzelf live uitgevoerd). Gezien in de Gentse Baudelokapel in juli 1990.
Mong: “Het feit dat wij tot hiertoe niet in Culturele Centra hebben opgetreden, speelt nu merkwaardig genoeg in ons voordeel. Zij stellen namelijk vast dat wij een publiek bereiken waarbij zij er maar niet in slagen van dat over de drempel te trekken. Een technieker in Maasmechelen wist mij te vertellen dat er voor ‘Will Tura in concert’ in die prachtige theaterzaal die ze daar hebben nog geen honderd mensen was komen opdagen, maar als hij dan drie maand later een bal komt spelen, dan zijn daar drieduizend mensen! Voor ‘Over de schreef’ waren er daar dan toch nog tweehonderd man, maar de vestiairemadam zei tegen mij: wie zijn die mensen eigenlijk? Daar is namelijk niemand bij die ik ken! Maar dat is dan óns publiek, maar die kwamen dan ook niet naar ‘Ubu’ b.v. Ook wij hebben het in die centra trouwens niet altijd onder de markt. In het C.C. van Wemmel hebben we bijvoorbeeld gespeeld voor vier mensen en daar zat dan nog Paul Arias van de BRT bij. De andere drie was diezelfde familie die er altijd zit, zei Bert André. In het C.C. van Dilsen van ‘t zelfde. Eerlijk gezegd, als het zo zou moeten gaan, dan zou ik het rap opgeven, hoor! Als ik lees dat Lukas Van den Eynde liever Xavier De Baere komt spelen op televisie dan drie uren in een auto te zitten om dan ergens te velde voor vijftig mensen te gaan spelen, dan kan ik dat best begrijpen. In de tijd dat Jakob Beks bij ons speelde, was die soms verbaasd als wij vonden dat er te weinig volk was. Geef mij dan maar ons eigen circuit!”
Mong: “Rik Hancké en Lisette Mertens steunen de groep al sedert jaren wat het artistieke beleid betreft. Vroeger speelde dat voor ons immers allemaal geen rol. Je weet ook hoe wij werkten: wij kozen geen stuk, maar wij kozen een thema. Werkloosheid, armoede, crisis, verrechtsing, ga zo maar door, en daar maakten we dan zelf een voorstelling rond. Nu we producties laten schrijven in opdracht, lijkt dat op het eerste gezicht misschien makkelijker, maar dat is helemaal niet zo. Er zijn nu eenmaal niet zoveel schrijvers. Tom Lanoye heeft geen tijd, Walter Van den Broeck evenmin, Hugo Claus is niet te betalen. Vorig jaar hebben we een stuk van Leo Geerts gekregen, waarop niets te zeggen viel, maar dat gewoon te kort was om als productie te gebruiken. Peter Van Straten wil na ‘Het Volle Leven’ nog wel eens iets voor ons schrijven, gratis zelfs, maar dat betekent dan ook dat je er geen controle hebt over wanneer dat zal klaar zijn. En ik neem ook geen risico’s meer in de trant van dat een stuk pas zes weken voor de première toekomt en dan blijkt niet goed te zijn! Bovendien moeten we ook rekening houden met de financiële beperkingen. We worden nog altijd wel erkend, maar er komt nooit een frank bij. Dat is nu al vier, vijf jaar dat we met zes miljoen moeten rondkomen, inflatie of geen inflatie. Ik heb dan ook altijd gezegd: wat er ook gebeurt, ik word geen artistiek directeur. Ik zou natuurlijk mijn ezel directeur kunnen maken, zoals Bert Verhoye met zijn hond gedaan heeft, maar Lisette wilde het doen, op voorwaarde dat ze het goed mocht doen, dat ze m.a.w. meteen een planning voor vier jaar mocht maken. We hebben haar dan ook met open armen binnengehaald en zijn heel lang aan tafel gaan zitten en hebben heel veel gepraat. En we hebben dus inderdaad een project van vier jaar ingediend, dat zoals het er nu naar uitziet we ook tot een goed einde gaan kunnen brengen.”
MONGS BIECHT
Mong: “Een ander element is Suzanne Van Lohuizen, die we hebben leren kennen toen ze in de bres is gesprongen, wanneer Pierre Platteau zijn writer’s block had bij ‘Schemerstad’. Daarna heeft ze ‘Midzomernachtmerrie’ voor ons geschreven, waarover de meningen verdeeld waren, maar vorig jaar won zij toch maar de grote prijs van het Theaterfestival! En in het vierde jaar van onze planning brengen wij weer een stuk van haar, waarover vele mensen verbaasd zullen zijn, maar dat was al veel langer afgesproken. Dat heeft allemaal wel meegespeeld bij de beoordeling door de commissie, denk ik.”
“Midzomernachtmerrie”, een “farce voor een acteur en z’n muze” bracht Mong bij de jaarwisseling 1988-89. Die periode van het jaar geeft meestal aanleiding tot (meestal sombere) bespiegelingen en die werden nu nog in de verf gezet door dit stuk, waarin hij als het ware een openlijke biecht spreekt. De toekomst is hopeloos, maar niet ernstig: “Consequent zijn met zichzelf impliceert voor vele progressieve, linkse organisaties in dat geval beslissingen treffen die leiden tot het opheffen van zichzelf. Je kan jezelf toch niet volslagen marginaliseren?”
Freek De Jonge had natuurlijk ook weer een eindejaarsshow en daar die als titel “De goeroe en de dissident” had, lag het voor de hand om Mong daarmee te vergelijken. De gespletenheid van De Jonge is - op een ander vlak - immers ook die van Mong. Mong is veertig geworden op het einde van de jaren tachtig “als de straten zo leeg geworden zijn”. Hij bevindt zich dan ook “in het donkere woud” van zijn “midlife crisis” (hijzelf heeft het altijd over een “crise”, maar dat woord bestaat niet). Aan de ene kant is er twijfel over het eigen leven en wat men ermee heeft aangevangen (als hij nu eens Mong Decleir geworden was!), aan de andere kant is er het besef dat in deze yuppie-tijden Mongs idealen vloeken met de realiteit. De tijd dat zijn tent volliep en dat enthousiast het “Mariannelied” werd gezongen, ligt al lang achter de rug.
Toch wil Mong (en met hem een heleboel gelijkgestemden die nochtans dezelfde crisis doormaken en wellicht niet toevallig bijna het volledige première-publiek uitmaakten) zijn oude idealen ook niet de rug toekeren. Solidariteit, menselijkheid, gelijkheid, het blijven inhoudsvolle begrippen, ook al wordt men daarmee nu weggelachen in wat opnieuw meer dan ooit een “struggle for life” is geworden.
Ieder moet op zijn terrein daarvoor een oplossing vinden. Hoe men zonder essentiële toegevingen te doen toch niet van deze harde wereld zal vervreemden. Want anders kan je misschien beter een koord nemen en je verhangen.
Met een koord om de hals verschijnt Mong dan ook ten tonele. Want het theater is zijn terrein en het is dààr dat hij het moet waarmaken. Niet meer in een tent, maar in een kunstencentrum (in casu Vooruit in Gent). Niet meer met slogans, maar met het beroemde citaat van Dante. Toch wordt hij al snel onderbroken door Magda Demeester, in het dagelijkse leven zijn echtgenote, op de scène eerder zijn alterego, de meer praktisch aangelegde vrouw (misschien niet helemaal toevallig, dat geslacht), vastberaden om te slagen. Zij verbiedt hem van nog langer het “Mariannelied” te zingen en moedigt hem aan om echt toneel te “spelen”. Shakespeare b.v. Verre van ons om te durven beweren dat de rol van Magda evenzeer op haarzelf kleeft als dit bij Mong het geval is, maar toch geeft hun privé-relatie een extra-spankracht aan deze dialectiek, of schrijfster Suzanne Van Lohuizen dat nu heeft gewild of niet.
Anderzijds gaat Mong (én Magda) in die Shakespeare-fragmenten (Hamlet, Romeo en Julia) zozeer af, dat men zich met recht en rede kan afvragen of dit falen nu ook zo expliciet diende te worden getoond. Wat in het jargon de “burgerpers” wordt genoemd, heeft hem alvast hierop zwaar getackled. Ook is het de vraag of regisseur Lisette Mertens het duo nu echt opzettelijk door de mand laat vallen of gewoon onmachtig was om hier enige regie aan te brengen.
Het korte Valentin-fragment staat daarmee toch in schril contrast. Hier krijgen we Mong en Magda nog eens in volle glorie. Idem dito wat het vocale gedeelte betreft (terloops petje af voor ouwe trouwe Fabien Audooren aan de “elektrische vleugel”): als men complexloos een duet uit “La Traviata” parodieert, dan is het natuurlijk lachen geblazen, maar de ernstig bedoelde nummers zijn eigenlijk even belabberd en daar ontbreekt dan uiteraard wel het relativerende element.
De conclusie kan eenvoudig zijn: na therapeutische schrijvers krijgen we nu ook therapeutische toneelspelers. In beide gevallen kan het resultaat enkel worden beoordeeld aan de hand van het effect van de therapie op de lezers of de toeschouwers. Wijzelf zijn nog niet genezen, maar toch aan de beterhand…
OVER DE SCHREEF
Mong: “Het gekke van Ubu was dat die voorstelling ontzettend positief is onthaald door de pers, maar dat ons eigen publiek opgelucht reageerde toen we met ‘Over de schreef’ uitpakten. Ik doe nu eenmaal graag die kleine producties, zoals “De mens bestaat, ik ben hem tegengekomen”, vertalingen die ik heb gemaakt van teksten van Raymond Devos, want dat opent toch veel mogelijkheden.”
Geen wonder dat Mong opeens melancholisch wordt: “Weet je dat het nog maar de tweede keer is in 22 jaar dat we op Pinksteren thuis zijn? Normaal zitten we in Appelscha bij de anarchisten. Ik geef toe, het is eigenlijk toevallig, want het is te wijten aan het feit dat onze première een week is uitgesteld, maar toch… Ondertussen ben ik wel over mijn midlife crisis heen. Aangezien het grootste deel van mijn werk parallel loopt met de politieke crisis, overlapte dat mekaar compleet. Maar de tweede helft van de jaren tachtig was een lastige periode, dat is waar. Dan zijn we zaken beginnen spelen die op een ander vlak lagen. We zijn zowaar toneel beginnen spelen! En daar zijn we nu opnieuw vanaf.”
In het voorjaar van 1992 keerde Mong inderdaad terug naar zijn meer cabareteske programma’s die overal (of toch bijna) kunnen worden gespeeld. “Over de schreef” gaat over racisme (24 november 1991 ligt immers nog vers in het geheugen), maar dan wel getransponeerd naar een “nationalistisch conflict” tussen Oost- (Mong) en West- (Magda) Vlamingen. “In ‘Over de schreef’ brengen we b.v. tot uiting dat Joegoslavische toestanden ook bij ons mogelijk zijn als je de redenering van het Vlaams Blok doortrekt - en dat sloeg toch wel aan. Al was het maar dat het reëel werd in die zin dat men in Antwerpen niet kon aanvaarden dat Filip De Winter uit West-Vlaanderen kwam!”
ALFONSO
Van Bruno Mistiaen werd “Alfonso” gespeeld door de Vieze Gasten (voor het LOD Vertelfestival) in een regie van Bruno Mistiaen zelf en met techniek van Jan Van Dijk. Met Mong Rosseel als Alfonso, een verpauperde conquistador (”we zijn naar ginder gegaan en we zijn teruggekeerd, zo simpel is het”), die door zijn passieve ingesteldheid al zijn bezittingen in rook ziet opgaan, en Monique De Beun als Juanita, zijn Indiaans-Spaanse vrouw, en ook soms als Adelita, haar Indiaanse moeder, die door haar zoon wordt vermoord wanneer hij eigenlijk Alfonso trachtte neer te schieten. Het “Indiaanse” bloed in Juanita roept om gerechtigheid, maar haar “Spaanse” component maakt haar tot een onuitstaanbare arriviste. Die dualiteit zit ook in haar Lolita-houding wanneer ze haar stiefvader verleidt. Maar als in Madrid aangekomen, blijkt dat hun gespaarde zilver haast van nul en generlei waarde meer is, maakt zij zijn leven tot een hel. Melissa Cassiman speelt, gekleed als non, cello op muziek van Dick Van der Harst.
Een onderhoudende voorstelling, waarin we Mong voor het eerst in een ongewone gedaante te zien krijgen en waarin Monique De Beun geknipt is als halfbloed. Er zijn ook grappige inconsequenties zoals sjaals met de vermelding “made in Spain”. Gezien in het Gentse Theater Victoria op 30/11/1992.
Monique De Beun speelde in 1980 reeds in “Het einde van de wereld” van Dario Fo, toen dit door het Raamtheater in een regie van Arturo Corso werd opgevoerd. De mensheid is na een geheimzinnige natuurramp totaal uitgeroeid, op twee mannen en één vrouw na. De mannenrollen werden vertolkt door Erik Kerremans en John Willaert. Zij speelde ook in “Waar is Kena?” van Geertrui Daem. Alhoewel, “speelde”? “Waar is Kena?” werd gelezen door School voor Gekken in het Gentse Nieuwpoorttheater op 4/5/91 en in een soort van regie van André Vermaercke, want het was tenslotte enkel een lezing en dus was er ook geen decor. Met Monique De Beun (als Meisje), Bart Dauwe (de Dood in verschillende gedaanten), Erna Palsterman (de stiefmoeder), Willem Carpentier (de macho), Ille Geldhof (Kena, haar “overleden” knuffel), Gilbert Colman (de timiede minnaar).
De officiële versie luidt dat dit een co-productie is met de Vieze Gasten. Geertrui’s versie verschilt hiervan. Volgens haar hebben de Vieze Gasten de creatiepremie opgestreken en weigeren ze het stuk te spelen. Mongs versie luidt dan weer: oorspronkelijk zou men een vroeger stuk, “De vaas van Soissons”, onder de vleugels hebben genomen. Geertrui stelde echter een nieuw stuk voor. Onder het mom van een creatie door de Vieze Gasten werd een creatiepremie aangevraagd, maar de Vieze Gasten zelf hadden eigenlijk met dit stuk niets te maken.
VINAIGRETTE
Die kabaretprogramma’s, dat gaan eigenlijk allemaal terug op “Vinaigrette” dat ik zag in de refter van een Gentse school…
Mong: Gelukkig verkoopt “Vinaigrette” erg goed. Het is natuurlijk goedkoop en het is handig, het kan overal worden gespeeld. Hier in Vlaanderen sluit dat ook weer aan bij ons oude circuit van vakbondsopleidingen e.d., terwijl we daarmee in Nederland in een totaal tegenovergesteld circuit zijn terechtgekomen, namelijk dat van de heel sjieke diners.
- Ga weg!
Mong: Toch. Dat is eigenlijk allemaal nog begonnen ten tijde van “Het Volle Leven”. Dat is zoals gezegd van Peter Van Straten en die is waanzinnig populair in Nederland. Op een dag speelden we dat stuk eens in een prachtig kasteel in Tilburg met een publiek dat voor het grootste gedeelte in smoking zat, maar dat toch wild enthousiast reageerde. Via dat optreden kwamen we dan op een congres voor gynecologen terecht en dan voor huisartsen, notarissen en wat weet ik nog allemaal. Ondertussen was “Het Volle Leven” reeds opgedoekt en was “Vinaigrette” in de plaats gekomen. En zo komt het dat we dat de ene dag in Eindhoven spelen, waar we een speciale kleedkamer ter beschikking krijgen met televisie e.d., en ’s anderendaags in Eernegem b.v., waar de zaal zelf nog niet eens zo groot is als die kamer. Want dat was eigenlijk in een rockcafé, de B-52. Zitten kon niet, want er waren geen stoelen, maar terwijl zo’n zestig jonge mensen rechtstaande stonden te luisteren, bleven die tegelijkertijd ook vrijen. Je wist niet wat je zag. In het begin zag het er nochtans niet zo goed uit. Voor de voorstelling meng ik me als kelner altijd onder het publiek, maar nu leek dat echt de mist in te gaan omdat men de hele tijd door keiharde rockmuziek bleef draaien. Tot er plotseling een bus stopte vlak voor het venster zodanig dat alles donker werd. Ik dacht: nu of nooit. Ik storm naar buiten en begin die buschauffeur daar uit te kafferen dat dat toch niet te doen is, dat ik op die manier mijn werk niet kan doen en wat weet ik allemaal. Er begonnen al vensters open te gaan in die straat en ik betrok die mensen daar dan bij, zo van: is’t niet waar, madame, ‘t is hier altijd hetzelfde. Enzovoort. Natuurlijk reed die bus uiteindelijk verder, want dat was een gewone lijnbus, maar dat gaf zo de indruk alsof ik die verjaagd had. En toen ik terug binnenkwam, voelde ik dat ik het publiek daarmee op mijn hand had gekregen. Van dan af kon het niet meer stuk.
- Maar hoe is die bijval in die “hogere kringen” eigenlijk mogelijk?
Mong: Ik heb ook al gezegd, er moet iets verkeerd zijn aan die voorstelling, want iedereen vindt ze goed (lacht). Nee, ik denk dat het ook met onze leeftijd te maken heeft. Ik word nu 45 en dat is ook ongeveer de leeftijd van die notarissen en zo. Het valt dan ook geregeld voor dat er tijdens de pauze mensen naar ons toekomen die zeggen: in mijn studententijd ging ik altijd naar jullie kijken! Daar komt nog bij dat het qua vorm eigenlijk heel beschaafd cabaret is. Met Fabien aan de piano lijken we wel het vroegere gezelschap van Ivo De Wijs! (lacht)
- “Vinaigrette” evolueert ook voortdurend…
Mong: Wel, toch niet zoveel als we oorspronkelijk hadden bedoeld. De nieuwe dingen die we erin steken, vliegen er dikwijls eerlijk gezegd ook opnieuw het eerste uit. Dat heb ik vroeger ook nog meegemaakt: als je een programma hebt, dat goed loopt dan is het moeilijk om daar iets uit te halen en iets nieuws in te brengen, want dan begint dat opeens te wringen en te knarsen. Maar het materiaal is niet weggegooid, het is immers wel goed, het zat alleen niet op z’n plaats. We hebben daarom een afspraak met Lisette dat we daarmee de komende winter een totaal nieuw programma gaan maken. De ideeën blijven immers maar komen. Daarvoor hoef je alleen nog maar de krant te lezen. Allé, een tijd geleden stond er een artikel in over scoutsleiders die tilt slaan omdat ze niet meer weten hoe ze zich moeten gedragen. Vroeger was het eenvoudig: toen moesten ze streng zijn, want de ouders stuurden hun kinderen speciaal daarvoor naar de scouts. Maar nu moet je dus “lief” zijn. Maar wat gebeurt er dan? Die kerel vertelt b.v. dat een kindje gevallen was. En wat doet je mama als je pijn hebt, vraagt die jongen. Een kusje op geven antwoordt het kind en die gast doet dat dan ook. Maar juist op dat moment komen die ouders binnen en die zien iets heel anders… Begrijp je? Dat soort dingen. Dat is toch te mooi om te laten liggen?
Of die begrafenisondernemer van Agalev die probeert de mensen milieubewust te begraven. Om de kwikvervuiling tegen te gaan haalt-ie de tandvullingen eruit b.v. En een vals gebit is helemaal niet recycleerbaar! De batterijtjes moeten ook uit de pacemakers, want “ge zoudt toch niet willen dat de batterijtjes van uw papa het grondwater vervuilen, nietwaar?” Op de duur moet die meer weggooien dan-ie kan begraven!
Jon Misselyn is voor ons ook in die richting aan het werken. Hij is een stuk aan het maken op basis van de “Eenzamehartenshow” van Edwin Ysebaert, maar meer nog gebaseerd op het verhaal van Allan Berg, die daarmee in de Verenigde Staten zo ver is gegaan dat hij zelfs doodgeschoten werd.
- Maar ten tijde van de Golfoorlog moet “Vinaigrette” toch wel een uitstekend platform geweest zijn? Al lees ik in een interview dat je b.v. ook voor de standpunten van professor Vermeersch begrip kunt opbrengen, dat zal je niet overal in dank zijn afgenomen. Hierin herken ik ook weer de Vuile Mong uit “Midzomernachtmerrie”, die…
Mong: … tilt slaat. Jazeker, maar ik zal wel niet de enige geweest zijn, zeker? Eerst en vooral moet je ermee rekening houden dat je nu naar een interview in “De Morgen” verwijst dat pas verschenen is lang nadat het werd afgenomen. Ondertussen was b.v. de grondoorlog al begonnen. Maar het was wél voor dat gans die kwestie met de Koerden is opgedoken, wat toch ook alweer voor heel wat verwarring in de geesten heeft gezorgd.
Waarmee ik vooral problemen had, dat was de manier waarop mensen reageerden op de standpunten van Vermeersch. Alsof hij nu ineens had afgedaan als progressieve professor. Dat vond ik nogal grof. Ik ben dan ook naar geen enkele betoging geweest, omdat ik gewoon niet kon verdragen dat de maoïsten daar met spandoeken liepen waarop ze ook het embargo afkeurden. Kom nu zeg, de Iraakse ambassadeur uitnodigen op je één-mei-feest, dat getuigt toch van een brutaliteit, die mij eerlijk gezegd een klein beetje te ver gaat!
Zelfs al besef ik ook wel dat er in heel dat conflict elementen zitten die we niet onder controle hebben en niet goed begrijpen, dan neemt dat toch niet weg dat heel dat Midden-Oosten uit dictaturen bestaat, waar het leven voor de mensen hoegenaamd niet leuk is. Saddam Hoessein mag dan niet slechter zijn dan zijn collega in Saoedi-Arabië, maar hij is zeker ook niet beter!
- Elk jaar treffen we elkaar opnieuw, maar het optimisme wordt steeds kleiner…
Mong: De crisis in de jaren zeventig heeft natuurlijk een grote domper gezet op dat optimisme. De grote standpunten van de vakbondswerking werden ingetrokken, de platformen schrompelden ineen tot louter een tewerkstellingsbeleid. Het was al goed dat de mensen konden blijven werken, de fabriek mocht stinken of wapens produceren, dat deed er niet toe. En vanuit liberale hoek kwam er steeds meer verzet tegen de welvaartstaat in de zin van dat de mensen “teveel in de watten werden gelegd”, wat onzin was, want dat is in feite nooit gebeurd. Dat weerspiegelde zich ook op het culturele vlak: subsidies werden ingetrokken en sponsoring ging enkel naar prestigeprojecten. “Cultuur in de wijken”, een Amsterdams project, binnen welk kader wij heel veel hebben opgetreden, werd opgedoekt, maar men heeft wel een “Stopera” gebouwd die miljarden kost en waar elke productie tot in de miljoenen loopt. Bij ons zie je net hetzelfde: dat soort prestigeprojecten krijgt zowel de meeste subsidies als de grootste sponsoring. (Daarnaast hebben sponsors ook belangstelling voor nulliteiten als het Echt Aantwaarps Theater e.d. De reden is heel eenvoudig. Hier schrikt men er zelfs niet voor terug om de naam van de sponsor in het stuk zelf op te nemen! “Nemen we een Taxi Verboven, schat?”)
Anderzijds is er ook waanzinnig veel meer te doen. Toen wij begonnen waren de groepen van het Cultureel Front ook de enige reisvoorstellingen die goed draaiden. Nu is er in Gent alleen al bijna elke dag een of andere groep te zien. Idem voor popgroepen. Wij moesten nog naar Bilzen trekken om The Kinks te zien, want verder was er niets. In mijn studententijd in Leuven is er welgeteld één belangrijke Engelse groep geweest, die van Manfred Mann, verder wat Hollanders of Fransen, maar meestal niets. En nu? Elke week niet één, maar twee of drie. Vooruit, Brielpoort, Vorst-Nationaal, Sportpaleis…
Een gevolg is “vedettisme”. Ofwel moet je vedetten creëren ofwel moet je, zoals Blauwe Maandag, starten met Jan Decleir en Chris Lomme en dat blijft dan een hele tijd doorwerken. Elk Cultureel Centrum moet nu zijn voorstelling van Blauwe Maandag hebben. Daarvoor hoef je zelfs niet eens affiches te hangen, integendeel de zaal is op voorhand uitverkocht. En dat is in alles zo. De come-back van De Kreuners heeft toch alles te maken met het feit dat Walter Grootaers zijn smoel laat zien in het grootste snertprogramma dat ik ooit heb gezien (ik neem aan dat Mong “Big Brother” bedoelt) maar blijkbaar gaan de mensen daar plat voor. We hebben dat destijds met het “Apekot” ook meegemaakt, toen dat lang geleden tot onze verbazing een hit werd. We mochten toen eens optreden in “Binnen en Buiten” en ’s anderendaags belde de melkboer, die anders zijn melk gewoon op de stoep zette, ons uit ons bed om ons te feliciteren. “En vond je ‘t goed?” vroeg ik. “Anders zou het toch niet op televisie gekomen zijn,” antwoordde hij. Wat kun je dan nog zeggen? Dan begrijp je waarom die kwiestenbiebel met zijn scheve smoel (Jacques Vermeire) zo’n succes heeft. Ik heb zijn nieuwjaarshow gezien en ik was beschaamd in zijn plaats. Zeker als je ermee rekening houdt dat de linksen destijds zoveel kritiek hadden op Gaston en Leo. Ik moet eerlijk zeggen, van hen heb ik nog nieuwjaarshows gezien, waaruit ook ik iets kon leren. Hun moppen mochten dan af en toe een beetje flauw zijn, het waren toch mensen met métier. Maar Jacques Vermeire dat is zo flauw… En toch speelt die nu voor uitverkochte zalen. Dat is ontmoedigend natuurlijk.
- Maar ook bij de “intellectuelen” is er een wijziging opgetreden. Eerst was vormingstheater helemaal o.k., dan vond men bij mindere voorstellingen wel eens de term “mislukt vormingstheater” terug en nu is “vormingstheater” tout court een scheldwoord geworden…
Mong: Wij heten officieel nog altijd “Werkgroep voor Vormingstheater”, maar eigenlijk maakt die term voor ons niet zoveel uit. Die benaming dateert uit de tijd dat de mensen van de Nieuwe Scène en vooral van Elcker-Ik ons aanspoorden om aan subsidies te geraken. En omdat in het nieuwe decreet vormingstheater expliciet werd opgenomen zei men ons dat we die term als officiële benaming moesten aannemen omdat we daarmee meer kans maakten dan als “Vuile Mong en zijn Vieze Gasten”. Maar na een aantal jaren bleek dat zelfs in de Raad van Advies onze oorspronkelijke naam beter aansloeg dan “Werkgroep voor Vormingstheater” en sedertdien is dat dus herleid tot heel kleine lettertjes op ons logo. Maar heel veel kan ons dat allemaal niet schelen, want door het echte vormingstheater zijn wij ook nooit voor vol aanzien. We mochten b.v. in Nederland altijd wel gaan spelen voor het behoud van Proloog, maar zijzelf vonden wat wij deden geen goed vormingstheater. Marianne Van Kerkhoven is nog zo iemand. Destijds was er in haar ogen maar één goed vormingstheater en dat was Het Trojaanse Paard. Die maakten altijd de juiste analyse. Wij maakten zelfs géén analyse. We waren vormelijk niet goed, we waren inhoudelijk niet goed, maar als ze een boek schreef over het vormingstheater was mocht ik wel op de kaft staan om het beter te doen verkopen… Ik bedoel maar: zijn wij wel ooit vormingstheater geweest? Wat is trouwens vormingstheater? Persoonlijk vond ik dat in een “literaire” voorstelling als “Schemerstad” elementen van het vormingstheater zaten. En programma’s die toch dicht bij vormingstheater aanleunden waren b.v. “Werk zat” over werkloosheid of “Soep zonder ballen” over de vierde wereld, omdat we daarmee toestanden hebben blootgelegd die zelfs wij oorspronkelijk niet kenden.”
- Ook “Werk zat” en “Soep zonder ballen” waren, misschien niet toevallig, twee van uw meest “negatieve” voorstellingen. Daarmee bedoel ik dat de slogan “samen kunnen we iets veranderen” op dat moment ver te zoeken was…
Mong: Dat zie je b.v. heel goed aan de liedjes op onze nieuwe CD. Aangezien die uit de laatste programma’s komen, zit daar geen enkel bij, waar die zin in voorkomt, terwijl hij op die elpee van de Wereldwinkel van tien jaar geleden waarschijnlijk in elk lied voorkomt. De mensen zouden je voor zot houden als je nu een lied zou brengen, waarin je op het einde zou stellen “samen kunnen we er iets aan doen”.
Misschien daarom dat Jakob Beks mij over het werken bij Mong vertelde: “Ik was enorm verbaasd over de moeheid die daar heerste. Ik vond dat die moeheid daar zo mogelijk nog groter was dan in de traditionele theaters waar ik tot dan toe had gewerkt. Mijn verwachtingen waren duidelijk te hoog gespannen. Voor mij had dit opnieuw theater als een feest moeten worden, maar zij zaten al aan het einde van hun bobijntje. Ik moet ook wel toegeven: ik werd daar in de watten gelegd. Ik moest de tent niet mee helpen opbouwen of afbreken. Terwijl zij daar nog stonden te sleuren, ging ik dikke pinten pakken. Ik hoorde er m.a.w. niet echt bij. En dat lag ook aan mij. Want van zodra ik merkte dat het feest niet zo direct te bespeuren was, heb ik ook geen poging meer gedaan om er echt bij te horen. Bovendien vond ik dat Mong zelf het nog wel in zich had - als hij weer eens uit de bol ging op scène, moest ik hard bijbenen om ook niet te worden weggespeeld - maar dat kon niet van alle leden van de groep worden gezegd.”
Mong: We moeten nu paradoksaal genoeg harder werken dan in de tijd toen we met een tent rondtrokken. Want toen speelden we iedere keer twee maal: naast de avondvoorstelling, was er immers steeds een kindervoorstelling in de namiddag. We zijn daar eigenlijk mee begonnen omdat we zelf kinderen hadden en omdat we ondervonden dat daar door links zo weinig voor werd gedaan. Bij gebrek aan beter waren organisaties als de CSC en zo verplicht om ook Poppenkast Patske te vragen. Zo haalden we zonder problemen ook telkens meer dan honderd voorstellingen. We zijn daar terecht mee gestopt, maar daarmee zijn ook die kindervoorstellingen weggevallen. Als we dus zestig keer “Ubu” spelen, hebben we nog altijd maar zestig voorstellingen. Volgens de Raad van Advies moeten we 75 keer spelen en in het nieuwe decreet binnenkort zelfs 100, maar nog afgezien daarvan hebben we al mogen meemaken dat Tentakel een negatief advies kreeg omdat ze van 89 naar 83 voorstellingen waren gezakt! Je kan je dus voorstellen wat er gaat gebeuren als wij van 120 naar 75 voorstellingen gaan terugvallen. Met als gevolg dat wij nu 60, 70, 80 keer “Vinaigrette” gaan spelen van Groningen tot in de Ardennen. Het is dus natuurlijk wel waar dat we vroeger hard moesten werken, maar in de winter - als er geen acties waren tenminste - dan konden we soms toch al eens een lang weekend op ons gemak zijn. Maar dat is nu gedaan, hé! De voorbije winter zijn Magda en ik elk weekend gaan spelen.
WHITE SPIRIT
Ondertussen zijn de kinderen zonder al te veel problemen volwassen geworden en het theater zelf heeft sedert het aantreden van de (voor anderen zo gevreesde) nieuwe Raad van Advies zowaar een nieuwe stimulans gekregen. Zij vreesden nochtans het ergste…
Mong: “Johan Thielemans is tijdens de Gentse Feesten naar ‘White Spirit’ komen kijken en ik heb hem achteraf eerlijk bekend dat wij erop voorbereid waren dat we uit de boot zouden liggen. Daarom ook dat ‘White Spirit’ niet het niveau haalt van ‘Over de schreef’ b.v.”
Op 12 november 1993 zag ik in den Oepites “White spirit”, de nieuwste politieke revue die Mong samen met Arlette Veys in elkaar heeft gestoken en waarvoor hij gewoontegetrouw wordt bijgestaan door Magda De Meester en Fabien Audooren aan de toetsen. Het thema is “Vlaanderen 2002″, het plan van Van den Brande dat op zeven sporen loopt: Vlaanderen leefbaar, creatief, lerend, werkend, zorgzaam, toegankelijk en democratisch.
Mong: “We hebben die productie in spoedtempo in elkaar gestoken, daar wij eind juli nog altijd niet wisten waar we stonden en in grote paniek waren en langs alle kanten, maar dan vooral door RAT-lid Christel Opdebeeck, werden getipt dat als men de Nieuwe Scène zou opdoeken, dat dat dan toch ook wel met ons het geval zou zijn. Er zijn zelfs nog gesprekken geweest over een mogelijke fusie om op die manier te redden wat er nog te redden viel.”
“Het grootste probleem blijft natuurlijk dat zolang de begroting van cultuur niet groeit, men enkel wat verschuivingen krijgt. Als men voor de bibliotheken een miljoen méér wil, dan moet dat ergens anders worden afgenomen. En zo ook binnen het theater zelf: als een bepaalde groep meer krijgt, kan dat enkel ten koste van een andere. Vandaar dat de solidariteit tussen de theaters nihil is natuurlijk. Terwijl op de vergadering van de theaterdirecteurs pro forma moord en brand wordt geschreeuwd als b.v. het Nieuw Vlaams Theater wordt opgedoekt, dan hoor je later dat diezelfde dag er reeds groepen aan de deur stonden om te zien of er al een inventaris was gemaakt en wanneer alles zou verkocht worden. Alweer een concurrent minder…”
“Maar goed, Johan heeft daar niet echt op geantwoord, tenzij dat die geruchten ongegrond waren en dat er binnen de RAT zelf zelfs geen discussie over is geweest. Ook met de beoordeling in de tekst waren wij erg blij. Nu feliciteert men ons met het feit dat bij ons het sociale engagement nog altijd op de eerste plaats komt. Niet alleen is dat de eerste keer op al die jaren, vroeger zegde men zelfs bijna letterlijk het omgekeerde. Zo heeft men ooit eens gezegd dat ons idealisme er een was uit de jaren zestig en niet meer uit de jaren tachtig b.v.”
DE KNOTWILG
“Wegens die sombere vooruitzichten waren we ondertussen op onze boerderij in Zomergem met het ‘landelijk verblijfcentrum’ De Knotwilg begonnen. De Knotwilg heeft in feite niets met de groep te maken, dat is eerder een privé-initiatief van Magda en mij. Het is wel een uitvloeisel van de manier zoals we nu werken. Vroeger studeerden wij tijdens de winter in dat gebouw nieuwe stukken in, maar dat is nu niet meer nodig. ‘Vinaigrette’ b.v. heeft zo’n kleine bezetting dat wij dat bij manier van spreken in de woonkamer maken. Anderzijds hebben wij altijd veel vrienden gehad die hier kwamen kamperen. Dat is best leuk, maar soms liep het een beetje uit de hand en waren het hele groepen die naar hier kwamen. Daar waren we niet echt voor uitgerust en we zijn dan eens beginnen nagaan welke mogelijkheden er daarvoor waren binnen deze landbouwzone hier. En zo hebben we ontdekt dat men voor groepsverblijven niet eens een vergunning nodig heeft.”
“We hebben dan een bouwvergunning aangevraagd voor de aanleg van w.c.’s en douches en daarnaast hebben we een volledig uitgeruste keuken, 27 bedden, een vergaderzaal, een ontspanningsruimte met een bar en een weide die zowel als speelweide dan als kampeerweide kan worden gebruikt. We verhuren wel alleen in de weekends en in de grote vakanties, want gedurende de week krijgt de groep voorrang. Maar toch heeft het ook allemaal wel een beetje te maken met de vrees voor als er ooit iets met de subsidies gebeurt, dat we dan niet helemààl in een gat terechtkomen. Je moet er vanuit gaan dat in dit land altijd het risico blijft bestaan dat je als groep in één keer wordt opgedoekt. En zowel in het geval van Fabien en Rita als van Magda en mij zitten we telkens beide in de groep, dus…”
HEILIGE KOEIEN
“White Spirit” is een wat bittere voorstelling, maar alleszins toch nog altijd effectiever dan de “antifascistische” stukken, “Drek” en “Heilige koeien” in Arca, waarover ik met Mong van gedachten wisselde, meer bepaald over de effectiviteit van dergelijke nieuwe vormen van “vormingstheater”.
Oliver Czeslik schreef “Heilige koeien”, althans onder die titel werd het opgevoerd door Arca in een regie van Sabine Reifer. Met Bert van Tichelen als Karl Klementi, een soort van linkse Jambers, die de vermetele moed heeft opgevat een “inside” reportage te maken over neo-nazi’s. Erik Burke is Gero von Wilfenstein, de leider van de neo-nazi’s, die hem ontmaskert en aan een dagenlange marteling onderwerpt met het vooruitzicht hem op de verjaardag van Hitler in Dresden te “offeren”. Tenslotte is er Ann Saelens als Ulrike, een sexy bedoelde maar eerder volslanke “collega” van Klementi, van de schrijvende pers weliswaar, die reeds enige tijd in het milieu is geïnfiltreerd. Als Ulrike wordt ontmaskerd, schijnt ze zich om haar vel te redden te “bekeren”. Ook Klementi komt op het einde tot het “inzicht” dat de neo-nazi net zo goed zijn “zoon” kan zijn. Een merkwaardig slot voor een voor de rest ook al totaal mislukte voorstelling, waarin plat realisme voor mislukt “théâtre de la cruauté” moet doorgaan.
Het is onduidelijk wat Arca bezielt met de programmatie van dit seizoen (wie is daar overigens verantwoordelijk voor?). De strijd tegen het opkomend fascisme is natuurlijk zeer lovenswaardig, maar of die strijd met de verkeerde stukken dient te worden gevoerd is nog maar de vraag. Komt daarbij nog dat geen enkele fascist zich al de moeite zal getroosten om zich naar Arca te verplaatsen om daar dan “bekeerd” te worden (voor zover deze stukken daar al toe aanzetten). Dit is verkeerd begrepen vormingstheater. Czeslik (28 en zoon van een militair officier) heeft weliswaar Germaanse en theaterwetenschappen bestudeerd, maar dan toch niet goed. Ik heb het gezien in het Arcatheater op 01/11/1993, Mong ongeveer een maand later.
Mong: “En we waren maar met acht toeschouwers. Daarom mochten we voor het ‘ijzeren gordijn’ plaatsnemen. Maar om eerlijk te zijn, ik heb van dat stuk niks begrepen. Ik kan daar dus eigenlijk weinig zinnigs over vertellen. Ik heb daar met verbazing naar zitten kijken. Alleen al van het decor heb ik niets begrepen. Alleszins niet wat al die video’s daar stonden te doen. Een paar daarvan waren blijkbaar gewoon televisieprogramma’s aan het tonen, want op een bepaald moment kwam er een seksscène uit één of andere film. Ik vind, als die schermen er dan toch staan, dat ze toch een verband moeten hebben met het stuk, zoals dat met een paar, waarop ze steeds dezelfde reclames gaven, blijkbaar wél het geval was. En tussendoor was er dan voortdurend van die keiharde Duitse muziek, waarvan je achterover valt. Ik kan je verzekeren dat als je dan maar met acht mensen bent, dat je zo naar mekaar zit te kijken van: och god, daar gaan we weer!”
- Kun je iets over die zes andere mensen vertellen? Ik bedoel, wie komt daar nu naartoe? Jonge mensen, ouderen?
Mong: “De twee. Wat de oudere mensen betreft, leken het mij wel abonnees.”
- En er groeide, ondanks het feit dat je maar met weinig waart en dat je “in” het decor mocht zitten, geen soort van samenhorigheidsgevoel? Er werd niet gediscussieerd?
Mong: “Hoegenaamd niet. Van zodra het stuk gedaan was, wilde iedereen zo rap mogelijk naar buiten. Zelf moest ik trouwens nog naar een fuif van het migrantencentrum De Poort-Beraber en de tegenstelling was al meteen erg frappant. Dat was een feest waar Turken, Marokkanen en Belgen gezellig aan tafeltjes bij elkaar zaten of aan het dansen waren en ik dacht: is dat geen veel leuker manier om het racisme te bestrijden? Want dat is wat mij het meeste opviel: het totale gebrek aan humor en aan relativering. Al geef ik wel toe, dat de beide stukken geschreven zijn voor een Duitse situatie die volgens mij toch wel veel erger is dan hier, met zware aanslagen, folteringen en wat weet ik allemaal.”
- Ja, want ik moet toegeven, op de première stond Sabine Reiffer, de Duitse regisseur, wel te wenen, zo aangedaan dat ze erdoor was.
Mong: “Misschien wel. Nu wat de mensen die dat speelden betreft, dat zijn acteurs die geregeld voor Arca spelen, ik ken er een paar persoonlijk, dus ik heb daar geen problemen mee, dat zijn behoorlijk goede acteurs, maar toch zit je hier met een hoop gemiste kansen. Je leeft je b.v. nooit in in de situatie. En al die horror, die heeft toch de bedoeling van je echt te doen griezelen, maar eigenlijk wekt het alleen de lachlust op. Het raakt je kouwe kleren niet. Over kleren gesproken, ik moest wel lachen met het gestapo-uniform van de zogenaamde leider, met een kepi die veel te groot is en wat weet ik allemaal. Ach, laten we het maar vergeten.”
- Akkoord, maar hoe komt men er eigenlijk bij zo’n stuk te spelen, dan nog wel met een decor dat niet toelaat op verplaatsing te spelen, zodat de mensen er echt naartoe moeten komen. Hoe wil je dan mensen bereiken, of noem het voor mijn part “bekeren”, die daar toch niet naartoe komen? En àls leden van het Vlaams Blok daar nu al zouden naar gaan kijken, zouden ze er dan “bekeerd” uitkomen?
Mong: “Ik denk niet dat dat de bedoeling is van Arca. Vandaar ook dat ik b.v. de dialoog die Geertrui Daem voor het lunchtheater schreef veel efficiënter vond. Ze speelde die zelf samen met Filip De Fleurquin van de Crèche Band, die een rockmuzikant speelde die in de Oude Gordel woont en die denkt dat iemand van een gazet hem komt interviewen over zijn muzikale plannen. In werkelijkheid wil ze hem echter vragen stellen over de migranten. En dan lopen die twee gegevens door elkaar, wat uiteraard tot grappige misverstanden leidt. En toch zit alles erin, in zo’n stuk: het feit dat men wel goed overeenkomt, maar dat er ook andere momenten zijn, waarbij men duidelijk niet tot overeenstemming komt. ‘Rock’n'roll b.v. dat kunnen die gasten nie spelen, hé madammeke, en dan klagen ze over mijn lawaai, maar als zij muziek spelen dat dringt ook overal door, weet ge’. Dat zijn allemaal heel reële dingen, maar die erg plezant werden gebracht en waarbij je op de duur zelfs de overtuiging krijgt van ‘wat een prettige buurt om in te wonen’. Soms wordt er al eens ruzie gemaakt, maar waar gebeurt dat niet? Je moet niet idealiseren, hé! Daarom vonden wij dat in ons eigen programma ‘Over de schreef’ die monoloog over dat oud vrouwtje dat denkt dat haar gebuur ‘Shitman’ heet, een plaats had, ook al suggereer je daar inderdaad wel mee dat een deel van de migranten met shit bezig is. Maar dat klopt, hé, je moet dat niet wegsteken. Het is overigens een echt gebeurd verhaal. Ik denk dat je op dat vlak dus een onderscheid moet maken met mensen zoals wij, die toch nog altijd een soort van vormingstheater willen maken, hoe zwaar dat woord ook beladen is. Dat we m.a.w. de mensen iets willen bijbrengen, dat we iets op gang willen brengen. Arca daarentegen speelt gewoon stukken die ze willen spelen en als er daarbij dan al eens een stuk is dat over de actualiteit gaat, dan hoopt men dat ook het gewone publiek daarop af zal komen.”
- Dat zal wel juist zijn, want ik dacht eerst dat er een bewuste politiek achter de keuze van die stukken schuilde, maar Luce Premer ontkent dat. Zij zegt dat de regisseurs zelf stukken aanbrengen en dat die nu toevallig wel in dezelfde richting gingen. Ik moet er echter wel aan toevoegen dat niet minder dan drie regisseurs met die ‘Heilige koeien’ afgekomen waren!
Mong: “Ik heb daarover vooraf ook een gesprek gehad met Jo Decaluwe. Hij zat er duidelijk ook mee in zijn maag, maar hij vond het toch erg dat wanneer een stuk zo grondig afgebroken wordt, zoals Wim Van Gansbeke in De Morgen had gedaan, dit dan werkelijk een heel zware weerslag heeft op de publieke opkomst. Dat is ook zo natuurlijk. Voor dàt soort theater is de macht van de critici heel groot. Een goede bespreking betekent: uitverkocht. Een slechte daarentegen, dan kun je het beter meteen afvoeren. Maar dat kan dan weer niet omdat die contracten vastliggen enz.”
- Je zegt er wel terecht bij: voor dat soort theater, want…
Mong: “… het is een vicieuze cirkel, natuurlijk. Er is maar een beperkt theaterpubliek en dat is ook het publiek dat de kritieken leest. Bovendien is er op dit moment een overaanbod aan theater. Zelfs in Gent kan je iedere dag kiezen tussen een heleboel mogelijkheden. Ik vergelijk dat met boeken kopen. Ik lees graag boeken, maar het aanbod is zo groot dat ik noodgedwongen naar de kritieken grijp om te beslissen wat ik ga aankopen. Als een bepaald recensent een boek aanprijst, dan zal ik geneigd zijn mij dat boek ook aan te schaffen. Terwijl als een bepaald boek wordt afgekraakt, dan heb ik al een tweede opinie nodig van iemand die zegt: neenee, koop het toch maar, vooraleer ik het zal overwegen. En bij theater is dat precies hetzelfde.”
- Ja, maar het uitbreiden van dat cirkeltje, dat is er al lang niet meer bij. Niemand heeft nog aandacht voor “de gewone man” of hoe moet ik dat noemen. En ik heb het dan zelfs niet eens over politiek, hé! Nee, gewoon cultureel. Zo in de zin van: in plaats van altijd maar naar VTM te kijken, kom eens naar het theater. Op die basis kan je ze toch niet naar het theater sturen?
Mong: “Dat is nog een ander aspect natuurlijk, dat niet alleen VTM, maar televisie in het algemeen zo’n belangrijke rol speelt. Met als gevolg dat van zodra een gezelschap in een serie mag spelen, hun broodje gebakken is. Dat was vroeger zo met het MMT en ‘De Collega’s’, maar dat is nu ook nog altijd zo met het Raamtheater en ‘Langs de kade’ b.v. En daar wordt dan ook voor ‘gelopen’, hé. ‘Blauwe Maandag’ heeft nu al niet te klagen over publieke belangstelling, maar ik kan je verzekeren dat heel die Xavier De Baere-historie hen geen windeieren gaat leggen! Zoals ook Jan Decleir volle zalen trok met moeilijker dingen en soms zelfs minder goeie zoals dat ellenlange ‘Gilles’ van Hugo Claus.”
DREK
Mong: “Daarmee kom ik dan wel bij ‘Drek’ terecht, want daar was ook niet veel volk - een kleine dertig mensen - maar toevallig zaten daar wel mensen bij die ik kende. Echt heel gewone mensen. ‘Volgende week gaan we naar De Drei Dutsen kijken,’ zeiden ze, daarmee kun je ze al onmiddellijk plaatsen. Dat zijn mensen die het amateurtheater aflopen. En waarom waren ze naar ‘Drek’ gekomen? Omdat Jo De Meyere het speelde natuurlijk, omdat ze die al zo veel op televisie hadden gezien. En ook al vonden ze het dan niet zo goed, ‘het is en blijft toch wel ne verschrikkelijk goeien acteur, hé meneer’.
Nu, dat is wel waar natuurlijk, in het geval van ‘Drek’ had ik dan ook meer problemen met de eigenlijke tekst dan met de opvoering. Het is een tekst die alleen maar steunt op het zelfbeklag van die Iraniër en ik had zo voortdurend de neiging te zeggen: maar man, is er hier nu echt niemand die je bloemen koopt? Is er nu eens nooit iemand vriendelijk tegen je? Is er nu nooit eens iemand die zegt: zet je hier op deze bank in plaats van te zitten lullen dat je daar niet op mag zitten? Hoe dikwijls ik die zin niet heb moeten horen: ‘Ik zie banken met die ijzeren leuningen zo graag, maar ik ga daar niet op zitten, want ik heb het recht niet zo’n bank aan te raken.’ Allé, denk je nu echt dat er één Gentenaar zou passeren die zou zeggen: wat zit gij hier eigenlijk op mijn bank te doen?
En zelfs al zou er ene zoiets zeggen dan staat er onmiddellijk een andere klaar om te zeggen dat hij moet zwijgen want dat die mens evenveel recht heeft om op die bank te zitten als hijzelf. En dat was zo met die bank, maar dat was ook zo met alles. Voortdurend maar dat zelfbeklag van ‘ik heb het recht niet hier te zijn’, ‘ik stink’, ‘bij ons is het allemaal niet goed’, ‘wij hebben geen cultuur’. Dat was misschien allemaal wel goed bedoeld, maar dat maakte mij zo wrevelig. Teheran is verdomme twintig keer mooier dan Gent! En daar komt nog bij: iemand die zichzelf zo voortdurend zit te beklagen, daar heb je op de duur geen enkel medelijden meer mee. Dan blijft er natùùrlijk niets anders meer over dan de drank, zoals in het stuk zelf werd aangegeven. En hij vertelt dan ook over die vriend die zelfmoord heeft gepleegd. Dan denk je: dat zal bij hem ook wel niet lang meer duren! Nogmaals, misschien is dat de Duitse situatie. Maar anderzijds: ook dààr zijn er al grote betogingen tegen het racisme geweest, hé!”
- Dat is het juist: je hebt rabiate racisten en je hebt overtuigde anti-racisten. Maar de grote massa beweegt zich daar ergens tussen. En die zou je met het theater kunnen beïnvloeden.
Mong: “Maar dan niet met zo’n stuk, hé.”
- Ik ben nochtans bang dat dit stuk dat wél op reis kan, wel degelijk die bedoeling heeft. Dat het zelfs op scholen is gericht, al vrees ik dat die scholieren daar dan een ferme kater zullen aan overhouden, aan het antiracisme én aan het theater.
Mong: “Dat denk ik toch niet dat het voor scholen bedoeld is. Maar als het wel zo zou zijn, dan zou dat inderdaad spijtig zijn. ‘t Is veel te negatief. Waarom vertelt die man niet eens iets moois over zijn land? Dat werkt nog altijd het best. Als je eerst iets moois vertelt en dan eraan toevoegt waarom je er dan toch niet blijft. Want als je honger hebt, dan is schoonheid niet voldoende, zoals ook uit dat prachtige verhaal van Willem Vermandere blijkt. En die passage als hij een Vlaams Blokker speelt, die vond ik al helemààl niet goed. Ook al omdat hij daar dingen zegt, die niet alleen door extreem-rechts kunnen worden gezegd, hé. Dat de kinderen hier slecht opgevoed zijn, b.v. Dat ze op zeven jaar al ‘kut’ en ‘klootzak’ zeggen. Maar dat zijn dingen waar links ook mee in z’n maag zit! Er zijn nu eenmaal een aantal zaken uit de hand gelopen. Je moet sommige mensen uit het onderwijs maar eens horen vertellen hoe kinderen van zeven jaar zich kunnen gedragen als kleine potentaatjes, die zich alles menen te mogen permitteren, dingen beschadigen en tegen àlles kut en klootzak zeggen.”
- Ik heb dat zelf ook meegemaakt toen n.a.v. de discussie over die horror-video’s Marijke Dillen van het Vlaams Blok met een voorstel voor de dag kwam. Ik dacht: ik ga dat hier eens zwaar aanpakken, maar wat bleek? Wat ze voorstelde, was niet slecht. (Ze wilde ze b.v. niet verbieden, maar ze wel taksen opleggen, wat inderdaad veel efficiënter is. Bovendien sprak ze enkel over horror en veralgemeende ze niet naar porno.)
Mong: “Siegfried Bracke kent door zijn functie als BRT-verslaggever voor de Wetstraat het Blok erg goed. En zijn standpunt is al lang: men pakt het Vlaams Blok verkeerd aan. Je moet niet op voorhand alles wat ze zeggen afkeuren, je moet ze bekampen daar waar ze te bekampen zijn. Je moet er inderdaad niet mee samenwerken, maar a priori alles afwijzen wat ze zeggen is geen oplossing, want soms zeggen zij ook wel eens zaken die juist zijn en precies dààr halen ze hun succes uit. Er zijn inderdaad wijken in de stad die niet meer veilig zijn. Dat heeft heel dikwijls weinig met vreemdelingen te maken maar evenzeer met jonge Belgen die niet te vertrouwen zijn. En daar moet inderdaad iets mee gebeuren. Die wijken zijn immers niet verloederd door de vreemdelingen, ze waren al lang verloederd voor de vreemdelingen er kwamen. Dat is een onrustwekkend fenomeen dat zij terecht aanklagen. En daar halen zij heel veel stemmen mee. Andere partijen zouden zich daar veel beter mee bezighouden: zij moeten die verloedering bestrijden.
En daarom heb ik aan die ‘Drek’ wel iets gehad. Nu weet ik namelijk hoe ik het niet moet doen. Aan ‘Heilige koeien’ heb ik echter helemaal niets gehad. Dat vond ik kitsch, ook in de vormgeving trouwens. In ‘Drek’ zitten toch nog een paar goede elementen. Het beeld van die bloemenverkoper b.v., dat vind ik op zich een prachtig gegeven. Het doet me denken aan dat boek van Leon De Winter waarin een Russisch kerngeleerde uitwijkt naar Israel en daar niet aan werk geraakt. Hij wordt dan maar straatveger. En dan blijkt dat die andere straatvegers ook advocaten zijn of ingenieurs. Dat is dan grappig, maar tegelijk zet dat aan tot nadenken. Want die Rus geraakt wel aan de drank, maar helemaal ongelukkig is hij toch ook niet, omdat hij voor het eerst van zijn leven een job heeft, waarin hij relatief weinig verantwoordelijkheid draagt. Als zijn stukje straat maar proper is.”
Dat positieve zit inderdaad in “Een klein kasteeltje” (eind 1994), waarin Mong een ongedefinieerde vluchteling speelt die op zijn erkenning door “het klein kasteeltje” wacht. Hij doet dat ondergedoken bij een petite bourgeoise (Magda), die nadat haar man op de vlucht voor belastingfraude naar Argentinië is verdwenen niet kan wennen aan haar verminderde status. Ze weigert naar het OCMW te gaan, maar laat “Jacques” wel in ‘t zwart werken voor haar. Ze noemt hem overigens Jacques omdat ze vroeger een “boy” had met die naam. En ze had ook de Poolse Olga “om haar rug te wassen”. Maar in plaats van het “klein kasteeltje” waarin ze vroeger woonde, woont ze nu in een klein appartementje, waarin ze zich steeds maar beklaagt over de muziek van de vreemde buren (Fabien Audooren en Guido Schiffer). Zelf is ze verzot op musical en het beste moment is wanneer ze in het verhaal over de vluchtende familie Von Trapp verstrikt raakt. (Tekst en regie waren van Lisette Mertens; de liedjesteksten zijn van Wilfried Gepts.)
Op dezelfde dag dat een 13-jarige jongen zich in Wetteren een kogel door het hoofd schoot bij een “spelletje” Russische roulette, begaven wij ons ook naar deze Oost-Vlaamse gemeente in gezelschap van Vuile Mong en zijn Vieze Gasten die er op het Instituut Mariagaard een voorstelling van “Een klein kasteeltje” gingen verzorgen. Is dat iets wat nu vaak gebeurt? Ook in katholieke scholen spelen?
Mong: “Méér in katholieke scholen dan in rijksscholen, maar dan wel gewoon omdat er ook meer katholieke scholen zijn. Dat is vooral begonnen met ons programma ‘Over de schreef’, al waren er voordien reeds een paar vrije scholen die ons op ‘culturele’ basis hadden uitgenodigd, met ‘Heldendeugd’ b.v., maar zelfs ook met ‘Koning Ubu’! Maar de grote ommekeer is er gekomen met ‘Over de schreef’, wat in feite samenvalt met de verkiezingen die als ‘Zwarte Zondag’ de geschiedenis zijn ingegaan. Van de 220 voorstellingen hebben we er 120 in scholen gespeeld, waarvan 80 in het vrij onderwijs.
Let op: het blijft wel een schoolvoorstelling. Dat is dus niet altijd even leuk, want er zit zeker tien tot twintig procent bij die al op voorhand geen zin heeft om daar naartoe te komen. Maar door de scholen zelf worden we meestal goed ontvangen. We spelen meestal in de school zelf, dus niet in een cultureel centrum waar ze naartoe moeten komen en dat blijkt toch al positief te zijn. Bovendien kaderen de voorstellingen bijna altijd binnen een bepaald project. Dat zorgt wel voor een bepaalde sfeer, maar ik heb toch de indruk dat heel veel jonge mensen en dan vooral uit het technisch en beroepsonderwijs sterk bij het thema betrokken zijn. Nu is er weer vraag naar stukken als ‘Over de schreef’ of ‘Een klein kasteeltje’. Het is een nieuwe generatie, hé. Nu spreken we meestal publieksgroepen aan die van het ontstaan van de Vieze Gasten niets meer afweten. Die vragen dan ook steevast vanwaar die naam komt b.v., want als we nu zouden beginnen dan zouden we die naam niet meer kiezen natuurlijk, dat is duidelijk. Maar als ik er dan ‘Vuile Mong’ aan toevoeg, dan blijkt ‘Het Apekot’ toch wel ergens te zijn blijven plakken.
Maar ook de organisatoren zijn veranderd. We hebben nu heel veel schoolvoorstellingen om te beginnen, iets wat vroeger ondenkbaar was, maar ook de avondvoorstellingen zijn veranderd. Nu zijn dat meestal Wereldwinkels of groepen die rond de derde wereld werken en dat kan dan zowel 11.11.11 als Broederlijk Delen zijn. En natuurlijk ook groepen die echt rond vluchtelingen werken. Al is het publiek zeer wisselend. Er zijn ook mensen bij die van de hele problematiek zeer weinig afweten. Anderzijds zijn er ook pastoors die ons komen vertellen dat een aantal families in het dorp persoonlijk enkele vluchtelingen ondersteunen. Want over het algemeen is de vraag van katholieke organisaties als KAV en KWB veel groter dan die uit socialistische hoek. En de communisten zijn helemaal verdwenen natuurlijk.
Van 17 juli tot en met 21 juli 1995 traden twee levende legendes van de Gentse Feesten voor het eerst samen op. Mong Rosseel en Walter De Buck waren dan immers te zien en te horen in de Rode Pomp. Eigenlijk deden ze elk “hun ding”, maar Lisette Mertens had daar een lijn ingestoken, zodat de liedjes van Walter en de monologen van Mong als het ware naadloos in elkaar overgingen. Als De Buck zichzelf in een lied typeert als “De simplist”, dan plaatst Mong daar de monoloog “De extremist” tegenover. Of als Walter het heeft over “De vijf zintuigen”, dan voegt Mong daar “de primitieve lach” aan toe. De muzikanten van De Buck (accordeonist Oswin Catteeuw en bassist Clee Van Herzele) trokken trouwens ook een streepje muziek onder Mongs bijdragen. Iedereen blijft immers heel de tijd op het podium.
De liedjes van De Buck zijn nieuw, zoals men kan merken. Ze zijn net zoals vroeger nog wel maatschappelijk geëngageerd, maar de tijdsgeest heeft De Buck toch niet helemaal onberoerd gelaten, want hij vertrekt nu vanuit zijn persoonlijke betrokkenheid. Zo is er nog een lied over de televisie, dat ongetwijfeld op het postmodernisme zal inpikken, en nog een ander zelfportret dan “Den doener” als titel meekreeg. “Het zou leuk zijn mocht Mong hierop aansluiten met zijn monoloog over een soort Guust Flater die verslaafd is aan stommiteiten,” lacht Lisette Mertens.
Ook die monologen van Mong waren allemaal gloednieuw, enerzijds van eigen hand, anderzijds weer een paar vertalingen van zijn grote Franse idool Raymond Devos. Ook Mong vertrekt van eigen ervaringen, die dan worden opengetrokken naar de hele maatschappij. “Maar alles met la bonne humeur natuurlijk, het is tenslotte Gentse Feesten.” Een voorbeeldje? “Mong begint met een monoloog over het feit dat hij nu ook een manager heeft die hem wil lanceren met een grote publiciteitstunt, maar dan blijkt uiteindelijk dat die manager meteen ook maar De Buck wil lanceren.”
In december wilden de Vieze Gasten mee het 25-jarig bestaan van het GAT vieren. Mong had dat al lang aan Eddy D’haese beloofd. Hij stelde voor om “Who’s afraid of Virginia Woolf?” in het dialect te spelen, Mong en Magda als een West-Vlaams koppel en Eddy en Sonia Berbiers een Gents. Toen Eddy dit vertelde aan zijn vriend Jaak Vissenaken die t.g.v. “Je Anne” nog eens in het land was (i.p.v. in zijn restaurant in de Provence) stelde deze voor op basis van dit gegeven een eigen stuk te schrijven. Bovendien is het de bedoeling om als echt volksstuk een hommage te zijn aan Romain De Coninck. In het begin is het op die manier een echt boulevardstuk geworden met veel misverstanden, veel actie en veel slaande deuren zou ik zeggen, ware het niet dat het zich op een zeer rudimentaire weergave van een schip afspeelt en er dus niet veel deuren voorhanden zijn. In het tweede deel wordt het dan iets ernstiger in die zin dat de breuklijn niet meer langs de twee koppels loopt, maar dat de vrouwen toenadering zoeken tot elkaar, waardoor de mannen uiteindelijk in hun hemd komen te staan. Vervolg in de Minard, dachten we, maar uiteindelijk voegde ook Mong zich met dit “Vlot verkeer” bij de reeks “afgevoerde stukken”. De reden? “Onvoorziene omstandigheden”, aldus het antwoordapparaat. Iemand die het kan weten vertelde me later dat het aan Eddy Daese lag, die op het einde er blijkbaar toch moeite mee had dat hij niet meer de vedette van het stuk was. Bovendien was vooral bij zijn vrouw duidelijk dat het om amateurs ging. Zij moest namelijk tussendoor ook nog gaan werken en ‘t arme mens stond op instorten. Eén en ander betekende wel een verlies van om en bij het miljoen toenmalige Belgische franken voor de Vieze Gasten.
KLUDDE
Ondertussen bracht de rest van het gezelschap “Kludde”. Kludde en Javotte, een koppel bos- en watergeesten, zien het op het platteland niet meer zitten. “(…) Wij zitten hier te koekeloeren (…). De arriveese boeren. Zij hebben hun groene kavels verkaveld. Hun erven en hovingen vol betonnen stront gestort. (…) Al onze schuilhoeken, al onze verdoken plekken, ze zijn allemaal onder nieuwbouw en schortegroot gazon verdwenen (…).” Kludde en Javotte trekken uit armoe naar de stad. Op een kermis, een gedroomde plek voor twee geesten, ontmoeten zij Didier en Marleen. Gewone mensen, zoals er zo veel zijn. Een gedroomd koppel om Kludde en Javotte los te laten.
Javotte (tot Didier): “Uw fantasie, mijn wakker beest, moet als een knol op hol…”.
Kludde: “… moet met telloren kwade angst worden gevoederd …”
Javotte: “… xenofobe vrees. Daver en bibberatie …”
Kludde: “We hebben ze bij hun zot lowietje. Ze zijn zo content. Ze moeten niet peinzen. Alleen hun angst en vreze laten werken. Ze zijn zo van goeie wil om zich benauwd te laten maken.”
Javotte: “Ge kunt geen paard’oog maken zonder eiers. ‘t Mensdom is gewoon een hopeloze hoop gebroken eiers. En ‘t paard’oog stinkt. En ondertussen, héhéhé, lachen wij ons ‘t uitschot aan de sjarel, héhéhé, en vieren kermis.”
Men hoort het al, hier is Pjeroo Roobjee aan het woord. De regie was van Rik Hancké en de scenografie van Siskia Louwaard. Met Ann Denolf, Lisette Mertens, Genio de Groot, Bas Heerkens. Muziek: Fabien Audooren, Guido Schiffer.
Eind november 1996 ging dan “De klacht van armoede” in première, een stuk van Suzanne van Lohuizen in een regie van Vincent van den Elshout, of hoe een welstellende loodgieter via Parijs-Dakar de armoede in de derde wereld ontdekt. Magda en Mong werden voor de gelegenheid bijgestaan door Nathalie De Schepper (geen familie, ik héb gewoonweg geen familie), die ook meespeelde met Fabien Audooren en Geert De Waegeneer, als het op musiceren aankomt.
LOGE
Hoezeer de tijden alweer zijn veranderd, blijkt op 1 mei 1997 als de viering van 25 jaar Vieze Gasten toch weer grote proporties aanneemt. In de namiddag was er in de Baudelokapel een debat met de toepasselijke titel “Van mei 68 tot Mars voor Werk” en kon men daar terecht om deel te nemen van multiculturele stadswandelingen (voor wie niet te moe is van de 1 mei-stoet). Daarna kreeg een en ander toch al een wat feestelijker tintje met vertellers als Bob De Moor, Herwig De Weerdt, Geertrui Daem en natuurlijk Mong zelf, al was die ook al “van dienst” in het debat, zodat die wel stilaan zonder speeksel zal zitten. Nochtans zal ook hij wel de centrale figuur zijn als ’s avonds alweer een nieuwe CD wordt voorgesteld, een “greatest hits” als het ware, maar dan wel in een nieuwe versie. Ook soms met aangepaste teksten…
Mong: “Dat moet wel, want wat blijft er nog over van de oorspronkelijke tekst van ‘t Apekot b.v.? Het leger is afgeschaft, zijn methodescholen ook apekoten? En last but not least, wie werkt er nog veertig jaar op ‘t zelfde fabriek? Eigenlijk waren we niets speciaals van plan voor twintig jaar Vieze Gasten. Vijf jaar daarvoor hadden we hier in Zomergem nog een groot feest gegeven, maar dat zagen we niet meer zitten, daar hadden we de courage niet meer voor. Op ons vijfjarig bestaan vlogen we erin met Bots, de Veulpoepers en Werk in Uitvoering. Bij onze tiende verjaardag hield het zelfs niet op: er waren dertig groepen en dan kwamen er ongevraagd nog mensen zich aanbieden die per sé wilden optreden. Maar op ons vijftienjarig bestaan schoten er van al die groepen bijna geen enkele meer over! Maar onze pianist Fabien Audooren zit ook in het bestuur van Trefpunt en daar vond men dat we wél iets moesten doen, een CD uitbrengen b.v. Zoals de groep er nu uitziet, zat Fabien echter onmiddellijk met het probleem dat hij op zoek moest gaan naar muzikanten, speciale arrangementen maken enz. Daarom vroeg hij zich af of het niet beter was mensen aan te spreken om te zien of die niet bereid waren een nummer van ons te interpreteren. En dat is uiteindelijk prachtig geworden, want iedereen die we aanspraken was daarvoor te vinden, alleen Raymond van het Groenewoud mocht niet van zijn platenfirma. Dat is natuurlijk wel jammer, maar anderzijds hadden we toch al veel te veel. Er zullen 19 nummers op de CD staan, meer konden er echt niet op!
Dit project is enigszins te vergelijken met “Turalura” maar dan met dat verschil dat het bij Tura allemaal hits waren, zodat iedereen die reeds kende, terwijl het bij ons allemaal nummers uit de programma’s van de laatste jaren zijn. Het oudste dateert uit 1984. Geen enkel heeft dus ooit eerder op plaat gestaan. Dat geldt zowel voor Bram Vermeulen en Que Pasa die elk een lied uit “Schemerstad” zingen, als voor Johan Verminnen (”Als we maar gezond zijn”) of Walter De Buck. Deze laatste zingt “Werken is zalig”, dat is op zichzelf al geestig om De Buck zoiets te horen zingen. Wannes van de Velde van zijn kant zingt een lied waarvan we zelf de tijd nog niet hebben gehad om het aan te leren. Hij heeft wel een beetje aan de tekst gesleuteld. Dat mocht, want iedereen heeft de tekst gekregen, het akkoordenschema en de melodie, maar men mocht daar vrij mee omspringen. Zo heeft Willem Vermandere voor “Paris-Dakar” enkel de tekst bewaard, bewerkt in het West-Vlaams weliswaar, en daarop dan een andere melodie gemaakt. Prachtig! De rest is behoorlijk trouw aan de melodie gebleven, maar er staan wel de wonderlijkste arrangementen op. Gorki zingt b.v. het nummer over het voetbal uit “Vinaigrette”. Ze beginnen op een tangoritme, zoals ook wij het spelen, maar na de eerste strofe barsten ze los in één rechtlijnig rocknummer. In datzelfde genre zingt Give Buzze “Zwartwerk” en de Crèche Band “De Muur”. Maar er zitten ook vier instrumentale nummers bij. Guido Schiffer heeft de muziek uit “Heldendeugd” tot een suite bewerkt, terwijl Koen De Cauter een ander stuk uit dat programma brengt. Jeroen Van Herzele heeft de muziek uit “Midzomernachtmerrie” bewerkt en Piceni heeft hetzelfde gedaan met de tango uit “Het Volle Leven”. We financieren de CD wel zelf, samen met Trefpunt, maar eens de kosten terugbetaald zijn, is de opbrengst volledig voor de Wereldwinkel, aangezien al de artiesten gratis hebben meegewerkt. Met dat geld wordt een project in Nicaragua gesteund dat ik nogal geestig vind, omdat het een coöperatieve is die wil overschakelen naar biologische koffieteelt.”
Ter gelegenheid van deze verjaardag werd Mong in “De Morgen” door Meesteres P. ook “ge-out” als logebroeder. Ik schreef hem een kaartje met daarop “pure roddel veronderstel ik?”, maar ik kreeg nooit antwoord…
VINCENT VAN DEN ELSHOUT
Tijdens de daaropvolgende Gentse Feesten konden we kennismaken met de nieuwste productie van de Vieze Gasten, “Een schot in het duister”. Een vader (Mong Rosseel) is daarin geobsedeerd door de toenemende onveiligheid. Als zijn dochter Sofie (Nathalie De Schepper) dood wordt aangetroffen, neemt die obsessie natuurlijk nog grotere afmetingen aan. Maar is de stad wel zo onveilig als sommigen ons willen doen geloven? (Een tijdlang kon deze voorstelling - eveneens in een regie van Van den Elshout - echter niet aangevraagd worden, aangezien het busje met de decorstukken werd gestolen. Nee, dit is geen grap.)
Fabien Audooren mag dan niet langer actief deel uitmaken van de Vieze Gasten, hij is nog steeds voorzitter van de Raad van Bestuur en in die hoedanigheid stelt hij in de brochure voor het seizoen 1998-99 de nieuwe artistieke leider voor, Vincent van den Elshout.
Twaalf jaar geleden speelde hij reeds mee in de productie “Schemerstad” (over politieke vluchtelingen - tiens, toen al?), maar het is pas sinds vorig jaar dat hij werd aangezocht om de artistieke leiding over te nemen van Lisette Mertens. Aangezien hij met genoegen vaststelde “dat Mong en zijn kompanen niet afweken van het doel dat ze zich in 1972 gesteld hadden, nl.geëngageerd theater brengen voor alle groepen van de samenleving” is het dus zeker niet de bedoeling het roer radicaal om te gooien. Toch wordt hij geconfronteerd met de uitdaging “om een evenwicht te vinden tussen een nieuwe, misschien meer vormelijke aanpak, zonder de directe aanpak van de groep te verloochenen,” aldus Fabien Audooren.
Verjongen is de boodschap en dat gebeurt vooral met een “tweede plateau”, wat bij de Vieze Gasten de benaming “DVG De Storm” meekreeg. Op 27 november stelden zij “Lui zweet” voor in een regie van Van den Elshout zelf. Toen ik op de opening van het Buurtstation Gent West, de nieuwe theaterzaal van de Vieze Gasten, Vuile Mong en Magda achter de toog zag staan, dacht ik dat de jaren zeventig (met het buurthuis in de Sleepstraat) terug waren. Toen even later echter het stuk «Lui zweet» in première ging, wist ik het wel: het wordt nooit meer zoals vroeger. Dit stuk van de Vieze Gasten heeft helemaal niks meer vandoen met dergelijke nostalgie. De vier spelers, twee muzikanten en één computerfreak waren zelfs jonger dan Mong z’n dochter. De paar oudstrijders die er «for old times sake» waren op afgekomen, zaten raar te kijken tegen de computervormgeving, de techno danspassen en de daarbij horende keiharde muziek.
En toch. Toch herkende ik in deze voorstelling inderdaad iets van de vroegere Vieze Gasten. De spirit namelijk. Het niet opgeven. Het vechten in tijden die nog hopelozer zijn dan destijds. Zodat het al bij al nog een positieve voorstelling werd. De aloude zaal Reinaert in de Reinaertstraat, die een tijdlang “bezet” is geweest door de jongeren van jeugdhuis Democrazy, staat dan ook als het ware symbool voor de symbiose die de Vieze Gasten willen verwezenlijken tussen de inwoners van de arbeiderswijk De Brugse Poort en de jongeren, die er een onderkomen hadden gevonden.
Daarnaast werden twee voorstellingen van vorig seizoen hernomen. Lisette Mertens, Steph Baeyens en saxofonist John Snauwaert zijn te zien in “Dossier Ronald Akkerman” van Suzanne van Lohuizen in een regie van Ellen Juurlink. Deze voorstelling kan een uitstekende aanleiding zijn voor een debat over het recht op waardig sterven en over stervensbegeleiding.
“Een beetje Brecht” is dan weer vooral een muzikaal programma, gebracht door Mong, Magda en Nathalie De Schepper, waarvan de titel voor zichzelf spreekt.
Er wordt overigens nóg een muzikaal programma aangeboden, “Plugged”, waarin de teksten nu voor één keer eens niet centraal staan. Een vijftal muzikanten gaan er immers eens stevig tegenaan, al blijft hetzelfde trio wel instaan voor de zang.
De nieuwe solovoorstelling van Mong is eind april 1999 in première gegaan, maar was vooral te zien in de Gentse Feesten. Nochtans zou het niet slecht zijn dat het stuk zou worden geboekt in het kader van de verkiezingen van 13 juni. De vraag is echter wie Mong zou uitnodigen, want traditiegetrouw krijgt iedereen er zowat van langs.
Na “Het verdriet van België” laat Mong ons kennismaken met “De vreugde van Vlaanderen”. Toch is dit stuk niet op de eerste plaats een aanklacht tegen de zelfgenoegzaamheid van het Vlaanderen van Luc Van den Brande (zoals men uit de promotiefolders zou kunnen opmaken), maar wel een bijtende waarschuwing voor het Vlaanderen van Filip De Winter. De rode draad tussen de twee thema’s is wel dat de andere partijen de programmapunten van het Vlaams Blok aan het waarmaken zijn. (Merkwaardig genoeg heeft Mong nog altijd geen grapje over PC’s in zijn programma verwerkt, alhoewel dit met de vraag “verwijder blok?” toch wel moet kunnen. Zou Mong niet op PC werken misschien?)
Je moet dus wel al een beetje eelt op de ziel hebben om tegen deze bittere aanklachten bestand te zijn, maar Mong zelf hebben we nog nooit zo goed gezien. Men spreekt de laatste tijd b.v. voortdurend over “standup comedians” en ik denk niet dat men daarbij ook aan Mong denkt. Die “comedians” trachten namelijk nogal vaak om hete hangijzers heen te lopen en zichzelf en hun publiek te vermaken met louter woordspelletjes. In mijn ogen biedt Mong echter een meerwaarde, zonder dat hij de humor ondergeschikt maakt aan de boodschap. Muzikaal wordt hij efficiënt ondersteund door het vioolspel van ouwe gabber Guido Schiffer.
Op die manier sluit deze monoloog aan bij twee politieke revues die Mong destijds met zijn vrouw Magda heeft gebracht. In “White spirit” (1993) was het thema ook al “Vlaanderen 2002″ en “Over de schreef” ging een jaar eerder reeds over racisme getransponeerd naar een “nationalistisch conflict” tussen Oost- (Mong) en West- (Magda) Vlamingen. Op een humoristische manier maakten zij duidelijk dat Joegoslavische toestanden ook bij ons mogelijk zijn als je de redenering van het Vlaams Blok doortrekt.
In 2000 mocht een nieuwe Raad oordelen over dit alles en zie, de wind was alweer gekeerd. Deze Raad stelde zich luidop de vraag of politiek theater nog wel zin had en de Vieze Gasten gingen terug naar af.
KATHLEEN VANDENHOUDT ALS ACTRICE
Sinds een paar jaar heeft Kathleen Vandenhoudt zich een fameuze reputatie bijeengezongen als blueszangeres. Insiders weten op dat vlak al lang wat voor vlees ze in de kuip hebben, het grote publiek kon met haar kennismaken via televisieprogramma’s als “De notenclub” (VRT) of “Het gevoel van…” (VTM). Eind januari 2001 leerden we haar ook kennen als actrice, want niemand minder dan de Vieze Gasten hebben haar kunnen strikken voor “Ook op zondag”, een stuk van Kyra Fooy, geregisseerd door Carla Hoogewijs.
Het is een herkenbaar stuk over de fameuze generatiekloof. Vol enthousiasme gebracht door drie actrices/muzikantes, speelt het zich af tijdens een hete zomer, vooral ’s nachts of tegen de avond. Bertine, een kokkin op leeftijd (gespeeld door Magda Demeester), serveert zoetzure verhalen uit haar leven. Haar klaagzang wordt echter onderbroken door de jonge, nog enthousiaste Biba (Kathleen), begeleid door de accordeon van Tine Vandenbussche.
ON THE ROAD AGAIN
De Vieze Gasten gingen daarna terug on the road, terug in de tent, helemaal en springlevend in een coproductie met Het Wijkpaleis. On The Road Again gaat over de bewoners van de verschillende wijken in Gent en is ook vooral bedoeld voor deze mensen. Door middel van gesprekken met de bewoners over hun wensen, klachten en ondervindingen hebben De Vieze Gasten een voorstelling in elkaar geknutseld. De bedoeling is een beeld te schetsen wat er leeft in de verschillende wijken, wat de bewoners precies bezighoudt. De formule, bestaande uit eenvoudige verhalen, hilarische sketches, aangrijpende liederen, kan wisselen per optreden. Het publiek kan kiezen uit het gamma en de Vieze Gasten spelen dan naar uw hand.
Ronny De Schepper
Info: De Vieze Gasten, Reinaertstraat 125, 9000 Gent, tel.09/237.04.07, fax 09/236.23.02.
0 Reacties tot “Mong: zijn wij wel ooit vormingstheater geweest?”
Reageer