
In deez’ droevige tijden, waarin iedere linkse die niet meehuilt in het wolvenkoor dat het Heilige Belgicisme predikt ervan verdacht wordt een “halve nazi” (voor de aanhalingstekens: zie verder) te zijn, ben ik toevallig over een tekst van Louis Paul Boon gestruikeld waarin die het heeft over zijn werk op De Rode Vaan. En jawel, ik kan nog altijd zonder enig probleem de titel “Boon werkte grààg op De Roode Vaan” behouden, maar wat hij over de “kameraden” van “Le Drapeau Rouge” heeft te vertellen is andere koek…
Het moet zo rond juni/juli 1945 zijn geweest dat Bert van Hoorick zijn vrienden Louis Paul Boon en Maurice Roggeman bij De Rode Vaan binnenhaalde. Ze waren aangetrokken om het culturele gedeelte van de krant te verzorgen.
De Rode Vaan had in die tijd een ongekend hoge oplage: 40.000 exemplaren. En de Franse versie, Le Drapeau Rouge, rolde nog eens in een aantal van 60.000 exemplaren van de persen.
De wensen waren talrijk, de verwachtingen waren er hoog en daarom ook de eisen. De Communistische Partij speelde toekomstmuziek. En Boon kende dan misschien niet alle coupletten van het communistische hooglied, het refrein zong hij toch behoorlijk mee.
Hoewel zijn aanstelling bij De Rode Vaan voor Boon een welkome broodvoorziening betekende, was zijn betrokkenheid niet alleen daardoor gemotiveerd. Toentertijd was zelfs een doemdenker als hij niet opgewassen tegen de golf van het naoorlogse optimisme. Het land en de mensen waren bevrijd en alles zou anders - en beter - worden dan voorheen.
En ondanks de in zijn tot dan toe verschenen boeken voorkomende miserabilistische levensvisie en een zwartgeblakerd nihilisme, gelóófde Boon in een doorbraak. Geloofde hij werkelijk in de verbetering van de toestand der arbeiders en misschien zelfs in een sociale revolutie. Maar erg lang zou hij dat geloof niet volhouden.
MANUSJE-VAN-ALLES
Boon is manusje-van-alles bij De Rode Vaan. Hij staat aan de drukpersen, doet het allerlei-nieuws en zorgt voor de distributie van de krant. Intussen schrijft hij ook zijn stukjes. Tussen 8 oktober 1945 en 17 januari 1947 leverde Boon zo’n 300 bijdragen, variërende in groote van eenkwart kolommetje tot een hele pagina. (De krant had aanvankelijk een omvang van 4, later 6 pagina’s.)
Boon schrijf zijn vrijwel dagelijkse kolom (brieven van lezers en de reactie daarop, over boeken en schrijvers en over het schrijven zelf). Ook verzorgde hij de rubriek Kunst en Letteren en maakte hij verscheidene reportages: Stad Brussel een oerwoud (een beeld van Belgiës grauwe hoofdstad in 23 afleveringen), Holland door de vóór-ruit van een autobus heen (een persoonlijke, Vlaamse kijk op het naoorlogse Nederland in 14 afleveringen), Aan de kust zonder naar de zee te kijken (1 mei 1946) en Hij was een zwarte (met een gewezen lid van de NSJV in de Ardennen).
HEILST(R)AAT
Boons aanvakelijke optimisme komt in nogal wat stukjes tot uiting. In Plannen en Andere Plannen (11 en 12 oktober 1945) ziet hij een bloemlezing van door arbeiders ingezonden stukjes wel zitten. Boon doet een daadwerkelijke oproep. De bijdragen zouden dan in Boons kolommen besproken worden: “Kunst zou de samenwerking tussen de arbeiders in de hand werken.”
In “More brains” (25/10/45) brengt hij naar voren dat er wel degelijk een weg naar het geluk is. Maar daar is tijd voor nodig: “Wij moeten groeien lijk een bloem, lijk een kind.”
En Boon, de dagbladschrijver, ziet die weg. Op 2 februari 1946, vlak voor de parlementsverkiezingen, doet hij een oproep aan de kunstenaars om op de KPB te stemmen.
Natuurlijk is Boon er een voorstander van dat de kunst voor het volk is. Iedereen zou bekend moeten worden met het werk van Goya, Van Gogh, Dostojewski en Faulkner. Maar toch blijkt Boon er een andere mening op na te houden dan de “gemiddelde” arbeider. Als een arbeider op zijn oproep reageert, wordt zijn “Terechtwijzing” op 3/4 november 1945 geplaatst: “Literaire curiositeiten kan het volk missen, maar een ideaal, een levensopvoeding heeft het nodig.”
Daar zijn een verheven taal en schone woorden niet voor nodig en al zeker niet de ijdelheid der dichters die zichzelf als het middelpunt van alles beschouwen. Boon “gaat ermee akkoord”, maar laat de volgende dag toch “De Andere Zijde” zien. “Een wekr dat den arbeider tot zelferkenning brengt is goed, maar een werk dat èn den arbeider een stap voorwaarts brengt èn een meesterwerk is, is beter.” (5/11/45)
Boon komt op zijn beurt met een terechtwijzing: “Ook het volk heeft den plicht zich wat inspanning te getroosten.” Boon neemt dus een eigen opstelling aan, wat de literatuur betreft. Het is noch de kunst van de arbeider, die zonder enige vorm zijn bekommernissen op schrift stelt ten gunste van politieke of sociale revolutie, noch de verheven kunst der “ijdele” dichters en bourgeois-literatoren. Zijn standpunt komt erop neer dat het werk van de schrijver “de incarnatie, de kristallisatie van zijn volk (moet) zijn, als hij groot is, en van de wereld, als hij een der allergrootsten is.” (“Vertellers”, 18/10/45)
Maar toch moet worden geconstateerd dat er van aanpassing sprake is wat zijn politieke stellingname betreft, voor zover dààr sprake van is. In zijn boek “Vergeten Straat” is duidelijk te lezen dat het ideaal van een heilstraat op een utopie, een droom die niet in werkelijkheid te realiseren valt, uitloopt. Toch staat in zijn recensie van dit boek te lezen: “Het is de drang naar een schoner leven in een stijlvoller gemeenschap, gegrondvest op solidariteit, die de polsslag is van het moderne leven en dus ook van de echte, met deze bewogen tijd hartstochtelijk meelevende kunst.” (“Over Vergeten Straat”, 19/9/46).
OOK DE AFBREKER BOUWT OP
Zijn artikelen wekken vaak wrevel op bij de partijleiding, maar het feit dat hij nadien naar het communistisch geïnspireerde weerstandersblad “Front” (met als hoofdredacteur Aloïs Gerlo) is overgegaan, is op zichzelf al een bewijs dat hij niet echt in een conflictsituatie is opgestapt bij de Rode Vaan.
Volgens de overlevering heb ik veertig jaar later aan zijn eigenste bureau mogen plaatsnemen, al heeft een grondige studie van de ingekraste graffiti mij op dat vlak nooit iets wijzer gemaakt.
Anderzijds waren er wel degelijk andere kenmerken die ik nog altijd maar al te goed herkende. In zijn rubriek had ook Boon immers vooral te maken met (al dan niet) boze lezersbrieven en met ingezonden werk van would-be poëten.
Naast de bekende reeksen “Holland door de vóór-ruit van de autobus heen”, “Brussel een oerwoud”, “Aan de kust zonder naar zee te kijken”, “Hij was een zwarte” en “De wonderlijke avonturen van Proleetje en Fantast” en naast een paar (weinig eigenlijk) bijdragen die later in “De Kapellekensbaan” zijn terug te vinden, schreef Boon zoals gezegd vooral boekrecensies en beschouwingen over plastische kunsten (b.v. over Masereel, Kollwitz, Picasso en Magritte, maar ook over Van Gogh en Rembrandt) en uitzonderlijk ook over film (niet toevallig over Chaplin). In zijn boekbesprekingen leren we duidelijk Boons voorkeur kennen: Jack London, Zetternam, Elsschot, Van Ostayen, Dostojewski, Hemingway, Charles De Coster… Ook heeft hij het vaak over het magisch-realisme (dat in die tijd blijkbaar werkelijk een “mode” was), maar eveneens over de bijbel en… Verschaeve.
Als hij aan het filosoferen gaat, is dit oorspronkelijk in de richting van het sociaal-realisme (schrijven moet ten dienste staan van de arbeidersstrijd), maar later steeds minder. Als Johan Janssens zou hij daar in “De Kapellekensbaan” als volgt op terugkijken: “nu we hier alleen lopen in dat hondeweer, tippetotje, mag ik eens mijn hart uitstorten (…) want heel de dag heb ik nu hoekjes geschreven voor het dagblad (…) iets naar de goesting van de hoofdredacteur, iets dat ik ondertekend had met de schuilnaam van boeckenspieghel (…) En ik heb er de grote ideeën van onze tijdschriften in weergegeven (…) och godverdomme tippetotje, laat mij eens hartsgrondig vloeken nu we hier alleen zijn: dat ze tussen hun benen kijken, daar hangt nog een Grote idee.”
In een interview met “De Rode Vaan”, ongeveer een jaar voor zijn dood, herhaalt hij nogmaals: “In de fond ben ik nooit socialist of communist geweest maar eerder anarchist, en die hadden zeker geen partijdiscipline!”
Het meest cynische daarentegen is dan weer dat zijn laatste artikel voor de r.v. handelt over “een syndikaat van schrijvers als waarborg van groter vrijheid”. Maar de meest bekende anekdote is natuurlijk die over de atoombom. “Nooit,” zo schreef hij later in een Boontje over De Rode Vaan, “vergeet ik de nacht toen ik heel alleen de krant vertegenwoordigde… de nacht toen Japan door de allereerste A-bom werd getroffen. Veiligheidshalve had ik over de hele kop van de krant plaats gelaten voor een knaltitel. Het moest ofwel «Japan kapituleert» ofwel «Kapituleert Japan?» worden. En omdat vijf minuten voor sluitingstijd nog steeds geen bericht was binnengekomen koos ik maar het eerste. Het is de eerste keer geweest dat de Rode Vaan met het nieuws acht dagen te vroeg kwam. Anders was het steeds acht dagen te laat.”
Het grappigst vind ik echter een recensie van “Abel Gholaerts” geschreven jawel, door ene Louis Paul Boon (2/2/1946). Het besluit van de recensent: “Abel Gholaerts is misschien wat te vroeg gepubliceerd. Na zijn roes van de laatste hoofdstukken heeft de schrijver het boek toegeflapt en is hij ermee naar de drukker gaan hollen. En dat is werkelijk jammer.”
Een jaar later moest Boon de r.v. verlaten, zodat het op 22 maart 1947 zijn opvolger Maarten Thijs is die een recensie schrijft over “Mijn kleine oorlog”: “Wij gaven reeds enkele kleine voorbeelden van de oppervlakkige manier, waarmede men in Vlaanderen omspringt met de toch al zoo schaarsche sociaal-voelende litteratuur. Zelfs menschen als Elsschot en Herreman hebben zich niet genoegzaam bevrijd uit de kluisters van het individualisme om, in het werk van een Zielens of een Boon het positieve te zien. En werkelijk men moet niet het ‘Ook de afbreker bouwt op!’ te hulp roepen, om het grootsche in het werk van deze beide auteurs, tusschen dewelken dan nog een enorme afstand bestaat, te bespeuren. Het is een Zetternam en een Buysse trouwens niet anders vergaan. Onze kritici zijn niet in staat, te zien door de oogen van een Boon die met de gezonde oneerbiedigheid van de pionier door alle hun zoo dierbare omheiningen heenstoot. (…) Zoo verliezen zij vanzelf het verband met de groote stroomingen der wereldliteratuur en zijn zij niet in staat, op te merken, wat er waarlijk omgaat in jonge auteurs als Louis Paul Boon of Piet van Aken.”
In een tweede overpeinzing (want een recensie kan je ‘t eigenlijk niet noemen) een week later neemt Maarten Thijs dat thema nog eens op maar gaat nog verder: “Zijn (d.i.Boons, R.D.S.) ‘Ook de afbreker bouwt op’ is een al te bescheiden, al te simpel verweer tegen de aanmatiging der burgerlijke kritiek. Vergeten wij niet: hij staat op zijn terrein in Vlaanderen zoo goed als alleen! En wat hij ‘afbreken’ noemt is eigenlijk ordenen, regelen, want hij is het sociaal geweten van onze Vlaamsche literatuur. Er is dus sociaal gevoel noodig om zijn werk te begrijpen. Pas wanneer men zoo de kunst van Louis Boon ziet, heeft men het middel in handen om door te dringen tot haar schoonheid.”
Nóg een week later duikt Boon zelf nog eens op in de kolommen van de Rode Vaan. Het betreft een overname van het hoofdstuk uit “Mijn kleine oorlog” dat gewijd is aan Lea Lubka, ook wel bekend uit Bert Van Hooricks “In tegenstroom”. Eén van de prachtigste bladzijden uit dit overdonderende werkje (amper 127 blz.) trouwens.
Een paar jaar later klinkt diezelfde Maarten Thijs evenwel totaal anders als hij “De Kapellekensbaan” moet recenseren, een boek waarin - zoals men weet - Louis Paul Boon ook nog een eitje te pellen heeft met enkele mensen van de KP en van de Rode Vaan. Dan luidt de conclusie, die merkwaardig genoeg meteen ook de eerste zin van de recensie is: “Dit boek is vooral het sprekend getuigenis hoe zelfs een groot talent nimmer tot volle wasdom geraakt, als het enkel op zichzelf bouwt.”
Als voorbeeld zingt Maarten Thijs de lof van Boon als “meester van het pakkende, plastische, filmische beeld”. Maar: “Deze gerichtheid op het visuele maakt de auteur echter minder gevoelig voor de beweging die zich achter de uiterlijke schijn der dingen afspeelt.” Maarten Thijs haalt in dat verband aan dat hijzelf vaak heeft kunnen opmerken dat Boon “enkel afgaande op een gelaatsuitdrukking, al te grif een beeld ontwerpt van de persoonlijkheid die er zich achter verschuilt, wat noodzakelijkerwijze tot grove psychologische fouten leidt.” Zijn we te voortvarend als we hierin een correctie lezen op de “Chaplinachtige” beelden die Boon van bepaalde (KP?) figuren heeft geschetst?
Maar bij de verdere uitdieping van deze kritiek, wordt afgestapt van het anekdotische niveau om meer de sociaal-realistische toer op te gaan, omdat in dezelfde optiek “de grote beweging der maatschappelijke groepen en krachten hem grotendeel ontgaat”. “Op grond van zijn temperament heeft Boon zich (…) een levensbeeld opgebouwd dat hij als Realisme presenteert, maar dat enkel de buitenkant der dingen weergeeft, dat niets te maken heeft met het klassiek en critisch realisme van bijvoorbeeld Balzac, Leo Tolstoj, Thomas Mann of Sinclair Lewis.” Het grappige is dat Maarten Thijs om zijn woorden te staven Boon zelf kan aanhalen: “maar een realistische waarheid is niet altijd een waarheid die politiek juist is.” (blz.170)
Waarop Maarten Thijs zelf de vraag stelt: “Hoe zit het dan met Balzac of Leo Tolstoj? Zij zagen toch ook niet politiek juist?” Neen, antwoordt hij zichzelf, “zij zagen niet politiek juist in deze zin dat zij niet de betekenis van de arbeidersklasse als stuwende kracht der historie hebben begrepen, maar (…) beiden zagen zij de maatschappij van hun tijd in een groots perspectief en dat maakt van hun romans monumenten van waarlijk realistische kennis.”
Boon wordt vooral verweten dat hij zijn eigen doelstelling op de allereerste pagina van “De Kapellekensbaan”, namelijk “de moeizame opgang van het socialisme tekenen”, niet waarmaakt: “De groep schooiers en halve dwazen die in de wereld van Termuren het rode vaandel dragen, zijn een belediging voor de arbeidersbeweging, juist zoals de smoelwerken van de menigte op het bekende Anseele-portret van Rik Wouters. En zo kunnen we besluiten dat onder het zegel der sociaal-democratie opnieuw een boek is verschenen dat veeleer een experiment van het schrilste laat-naturalisme is dan een pas voorwaarts naar een arbeidersliteratuur.”
VERSCHEURD ZELFPORTRET
In 1974 verscheen “Verscheurd jeugdportret” waarin Louis Paul Boon, middels het herschrijven van reeds eerder verschenen fragmenten in boeken en/of tijdschriften, zijn jeugdherinneringen ophaalt tot en met het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen hij dus 33 was - voorwaar een symbolische leeftijd!
Naar verluidt zou Boon wel trek hebben gehad in een vervolg dat dan “Verscheurd zelfportret” zou heten. Als voorbereiding daarvoor ging hij gretig in op het voorstel van het Brugse socialistische “Vlaams Weekblad” om wekelijks een bijdrage te leveren, dit dan onder de titel “Mémoires van Boontje”.
Onder diezelfde titel werden de meeste ervan (een paar gelegenheidsstukjes werden weggelaten) later in de reeks “privé-domein” van De Arbeiderspers uitgegeven door Jos Muyres en Bert Vanheste.
Terecht hebben beide “bezorgers” (zoals ze zichzelf noemen) de nogal gratuite titel aangehouden en er uiteindelijk toch niet “Verscheurd zelfportret” van gemaakt, aangezien Boon zich nooit echt ernstig met deze stukjes heeft beziggehouden. Een ziekte in 1977 (maar geen ernstige die tot zijn dood in 1979 zou leiden, want zoals men zich nog wel zal herinneren is hij aan een hartaanval gestorven) werd aangegrepen om de reeks stop te zetten en later heeft hij er niet meer naar omgekeken. Dat maakt dat de beide bezorgers niet minder dan 226 voetnoten hebben moeten aanbrengen, waarvan een groot aantal als rechtzetting is bedoeld. Bewust of onbewust neemt Boon immers nogal eens een loopje met de werkelijkheid - vandaar misschien zijn eigen keuze van met “Boontje” te tekenen, een ietwat literair personage dat niet 100% samenvalt met de auteur.
Voor de rest is er echter weinig “literairs” aan, aan deze stukjes, zodanig zelfs dat de meeste recensenten er onaangenaam werden door verrast. Zelf tillen we daar niet zo zwaar aan, maar toch hebben we deze “memoires” ook niet met plezier gelezen omdat het voortdurend raadplegen van de voetnoten de lectuur enorm hindert. En nochtans is het nodig dit te doen! Al was het maar voor de passages die het toch wel korte (juli ‘45-september ‘46) verblijf van Boon op de Rode Vaan betreffen.
Ondanks de kortstondigheid, moet dit nogal wat indruk op hem hebben gemaakt, want niet minder dan 75 van de 180 bladzijden zijn eraan gewijd (en nochtans gaan de memoires tot het midden van de jaren zestig).
Maar eigenlijk is dit niet zo erg verwonderlijk. Schrijft hij niet op 5/11/1963 in Vooruit: “Heerlijke dagen heb ik daar beleefd, en heerlijke mensen heb ik er ontmoet. (…) Het was er een bijenkorf, een mierennest, een brobbelende hutsepot, daar in de Fabrieksstraat te Brussel. Ik heb er dubbel geleefd, bij dag en bij nacht. (…) Nuja, er waren daar nog een paar ambetante mensen, zoals er overal zijn.”
Na zijn dood vonden we in het driemaandelijks tijdschriftje van de Boon-fanaten een interview dat Willie Verhegghe (dichter-wielrenner) blijkbaar nog in zijn kast had liggen. Tenzij Boon in Ninove soms komt spoken natuurlijk. Maar goed, in dat interview vertelt Boon een prettige anekdote over hoe hij op 15 augustus met de Rode Vaan ging colporteren. Bij de processie van Ons Heer Hemelvaart asjeblief. En hoe hij natuurlijk werd opgepakt door de politie. «Ik moet nog lachen als ik eraan denk,» zegt Louis. «We hebben dikwijls lol gehad, weet ge.» Voor ons zegt dit meer over Louis en zijn relatie tot de Rode Vaan dan vele geleerde studies.
Of zoals het is weergegeven in de eerste aflevering van de verzamelde Boontjes p.53: “Om het eerlijk te zeggen, ik werkte grààg op De Roode Vaan. Het was een links blad en ge weet het, mijn hart ligt op de rechte plaats, dat is links. Maar linkse bladen hebben overal ter wereld steeds dit met elkaar gemeen gehad: dat we te weinig personeel hebben en iedereen er zich kapot moet werken, en dat ze bijna nooit geld hebben en U steeds te weinig kunnen betalen.”
Het is dan ook omwille hiervan dat vooral door Boons weduwe Jeanneke (b.v. in haar memoires, zoals ze in 1990 werden opgetekend door Herwig Leus) negatieve commentaren over de Rode Vaan werden verspreid. De Rode Vaan bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap: ook uitgeverijen komen enkel ter sprake als ze te laat uitbetalen en vele vrienden worden ervan beschuldigd “pique-assiettes” te zijn. Deze overtuiging, gekoppeld aan het feit dat ze hetzelfde vertelt over de socialisten (”hij is nooit socialist geweest, maar hij moest toch érgens zijn kost verdienen”) kan ik mij met deze beweringen wel verzoenen.
Want men kan niet ontkennen, als er op de Rode Vaan dient te worden bezuinigd is Boon de eerste die moet gaan, ook al omdat hij niet overweg kon met de “humorloze regelingen binnen de communistische gelederen”, aldus de bezorgers op p.14. Zo zei “een” hoofdredacteur (wellicht Bob Dubois) eens tegen Boon: “Ge vertelt teveel grapjes in ons blad, De Roode Vaan moet in de eerste plaats een partijblad worden.”
In plaats van met het ontslag van de grapjas Boon echter het tij te doen keren, ging de oplage nadien nog verder bergaf. Maar ja, wie had dàt nu kunnen denken…?
VERSCHEURD JEUGDPORTRET
In 1974 verscheen “Verscheurd jeugdportret” waarin Louis Paul Boon, middels het herschrijven van reeds eerder verschenen fragmenten in boeken en/of tijdschriften, zijn jeugdherinneringen ophaalt tot en met het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen hij dus 33 was - voorwaar een symbolische leeftijd!
Naar verluidt zou L.P.B. wel trek hebben gehad in een vervolg dat dan “Verscheurd zelfportret” zou heten. Als voorbereiding daarvoor ging hij gretig in op het voorstel van het Brugse socialistische “Vlaams Weekblad” om wekelijks een bijdrage te leveren, dit dan onder de titel “Mémoires van Boontje”.
Onder diezelfde titel werden de meeste ervan (een paar gelegenheidsstukjes werden weggelaten) nu in de reeks “privé-domein” van De Arbeiderspers uitgegeven door Jos Muyres en Bert Vanheste.
Terecht hebben beide “bezorgers” (zoals ze zichzelf noemen) de nogal gratuite titel aangehouden en er uiteindelijk toch niet “Verscheurd zelfportret” van gemaakt, aangezien Boon zich nooit echt ernstig met deze stukjes heeft beziggehouden. Een ziekte in 1977 (maar geen ernstige die tot zijn dood in 1979 zou leiden, want zoals men zich nog wel zal herinneren is hij aan een hartaanval gestorven) werd aangegrepen om de reeks stop te zetten en later heeft hij er niet meer naar omgekeken. Dat maakt dat de beide bezorgers niet minder dan 226 voetnoten hebben moeten aanbrengen, waarvan een groot aantal als rechtzetting is bedoeld. Bewust of onbewust neemt Boon immers nogal eens een loopje met de werkelijkheid - vandaar misschien zijn eigen keuze van met “Boontje” te tekenen, een ietwat literair personage dat niet 100% samenvalt met de auteur.
Voor de rest is er echter weinig “literairs” aan, aan deze stukjes, zodanig zelfs dat de meeste recensenten er onaangenaam werden door verrast. Zelf tillen we daar niet zo zwaar aan, maar toch hebben we deze “memoires” ook niet met plezier gelezen omdat het voortdurend raadplegen van de voetnoten de lectuur enorm hindert. En nochtans is het nodig dit te doen! Al was het maar voor de passages die het toch wel korte (juli ‘45-september ‘46) verblijf van Boon op De Rode Vaan betreffen.
Desondanks moet dit nogal wat indruk op hem hebben gemaakt, want niet minder dan 75 van de 180 bladzijden zijn eraan gewijd (en nochtans gaan de memoires tot het midden van de jaren zestig).
Maar eigenlijk is dit niet zo erg verwonderlijk. Schrijft hij niet op 5/11/1963 in Vooruit: “Heerlijke dagen heb ik daar beleefd, en heerlijke mensen heb ik er ontmoet. (…) Het was er een bijenkorf, een mierennest, een brobbelende hutsepot, daar in de Fabrieksstraat te Brussel. Ik heb er dubbel geleefd, bij dag en bij nacht. (…) Nuja, er waren daar nog een paar ambetante mensen, zoals er overal zijn.”
En in de genoemde “Memoires” gaat het als volgt: “Maar er waren zoveel heerlijke, lieve, fijne mensen op De roode vaan, dat ik toch maar bleef. Rosa Michaut was er, die een dagelijks stukje schreef dat ze ‘Kwajongen’ noemde. Ze was geen kwajongen, maar een kwameisje (*). Mauriske Roggeman was er, mijn jeugdvriendje, Bert van Hoorick, Aloïs Gerlo, en voor elk van hen had ik door een vuur kunnen gaan als het uitgeblust was.” (p.51-52)
Geen wonder dat hij schrijft: “Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar een zeer gelukkige tijd heb gekend, tenminste na de eerste drie maanden. Want in het begin bestond het opstellen van De roode vaan erin, gewoon de Drapeau rouge te vertalen, en als ik iets tegen iets heb, dan is dat overschrijven van wat anderen reeds geschreven hadden.” (p.50) Het was dan ook aan de traditionele communautaire tegenstellingen (vooral langs links) dat volgens Boon mede aan de basis lag van zijn ontslag. Hij begon namelijk eigen reportages te maken die nogal in de smaak vielen. “En op de Drapeau rouge waren ze zo nijdig als wat. Straks, zo dachten ze daar, moeten wij De roode vaan in het Frans vertalen. En dat nooit! Ze zochten naar een steen, die Franssprekende Brusselaars en Walen, en ze vonden die steen, toen ik de reportage maakte: ‘Wordt Brussel een oerwoud?’ (…) De reportage was in De roode vaan geschreven, maar een uitgeverij wou ze in boekvorm uitgeven. Ik trok mijn stoute schoenen aan, naar het partijcentrum op de Stalingradlaan, en zei daar: ‘Kijk, een wel linkse maar niet kommunistische uitgeverij wil die reportage uitgeven, kunnen we het niet helft-om-helft doen… de helft voor mij en de helft voor de partij?’ Mensen toch, toen hoorde ik het niet in Keulen donderen, maar op de Stalingradlaan in Brussel. Ik had me weer in het Frans te eksplikeren, want op de Stalingradlaan gingen ze van het standpunt uit dat alle Walen kommunisten waren en alle Vlamingen een soort halve Duitsers, en dus nazi’s. En het allereerste wat ik naar het hoofd kreeg, was dat ik een halve nazi was, een profiteur, iemand die alleen bij de partij gekomen was omdat me dit een voordelig zaakje bleek. Ik ben er een beetje triestig weggegaan, want het doet pijn aan het hart als ze U ondanks alles uitschelden voor een profiteur. Ik ontving voor al mijn werk, voor al mijn reportages waarop de lezers verzot raakten, amper vierduizend frank, en hiervoor moest bijna de helft aan de partij terugbezorgd. We leefden thuis nog steeds in armoe, en mijn vrouwtje werd in elk gezelschap geweigerd omdat ze de vrouw van een kommunist was.” (p.51-53)
En Boon besluit: “Om het eerlijk te zeggen, ik werkte graag op De roode vaan. Het was een links blad en ge weet het, mijn hart ligt op de rechte plaats, dat is links. Maar linkse bladen hebben overal ter wereld steeds dit met elkaar gemeen gehad: dat we te weinig personeel hebben en iedereen er zich kapot moet werken, en dat ze bijna nooit geld hebben en U steeds te weinig kunnen betalen.” (p.53)
Het is dan ook omwille hiervan dat vooral door Jeanneke (b.v. in haar mémoires, zoals ze in 1990 werden opgetekend door Herwig Leus) negatieve commentaren over De Rode Vaan werden verspreid. De Rode Vaan bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap: ook uitgeverijen komen enkel ter sprake als ze te laat uitbetalen en vele vrienden worden ervan beschuldigd “pique-assiettes” te zijn. Volgens Boon-biograaf Kris Humbeeck stelde Boon “tot zijn grote schrik” vast “dat hij, grof uitgedrukt, getrouwd is met een kopie van zijn moeder. Daar gaat Menuet later ook over” (DS, 12/5/1999). Deze overtuiging, gekoppeld aan het feit dat ze hetzelfde vertelt over de socialisten (”hij is nooit socialist geweest, maar hij moest toch érgens zijn kost verdienen”) kan ik mij met deze beweringen wel verzoenen. Ook al omdat de opmerking van Herman Verheyden, vele jaren later als hoofdredacteur van “Doen”, zelfs over iemand als Bert Van Hoorick (”Dat was eigenlijk een communist, die komen alleen maar bij ons om hun kost te verdienen”) op een zeer perfide manier ook nog zijn gelijk bewijst…
Maar goed, als er op de Rode Vaan dient te worden bezuinigd is Boon de eerste die moet gaan, ook al omdat hij niet overweg kon met de “humorloze regelingen binnen de communistische gelederen”, aldus de bezorgers op p.14. Zo zei “een” hoofdredacteur (wellicht Bob Dubois) eens tegen Boon: “Ge vertelt teveel grapjes in ons blad, De roode vaan moet in de eerste plaats een partijblad worden.” In plaats van met het ontslag van de grapjas Boon echter het tij te doen keren, ging de oplage nadien nog verder bergaf. Maar ja, wie had dàt nu kunnen denken?
Ronny De Schepper
(*) Rosa Michaut heeft in mijn eigen boekje over Louis Paul Boon (“L.P.Boon”, Temse, 1981) een ontroerende bijdrage over haar herinneringen aan Louis geschreven. Ook zij schrijft: “De aangeboren frustraties van Vlamingen tegenover Walen en de aangeboren superioriteit van Walen tegenover Vlamingen, zorgde af en toe voor enig vuurwerk.” (p.34)
Alweer een interessant stuk.Al moet ik toegeven dat ik nooit van de schrijver Boon heb gehouden: de nadruk op het miserabilisme, het kleine-man-gedoe, de pathetische uitschuivers..Ik ben aan’t vloeken in de kerk hè?
Maar je stuk is letterlijk geld waard.Vooral de bedenking over de linguïstische situatie bij de communisten: lijkt me zo vanzelfsprekend, zo waar.Je artikel zou op alle middelbare scholen moeten gelezen worden. Maar daar geeft men geen literatuur meer.Of hij moet zielig-autobiografisch zijn, met nadruk op discriminatie, vrouwen,aidslijders,liefst uit de Maghreb… als er maar geen historische duiding bij nodig is. Men moet immers uitgaan van de “belevingswereld van de leerlingen”…
Keep writing!