18
Nov
07

Streetbuskers

Op 30 november is Wizz Jones te gast in de Muze van Meise (Brusselsesteenweg 69). Wizz Jones is de man die als streetbusker in het begin van de jaren zestig samen met Rod Stewart reeds in ons land optrad. Ik had destijds hierover een zeer openhartig gesprek met hem, maar eerst wil ik hem toch een beetje plaatsen binnen de traditie van de zogenaamde “street buskers”.

Normaal word je willens nillens met muziek geconfronteerd in de Brusselse metro, maar dat is toch van een heel ander slag. Op een bepaald moment kon ik zelfs het concerto voor twee violen van Bach beluisteren (niet te verwonderen, aangezien Anne-Sophie Vanneste nog een tijdlang de programmatie heeft gedaan!), zodat ik een straatmuzikant die met zijn accordeon de sfeer kwam verstoren onder het aankomende metrostel zou hebben gesmeten als ik mijn gebroken geweertje niet op mijn jas had gespeld. En dan wilde die hufter nog dat ik ervoor zou betalen ook! Nooit ben ik het méér oneens geweest met Godfried Bomans die beweerde “dat zelf mondharmonica spelen beter was dan naar Bach luisteren”!
Maar er bestaan natuurlijk ook uitstekende straatmuzikanten of buskers. Zo dook op 23 maart 1968 Don Partridge de hitparade binnen met “Rosie”. Don Partridge was tot dan toe als een soort “Nikkelen Nelis” als straatzanger opgetreden. “Rosie” kende een reusachtige verkoop, maar Partridge weigerde in het commerciële circuit mee te draaien. “Ik kan evenveel verdienen op straat,” zou hij gezegd hebben. Een mooi verhaal, dacht ik, recht uit de boekskes. Tot ik een twintigtal jaren later door de Brusselse Nieuwstraat liep en plotseling oog in oog stond met… Don Partridge. Het was helemaal geen verhaal, het was de - blijkbaar niet eens zo bittere - waarheid. Op dat moment was ik immers betrokken bij de organisatie van het Feest van de Rode Vaan en ik vroeg Partridge of hij daar niet wou optreden. Partridge wimpelde ook mijn voorstel af. “Tegen die tijd zit ik in Parijs,” zei hij. En deze keer gelóófde ik hem…
Een jaar na Partridge kende ook een andere “streetbusker” zijn “moment de gloire”. Peter Sarstedt volgde zijn vriend Robin van Parijs naar Kopenhagen en werd daar verliefd op een Deense schone. “You talk like Marlene Dietrich,” zei hij tegen blonde Anita en hij vond de zin te mooi om zo maar te laten passeren. Na een typische sixties-party waarop hij zowat vanalles had geprobeerd wat al dan niet verboden was, voelde hij plotseling de aandrang om vertrekkende van die zin een verhaal te verzinnen over een meisje van de straat dat het uiteindelijk tot miljonairsvrouw had gebracht. “But where do you go to, my lovely, when you’re alone in your bed?”
In Parijs was Sarstedt opgemerkt door Michel Polnareff en toen deze zijn “La poupée qui fait non” in een Engelse versie ging opnemen bij Ray Singer, vertelde hij van die Engelse straatzanger, die het zou kunnen “maken”, als hij maar zou willen. Singer kwam via Robin het adres van Anita te weten en vroeg Sarstedt een aantal van zijn nummers op te sturen. Enkele weken later werd de jongeman uitgenodigd om in Londen “Where do you go to, my lovely” te komen opnemen.
Aangezien het verhaal van het liedje zich in Parijs afspeelde, wilde Singer zo’n typisch Frans accordeon-geluid als begeleiding. Diverse sessie-muzikanten werden ingehuurd, maar geen van allen slaagde erin “Frans” te klinken. Tot Singer op een dag een vijftigjarige, blinde accordeonist tegenkwam in “the streets of London”. Deze klonk wél Frans, want hij wàs ook Fransman. Zijn naam herinnert hij zich echter niet meer en na de opname heeft hij de man ook nooit meer teruggezien.
Ondertussen had Sarstedt in Londen onderdak gekregen bij Chris Peers (niet de Belgische ex-wielrenner natuurlijk, want die zou pas twee jaar later geboren worden), die zich tevens als manager opwierp. Dat viel echter niet mee. Sarstedt weigerde net als Partridge mee te draaien in het circuit. Hij kwam te laat op persconferenties, verscheen niet op afspraken voor interviews. Toen hij een eigen zaterdagavondshow op de BBC weigerde, was voor Peers de maat vol. “Er was geen beginnen aan,” zegt Peers in het Nederlandse TV-programma “Single Luck”. “Rond die tijd werkte ik ook met Rod Stewart. De grootste vrek die ik ooit heb ontmoet, maar ook bezeten met een onwrikbare wil om er te komen.”
“EIGENLIJK WISTEN WE NIET DAT ER OOK ENGELSE FOLKMUZIEK BESTOND”
Die vergelijking met Rod Stewart kwam niet uit de lucht vallen. Ook Stewart heeft nog als “streetbusker” gewerkt. Zo trok hij in het begin van de jaren zestig als straatzanger door Europa samen met de Engelse folkgitarist Wizz Jones, die nu nog steeds geregeld op doortocht is in de folkkroegen van ons land. Jones oefende in die tijd een grote aantrekkingskracht uit op wat later de supervedetten van de popmuziek zouden worden: gitaargoden als Eric Clapton en Jimmy Page (van Led Zeppelin) leerden bij hem hun eerste akkoorden en Ralph McTell en Donovan hadden reusachtige successen met liedjes die eigenlijk van hem hadden kunnen zijn.
Toch is Jones zelf in dat kroegencircuit blijven steken. Is hij daar nu ongelukkig om? Zou hij liever ook een supervedette geworden zijn? Of vindt hij zichzelf juist “beter”? Vindt hij dat zijn vroegere vrienden zich “verkocht” hebben aan de commercie? Bij een vorige toernee in Vlaanderen ging ik het hem vragen.
Laten we echter chronologisch te werk gaan. Wizz Jones debuteerde op het eind van de jaren vijftig. Dat is in de periode dat de skiffle-muziek hoogtij viert in Engeland. Lonnie Donegan beheerst dan de hitparade met herwerkte Amerikaanse volks¬liedjes of komische, typisch Engelse teksten. Wizz Jones startte zijn muzikale carrière dan ook bij de skiffle band The Wranglers in Croydon, Surrey, in 1958, maar eigenlijk moeten we nog naar vroeger terugkeren namelijk naar Ewan MacColl en Alexis Korner die de folk- en bluesbeweging op gang brachten.
“Alexis nam vooral de blues voor zijn rekening. Hij liet b.v. Big Bill Broonzy en Muddy Waters uit Amerika overkomen. Ter¬wijl Ewan zich vooral bezig hield met de folkrevival. Alhoewel het twee afzonderlijke bewegingen waren, overlapten ze elkaar soms. Het was b.v. Ewan MacColl die me aan Big Bill Broonzy voorstelde. Dat was in de tijd dat ikzelf nog niet speelde, maar in de Roundhouse (in de buitenwijken van Londen) ging luisteren naar mensen als Jack Elliot en Derroll Adams. Zo kreeg ik de smaak te pakken en schafte me ook een goedkope gitaar aan.”
Ook Rod Stewart spreekt over die tijd in een interview in “Rolling Stone”: “When I was about 17 or 18, I was wandering around, mostly in Spain and Italy, trying to get myself toge¬ther. We’d started out in Belgium, lived in Paris, the South-bank, for about eight months, then got to Spain, Barcelona. I learned to play banjo before guitar. I was with Wizz Jones - he’s a folk legend in England - I played with him. Mostly American folk music, like Jack Elliot. We weren’t really aware of any English folk music then.”
Merkwaardig dat jij wél de echte Engelse folksingers zoals Ewan MacColl kende, zeg ik tegen Wizz Jones, want als Rod Stewart over deze periode spreekt dan zegt hij dat hij Amerikaanse volksliedjes zong, omdat hij niet eens wist dat er ook Engelse waren…
“Dat wil ik best geloven, het was oorspronkelijk zelfs Alan Lomax, de Amerikaanse verzamelaar, die de eerste was om de Engelse liederenschat op band te verzamelen met een taperecorder, bij oude traditionele folkzangers. Peggy Seeger, de zus van Pete, kwam met hem mee om een radioprogramma voor te bereiden, werd verliefd op Ewan MacColl, bleef hier hangen en bracht op de manier de Engelse folk opnieuw tot leven. Er was wel het werk van Cecil Sharp bij het begin van de twintigste eeuw, maar dat was een burgerlijke revival, georganiseerd door leraars die de bedoeling hadden de volksliederen de school binnen te halen. Dat betekende dat de teksten werden uitgezuiverd en de zangstijl werd aangepast om in het keurslijf van de klassieke zang te passen. In zijn English Folkdance & Song Society zat b.v. ook de componist Gustav Holst. Het resultaat was dat elk kind de school verliet met een uitgesproken haat tegen alles wat naar volksmuziek rook. Toch enthousiasmeerde iemand als Holst op zijn beurt dan weer de moeder van Martin Carthy en zo kwam er uiteindelijk toch nog iets goed uit.”
“Naast de genoemde blues- en folk-grootheden leerde ik gitaar¬kneepjes van Long John Baldry en Davy Graham in coffeebars in Soho. Mijn vrouw Sandy Spencer, die toen een banjo-picker was, maar nu o.a. ook cello speelt, ontmoette ik in Parijs. We zijn gehuwd in 1963. Daarna vormde ik nog een bluegrass duo samen met Pete Stanley. Maar om terug te komen op Rod Stewart, moet ik er nog bij vermelden dat hij een vijftal jaren jonger is dan ik en uit nog een andere richting kwam, namelijk de moderne jazz. Alhoewel we dus samen optrokken, hadden we over muziek nogal wat meningsverschillen. Ik was b.v. meer een liefhebber van traditionele jazz. Vandaar dat we weliswaar vaak samen waren, maar nooit echt goeie vrienden. We waren eerder concurrenten. Voor ik mijn vrouw Sandy leerde kennen, was ik bovendien stapel op een meisje waarop Rod ook verliefd was. Hij zingt hier trouwens over op verscheidene van zijn platen. Maar wat hem het meeste interesseerde, was dat ik zoveel meer wist over muziek dan hijzelf.”
“ROD STEWART IS NOOIT EEN ECHTE BEATNIK GEWEEST, MAAR TOCH IS HIJ ZIJN OUDE VRIENDEN NIET VERGETEN”
Zou je dan kunnen stellen dat je een soort goeroe was voor Rod Stewart?
“Wellicht wel, ja. Mensen als Rod Stewart, Jimmy Page en Eric Clapton hingen steeds achter mij aan. Maar erg belangrijk is dat toch niet. Wat telt, dat zijn de resultaten. Dat Rod uiteindelijk met iets unieks op de proppen is gekomen, net als Joe Cocker b.v. Zijn eerste elpees die hij nog in Engeland maakte, vind ik dan ook erg goed, omdat ze het gevoel van folkmusic in rock vertaalden. ‘Maggie May’ b.v. waarin Rod ‘the virtues of older women’ bezingt. Alleen Gasoline Alley (*) vind ik minder.”
Waarom? Al degenen die Rod Stewart graag als folksinger horen, die houden juist het meest van deze elpee…
“Ik heb ze slechts later gehoord, er zitten dus geen nostalgi¬sche herinneringen aan vast voor mij. Ik vind het overigens geen slechte plaat, maar het stoort mij nogal dat Rod zo maar uit de volksmuziek jat en er dan zijn naam onder zet.”
Blijkbaar wil Wizz Jones hier niet veel méér over zeggen. Misschien is het juist déze elpee die over die “gemeenschappe¬lijke” liefde handelt? Rod Stewart-kenners beweren dat liedjes als “Lady Day” en “Jo’s lament” op reële feiten gebaseerd zijn en leiden er zelfs uit af dat Rod uit die tijd een natuurlijke dochter zou hebben (**). Hoe heeft Wizz Jones trouwens Rod Stewart leren kennen?
“Ik werkte bij een vriend die schilderijenlijsten maakte. Toen ik mijn vooropzeg kreeg, nam Rod mijn job over. Ook daar waren we dus alweer concurrenten… De eerste dag dat hij kwam werken had hij zijn platendraaier bij en daarop speelde hij steeds maar de eerste hit van The Stones, Come on. Dat is de eerste keer geweest dat ik iets tegen hem heb gezegd, maar het zal wel niet vleiend geweest zijn… Later zag ik hem dan terug in Parijs waar ik met Sandy als straatzanger leefde. Dat deed Rod toen ook en samen zijn we dan afgezakt naar Spanje.”
Waar jullie werden buiten gezet, zoals het verhaal gaat…
“Niet echt. Het was een soort van taktiek. Met straatzingen verdiende je immers nauwelijks de boter op je brood en als je dan werkelijk niet meer wist van welk hout pijlen maken, dan ging je gewoon naar de Engelse ambassade en zei je dat je geen geld meer had. Waarop zij je dan op hun kosten terug naar Engeland stuurden. Later moest je daarvoor betalen, maar tegen die tijd kon ik toch stilaan reeds als straatzanger aan de kost komen. Rod had toen echter al afgehaakt. Hij is nooit een echte beatnik geweest, hij hield van comfort. Voor hem is deze periode niet echt belangrijk. Dat hij er steeds maar op terug¬komt in interviews en zo, is eerder omdat hij wil bewijzen dat hij de mensen die hem indertijd op weg hebben geholpen, niet is vergeten.”
Die truuk van de “gratis uitwijzing” is ooit ook door niemand minder dan de latere leider van de Labour Party Neil Kinnock gebruikt. Ook hij is in de jaren zestig immers actief geweest als busker. Kinnock zou zelfs de Amerikaanse schrijfster Erica Jong (“Fear of flying”, in het Nederlands vertaald als “Het ritsloze nummer”) nog op gitaar hebben begeleid in Italië…

“MIJN VROEGERE VRIENDEN ZIJN NIET GELUKKIGER, NU ZE SUPERSTER¬REN ZIJN”
Maar hoe dan ook, Rod Stewart is nu een superster en Wizz Jones niet…
“Ik bleef te zeer een imitator. Ik was nooit origineel genoeg om naam te maken. Ik zou dus liegen als ik zou zeggen dat ik dit heb gekozen. Soms zijn er mensen die zeggen: Wizz, dat vinden we echt fantastisch van jou, dat je zo jezelf bent gebleven. Onzin! Als ik kans had gezien een superster te worden, dan had ik niet geaarzeld. Muzikant zijn is immers erg riskant. Je hebt geen sociale zekerheid. Als je dus de kans hebt om veel geld te verdienen, dan mag je die niet laten liggen. Ralph McTell heeft dat b.v. gedaan met Streets of London en gelijk had-ie. Maar toegegeven, ik zie die ’super¬sterren’ nog tamelijk dikwijls en gelukkiger zijn ze er niet door. Als je aan de top staat, kun je immers diep vallen. Het klinkt misschien allemaal wat cynisch, maar wat ik wil zeggen is dat alles toevallig zo is verlopen. Ik heb nu een vrouw en drie zonen en samen maken wij ook muziek. Dat is tof, dat is o.k., maar denk niet dat ik het allemaal zo had voorzien.”
Toch hoor je Rod Stewart vaak zeggen dat hij liever folk zou zingen…
“Natuurlijk. Daar heeft hij zijn hart aan verpand, net als ik. Long John Baldry was nog zo iemand. Maar ze déden andere dingen. Ik ben echter erg breed van gedachten. Ik speel zelf naast folk ook pop, rock, bluegrass en blues, ik stel het ene genre dus zeker niet boven het andere.”
“DAT IK DE GOEROE VAN DIE VEDETTEN BEN, STREELT WEL MIJN IJDELHEID MAAR DAARMEE KAN IK DE HUUR NIET BETALEN!”
Waaraan is het eigenlijk te wijten dat jij nooit bent doorge¬broken?
“Ik zat niet bij een grote platenfirma. Ik kon dus geen ‘hit’ hebben en bijgevolg geen promotie. Maar ik wil niet klagen. Ik ben wat men noemt a musician’s musician (een muzikant voor muzikanten) en dat streelt wel mijn ijdelheid, al betaal ik daar de huur niet mee. Maar ik bevind me wel in goed gezelschap. Martin Carthy b.v. leerde Bob Dylan, toen die in 1962 in Londen was, de traditional Lord Franklin en dat zie je dan later als Bob Dylan’s dream op de elpee Freewheelin’ verschijnen. Idem dito enkele jaren later toen Paul Simon in Engeland was en daar Scarborough Fair van hem leerde kennen.”
Als ik je zo bezig hoor dan kan ik toch niet nalaten de beden¬king te maken waarom iemand als Donovan het dan wél kon waar¬maken. Zijn gitaarspel is b.v. toch veel primitiever dan het jouwe?
“Het is allemaal een kwestie van de juiste man op de juiste plaats te zijn. Ik herinner me Donovan nog toen hij als schooljongetje in zijn uniform naar Mick Softly en mij kwam luisteren in een kroeg. Maar toen ik hem de eerste keer op televisie zag met een nummer dat hij had ‘gestolen’ van Jack Elliot, dacht ik: verdomme, die kerel is rotslecht, hoe durft hij! Naderhand ben ik echter van mening veranderd. Donovan heeft wel degelijk talent. Zijn composities zijn erg goed, kortom hij is een zeer smaakvolle muzikant. Hetzelfde dacht ik trouwens van Bob Dylan toen die begon. Daarom ga ik nu nooit meer af op een eerste indruk, die is toch meestal verkeerd. Enkele jaren geleden speelde ik in een kleine club in Kopen¬hagen, waar nooit een kat kwam. Donovan was daar toen toeval¬lig ook als voorprogramma van Yes. Ik liet een briefje achter in zijn loge: als je zin hebt om met mij te spelen, kom maar af. En hij kwàm! En meteen zat die club nokvol natuurlijk. Het oude verhaal, kortom.”
Van ‘78 tot ‘88 is Jones min of meer gestopt. Hij is slechts opnieuw beginnen optreden omdat zijn zoon Simeon (sax en harmonika) hem dat vroeg. Samen waren ze dan ook te zien op het verjaardagsconcert (65 jaar) van Derroll Adams (15/10/1990) in de Kortrijkse stadsschouwburg. Adams was in 1958 naar België gekomen, waar hij op de wereldtentoonstelling samen met Ramblin’ Jack Elliott optrad als The Rambling Boys, twee zingende comboys. Adams vertelde op dat verjaardagsconcert: “Donovan, die oorspronkelijk naar voren werd geschoven als de Europese Bob Dylan, vroeg me om mee te spelen op één van zijn platen. Bob Dylan, die ik nog als jong broekje had gekend - net als James Dean trouwens - en die ik nog banjoles had gegeven, had het oorspronkelijk niet zo begrepen op Donovan. Omdat ik goed kon opschieten met Donovan bracht ik de twee samen.”
Eind goed, al goed.

Ronny De Schepper

(*) Op “Gasoline alley” staat ook een versie van Elton Johns “Country comfort”, terwijl Wizz Jones vijf jaar later zijn eigen versie (volgens hemzelf had hij die van Rod Stewart dus toen nog niet gehoord) zou brengen op “Happiness was free”, een elpee die hij overigens heeft opgenomen in de studio’s van de Duitse succesproducer Conny Plank.
(**) Wellicht gaat het hier over Suzy Boffey, een kunststudente, waarbij Rod Stewart een dochter heeft verwekt, Sarah Thurbon. De familienaam is die van haar pleegvader, brigadier Gerald Thurbon. Aangezien Stewart het zwangere meisje aan haar lot had overgelaten, had die de baby immers aan een weeshuis afgestaan. Sarah is pas als tiener vragen beginnen stellen over haar afkomst en was een fan van Rod Stewart toen ze te weten kwam dat hij eigenlijk haar biologische vader was. Toen ze hem echter opzocht ten tijde van zijn huwelijk met Alana Collins, werd het een heuse afknapper. Alana zag in haar een fortuinjaagster en Rod geloofde haar blindelings. Toen hij bij Kelly Emberg was, is ze wel nog eens te gast geweest op zijn landgoed in Essex, maar na het huwelijk met Rachel Hunter werd de relatie opnieuw verbroken. Toen eind 2003 alle kinderen van Rod Stewart voor één keer eens samen waren (op de American Music Awards in Los Angeles), werd hij erop attent gemaakt dat alleen Sarah nog ontbrak. Het antwoord van Stewart sprak boekdelen: “U mag haar meetellen als u dat wil. Ik probeer dat in elk geval niet te doen.” Toen Sarah in juli 2004 in het huwelijk trad, stuurde hij enkel een ruiker bloemen.


0 Reacties tot “Streetbuskers”


  1. Geen Reacties

Reageer




Blog-teller

  • 84,833 keer aangeklikt

uit de oude doos