06
Nov
07

Een zweempje zweetgeur van Jan Wauters (*)

Trouwe lezers weten het ondertussen wel: in De Rode Vaan hadden we twee soorten van interviews. De échte interviews, op “verplaatsing” afgenomen en lang uitgesponnen over tenminste twee, maar vaak ook drie of zelfs vier pagina’s. Daarnaast was er de rubriek “aan het lijntje”: een kort telefonisch interviewtje, meestal dicht op de actualiteit, amper twee of maximum drie kolommen lang. Maar wat doe je als je een spraakwaterval als radiojournalist Jan Wauters aan de lijn hebt? Die is met één bladzijde niet te stuiten. Meer nog: op een bepaald moment was hij werkelijk gepassioneerd in zijn betoog. “’t Is toch voor De Rode Vaan, hé?” vroeg hij herhaaldelijk, omdat hij vond dat de wielersport vaak ten onrechte door de linkse pers als gemakkelijk mikpunt wordt gebruikt. “Het is de sport van de kleine man,” argumenteert Jan verder, “de linkse jongens zouden de wielrenners juist in bescherming moeten nemen.” Aan wie kon hij het beter zeggen? Het werd een spetterend vuurwerk van woorden dat wij niet wilden blussen door het tot één pagina te snoeien. Ik heb ervan genoten, u ongetwijfeld ook.

“Het mysterie Maertens”

Zoals gezegd was de rubriek “aan het lijntje” toegespitst op de actualiteit. In het geval van Jan Wauters was dit het wereldkampioenschap op de weg op 5 september 1982 in het Engelse Goodwood. Het spreekt vanzelf dat het nu nog weinig zin heeft de discussie over de selectie van destijds te herhalen. Toch wil ik één uitzondering maken. Goodwood is het WK waar Freddy Maertens zijn titel moest verdedigen. Een titel die hij tijdens het voorbije seizoen helemaal geen glans had gegeven, integendeel. Ik wilde natuurlijk weten wat Jan Wauters daar allemaal van vond.
J.W.: Ja, dat is voor mij net als voor alle andere insiders en outsiders één groot raadsel. Het mysterie Maertens. Zowel z’n hele come-back vorig jaar als z’n terugval nu opnieuw voor de zoveelste keer. Welke krachten daar meespelen, of welk gebrek aan krachten, niemand kan dat zeggen. Als hijzelf niet bereid is om daar enige verduidelijking over te geven, om daar eens eerlijk over te praten en zo… Wie heeft hem teruggebracht? Wat heeft hem teruggebracht? Vorig jaar, dat was toch onmiskenbaar… Hoewel uiterlijk nog altijd niet topfit zoals andere renners, won hij in de Ronde van Frankrijk van vorig jaar toch onmiddellijk de eerste rit met zelfs nog een zekere zwaarlijvigheid en alles. Dat verminderde en hij begon meer en meer ritten te winnen, zelfs onbetwist en dat terwijl hij voordien, en nog tijdens de Ronde ook, tientallen keren tegen de grond ging, riskant reed, onbegrijpelijk voor z’n collega’s.
Z’n hele gedrag was ook voor het publiek een beetje vreemd. Die figuur Maertens die blijkbaar niet meer in staat was om met andere mensen nog normaal om te gaan, om z’n houding een beetje te corrigeren. Enfin, je had dat geslis met z’n tong en wat weet ik nog allemaal. De mensen hadden er een raar beeld van. Er zijn vreemde vergelijkingen gemaakt en ook toen nog onprettige zaken over hem verteld. En inderdaad, je zat daar zelf ook mee: wat is er nu aan de hand? Wat voor een soort mens en type wielrenner is dat nu die Freddy Maertens? En dan won hij toch ook nog dat wereldkampioenschap met een magnifieke sprint, nadat hij trouwens heel de dag – dat heb ik in Praag zelf gezien – vooraan had gereden, werkelijk vanaf de eerste ronde attent, niet echt aanvallend, niet echt trekkend, maar zeer attent, wat dus 100% concentratie vraagt gedurende 280 km. Dat kon-ie allemaal opbrengen blijkbaar. Hij wint daar. Hij gedraagt zich daar netter, correcter dan ergens anders, hoewel hij niet op de persconferentie is verschenen en van dan af gaat het weer compleet mis.
Dan krijgen we verhalen – nog eens, die komen niet uit mijn mond, maar ik zeg de anderen dan maar na – van hij drinkt, hij verzorgt zich niet, hij komt niet meer op de rendez-vous die hij gemaakt heeft en vooral, wat ik zeg en gezien heb: hij kan niet meer mee, hij kan niet meer volgen. Dat is dus één compleet raadsel voor mij, tenzij je moet teruggaan naar wat twee, drie jaar voor zijn “herrijzenis” gezegd werd: de man is opgebrand, de man is leeg, de man heeft zich op welke manier dan ook geforceerd om ooit nog terug te komen na die val destijds, enzovoort. Maar hoewel ik een beroepswielerjournalist ben, blijf ik toch een buitenstaander, want niemand heeft ooit echt toegang gekregen tot dat cenakel. En vraag je nu Driessens, vraag je anderen, ze hebben allemaal een vaag verhaal met wegwerpgebaren van “wat is er aan de hand? Dat weet je toch allemaal zelf!” En eigenlijk weet niemand het exact.

“Sociaal relevant”

Op het moment van het telefoongesprek was het nog niet zeker of Jan zélf naar Goodwood zou gaan. Hij had dat jaar voor het eerst ook de Tour overgeslagen, weliswaar mede omwille van de Mundial, maar men kon er toch niet onderuit dat er een “godendeemstering van de Belgische wielersport” aan het plaatsvinden was en dat dit ook een rol speelde…
J.W.: Ik had inderdaad de intuïtie dat die Ronde van Frankrijk een uitgemaakte zaak was van tevoren. Niet zozeer dat de Belgen niet zouden presteren, al had ik meer verwacht van Fons De Wolf, meer van Eddy Planckaert, zelfs van Claude Criquielion. Ik had dus niet gedacht dat het zó negatief zou worden. Bovendien ben ik niet alleen maar een Belgisch sportjournalist. Ik vind niet dat je er alleen maar moet gaan om de successen van de eigen landgenoten te bejubelen. Maar ik had wel het gevoel dat Bernard Hinault daar onaantastbaar zou hebben gestaan en ik moet toegeven, alhoewel ik geen Belgicist ben of iemand die chauvinistisch achter z’n eigen landgenoten gaat staan, ik vind het wel voor de bereikbaarheid van het publiek, voor het aanslaan, opdat het lééft, dat je, vooral bij de radio, via de eigen mensen moet kunnen gaan. Het is toch maar via het presteren van de Belgische renners op de eerste plaats dat de mensen belangstelling hebben en dan kun je ook je ideeën, je beschouwingen, je manier van praten, kwijt aan de mensen.
En dan wil ik daarmee afronden door te zeggen dat in de loop van die vijftien jaar dat ik ermee bezig ben het voor mij altijd de attractie is geweest om toch dat wielrennen te doen omdat ik weet dat dit – en dan ga ik misschien een groot woord gebruiken – “sociaal relevant” is. Dat slaat aan. De wielersport kent nu een neergang misschien, maar ze is verbonden met de Vlaamse mensen, met het Vlaamse volk bijna. En als die maatschappelijke contekst er is, kun je ook je ideeën, je inzichten, je manier van beschouwen beter kwijt en krijg je meer effect dan wanneer je vijftien jaar lang volley-ball-verslaggever zou zijn of zo. Dàt is de reden waarom ik er altijd al heb willen bij zijn, ook omdat ik van huis uit, uit het volkse milieu komende, mij altijd in dat wielrennen heb thuisgevoeld ondanks alle troubles en problemen die er, ook journalistiek, voor mij zijn geweest.

“Het is een cultuur die wat afgestorven is”

- Wat mij in je betoog is opgevallen dat is dat je de teleurgang van het wielrennen “tijdelijk” hebt genoemd, omdat als ik de WK-selectie verder bekijk, ik vaststel dat de piste-selectie een aanfluiting is bijna. Dat, samenhangend met wat we over de Ronde van Frankrijk hebben gezegd, de belangstelling voor de criteriums fameus terugloopt. Maar vooral, een erg “Vlaams” verschijnsel, dat de zogenaamde kermiswedstrijden toch wel op een zeer groot dieptepunt zitten. Ik denk aan het feit dat er bijna geen deelnemers meer zijn, dertien, veertien man soms (**), dat er hoegenaamd geen struijdlust meer is, dat het zelfs is voorgevallen dat een heel peloton uit koers is genomen, dat er ordinaire vechtpartijen plaatsgrijpen tussen de “clan” Johnny De Nul en de “clan” Jan Bogaert, enzovoort. En dat alles in het jaar dat de Belgische Wielerbond z’n Eeuwfeest viert.
J.W.: Ja kijk, dat de wielersport vele ordinaire kanten heeft, ruzies, gevechten tussen supporterclans, dat heeft altijd bestaan. Ik zit er bij wijze van spreken al dertig jaar in, van huis uit. Dat de kermiskoersen al vijftien jaar, misschien al langer, een slechte naam hebben en tot allerlei… mmm ja wansmakelijke praktijken hebben aanleiding gegeven, dat is volgens mij niet nieuw, hoor. Het gokken langs de weg, het verkopen van de koersen, veel meer dan nu ook nog de dopinggebruiken, dat zijn dingen die tien, vijftien jaar geleden reeds de kanker waren van de kermiskoersen. Nu zijn er andere kankers misschien, da’s waar, en dat is ook niet fatsoenlijk en zeker te bestrijden, maar ik weet niet… Ik heb de indruk dat het een nieuwe generatie is die daar nu over valt, terwijl ik daar vijftien jaar geleden reeds over viel en daarover mijn stukken maakte. Ik weet niet of het nu erger is dan toen, zij het dat het andere aspecten waren.
De baankampioenschappen dan. Dat die in verval zouden zijn? Luister, ik heb – hoeveel jaar geleden? tien jaar? twaalf jaar? – aan Piet Theys nog voorgesteld de baanwereldkampioenschappen te laten vallen, want dat is een farce eigenlijk, dat is kunstmatig, dat zijn de Oost-Europese landen aan de ene kant die daar hun eigen prestige komen verdedigen en bij ons is het een kunstmatig in leven gehouden discipline. Wij hebben namelijk nauwelijks nog wielerbanen. Het is een cultuur die wat afgestorven is. Hoewel ik het prachtig fietsen op zichzelf vind als het goed wordt uitgevoerd. Snelheid, omnium, achtervolgen, wat weet ik allemaal, puntenkoers, die variatie die daar inzit… Maar dat is dan allemaal afgestorven mede omdat dat beperkte milieu, zo’n wielerbaan, de organisatie, alles wat daar achter zit, gemakkelijk aanleiding kon geven tot combines, van tevoren geregelde wedstrijden. Daar verglijdt de sport heel gemakkelijk naar show. En in het begin wordt die show nog goed gespeeld, maar daarna wordt-ie slecht opgevoerd en dat is inderdaad zichzelf eigenlijk om zeep helpen.
En dan komen er nog andere factoren bij natuurlijk, zoals de sponsors die in de wegwielerkoersen kwamen, het vele geld dat daardoor te verdienen was via televisie-uitzendingen, reclame en wat weet ik allemaal. Het commerciële aspectdat erachter zit is naar de klassiekers gegaan, naar de Ronden. Het podium in de Ronde van Frankrijk – ik weet het, het is een oercliché ondertussen – is een compleet circus. Maar daarin wordt wel sport bedreven! Wie niet kan volgen, wie niet die kampioensklasse heeft, die komt in de eerste tien niet voor. En dat is wat mij toch wel duidelijk nog altijd bij die wielersport houdt: bij alle voosheid die erom heen zit en bij alle gemakkelijke kritiek, en terechte kritiek ook vaak, is daar essentieel iets van kunnen, van concentratie, zowel van het lichaam als van de geest, nodig om te kunnen presteren.
En ik vind het nog altijd een uitdaging, willen presteren. Dat hoeft voor mij niet, er zijn hele levens mogelijk binnen en buiten de sport, maar als je voor die sport kiest, dan moet je presteren. En in dat presteren zijn veel geestelijke en andere eigenschappen nodig die wielrenners zeker moeten hebben of ze falen. Als De Wolf geen superkampioen is, dan is dat omdat hij zich geestelijk niet genoeg kan concentreren, zich niet helemaal op topniveau kan houden gedurende een seizoen, gedurende véle seizoenen. En dan zie ik dat zo’n man met vele begaafdheden terugvalt tot op een niveau dat hem eigenlijk onwaardig is. (***)

“Het wielrennen is de sociaal meest onbeschermde sport in ons land”

- Héél de Belgische beroepswielersport is teruggevallen op een niveau dat haar eigenlijk onwaardig is. Maar u noemt dat een tijdelijk verschijnsel?
J.W.: Je mag me niet vastpinnen op één woord! Het kan zijn hoor, dat er een verschuiving is naar een nulpunt, ik ben ook geen profeet, maar ik ga in mijn vrije tijd wel eens naar jongerenkoersen kijken (****) en ik zie enorm veel belangstelling. Er was in Bazel, waarover je daarnet sprak (de dertien deelnemers, RDS) ’s anderendaags een nieuwelingenkoers. Ik ben daar geweest. Wel, er was meer volk voor de nieuwelingen dan voor de beroepsrenners. En ik ervaar dat veel in mijn streek (Klein-Brabant, RDS): daar is veel volk, daar voelen de mensen zich aangetrokken. Maar nog eens, ik ben geen profeet, het kan zijn dat dit niet standhoudt en dat inderdaad het koersen zichzelf heeft vernietigd.
Het is ook omdat het koersen… kijk en dat vind ik… ’t is voor De Rode Vaan, hé? Wel, het wielrennen dat is misschien de meest onbeschermde sport, de volkssport bij uitstek, het is de sport eigenlijk van de massa, van de kleine man en heeft de minste structuren. Neem nu de voetbalbond, die is zoveel beter georganiseerd, met zoveel meer advocaterij, met zoveel meer ondoorzichtige comités, wat weet ik allemaal… Dat heeft de wielerbond en het wielerleven bij ons nooit gehad en is daardoor steeds veel kwetsbaarder geweest. Als jonge journalist heb ik ook het eerst kunnen toeslaan op het wielrennen, omdat ik daar de misstanden zo voor mij zag liggen en mij niemand ervan afhield, tenzij een Van Buggenhout of zo.
Maar ik heb dat nooit gekund, ik heb daartoe nooit de kans gekregen wat het voetballen betreft. Daar gebeurde alles veel meer in het duister. Combines in het voetbal? Eventuele doping? Dat was allemaal veel beter afgedekt, omdat men daar beter georganiseerd is en op andere lagen van de bevolking een beroep kan doen om dat juridisch enz. van zich af te houden. En daarom vind ik het zo jammer dat ook in linkse media zodanig op die wielersport wordt ingehakt. Ik heb dat ook gedaan, persoonlijk, omdat het mij de ogen uitstak. En je moet inderdaad voor niets willen zwijgen, je moet het durven zeggen. Maar het wielrennen is – en dat wil ik toch nog even zeggen – de sociaal meest onbeschermde sport in ons land. En precies die sport heeft voor het eerst zelf en als enige grote bond opgelegd om dopingcontroles te gaan uitvoeren. Dat is eigenlijk bijna formidabel te noemen. Hoewel het zeer pijnlijk is geweest met verschrikkelijke nefaste gevolgen en zo.
Het is een onbeschermd milieu met in het bestuur en de organisatie mensen met weinig opleiding, met veel minder juridische en andere truuks. Ja, de natuurlijke truuks uit de jungle zoals een coureur een andere in de wind zet of aan de trui trekt, dàt soort spel, het kapoenachtige… Kijk, wielrennen is een schelmensport, maar in de sympathieke zin voor mij. In die andere sport is er veel meer trut, ook meer achterbaksheid. Er is nog altijd geen dopingcontrole in de voetbalbond, hoor! (*****) En dan zeg ik: godverdorie, die volksjongens allemaal, die zichzelf op straat hebben gegooid, die inderdaad wat ruw en rabauwig zijn, die ook geen leiders hebben van niveau, zij zijn toch altijd de slachtoffers. Terwijl ik afkeur wat Pollentier doet, heb ik er eigenlijk in mijn binnenste nog een beetje beschaamd begrip voor.

Ronny De Schepper

(*) De titel slaat eigenlijk op de bespreking van een boek van Jan Wauters waar in de titel het woord “zweetgeur” voorkomt (in het praatprogramma “Tour 2007” vertelde hij nog dat de wielerverslaggeving hem minder begon te interesseren van zodra hij niet meer op de moto mocht zitten om de “zweetgeur” van de renners op te snuiven). Mijn dank gaat uit naar mijn collega Jan Mestdagh, die de poëtische titel erbij verzond.
(**) Ondertussen, 25 jaar later, is dit “opgelost” door de kermiswedstrijden ook te laten betwisten door “eliterenners zonder contract”, zodat ze nu juist met véél te véél aan de start staan (soms meer dan 200 deelnemers), maar de malaise is uiteraard nog steeds dezelfde. Idem dito voor de criteria en vorig jaar zou ik ook nog kunnen zeggen voor de piste, maar sedert dit jaar zijn er gelukkig een aantal jongeren (Keisse, Cornu, De Ketele enz.) die misschien voor een kentering zouden kunnen zorgen.
(***) Fons De Wolf is anno 2007 begrafenisondernemer in Temse.
(****) Zoon Benno was ooit een beloftevolle jongere. Zo’n beetje de gelijke van Edwig Van Hooydonck. Maar hij is nooit prof willen worden.
(*****) 25 jaar later nóg altijd niet!


0 Reacties tot “Een zweempje zweetgeur van Jan Wauters (*)”


  1. Geen Reacties

Reageer




Blog-teller

  • 84,816 keer aangeklikt

uit de oude doos