In de nieuwe regering die eind 2002 werd gevormd, werd de Braziliaanse componist en zanger Gilberto Gil tot minister van cultuur benoemd. Daarmee wordt hij een levend symbool van het feit dat de Braziliaanse muziek naast het voetbal wellicht het belangrijkste exportproduct is.
De Portugese admiraal Pedro Alvarez Cabral was met dertien schepen en twaalfhonderd bemanningsleden op weg naar Indië, toen hij op 22 april 1500 land ontwaarde. De reusachtige landstreek die zich rond de Amazone kronkelde, kreeg de naam Brazilië en zou tot 1822 de rijkste kolonie van Portugal blijven. Voor de oorspronkelijke bewoners, de indianen, was het echter het begin van een regelrechte volkerenmoord.
Volkerenmoord, jawel want in de 16de eeuw leefden in Brazilië 3 à 6 miljoen indianen. In 1900 waren het er nog 1 miljoen, in 1964 nog 200.000 en nu resten er nog zo’n 50.000, meestal enkel nog in het Noord-Oosten. We mogen immers niet vergeten dat Brazilië met meer dan 8.500.000 vierkante kilometer een enorm land is.
Tot in het begin van vorige eeuw verkozen de zwarten en Indianenslaven hun stamkoningen. Al bleven zij slaven in de ogen van de blanken, toch kenden zij bij hun eigen volk een grote verering. Deze Kroningsfeesten lagen later aan de oorsprong van het kleurrijke Braziliaanse carnaval.
Door het feit dat de slavernij bij de indianen vroeger werd opgeheven dan bij de zwarten (resp. einde achttiende en einde negentiende eeuw) is de “carnavalmuziek”, met name de Batugra, Frevo, Marcatu en natuurlijk de Samba, voornamelijk van Afrikaanse oorsprong.
Uit miserabele omstandigheden komt vaak grote uitbundigheid voort als reactie tegen de miserie, denken we maar aan de reggaemuziek, aan de cajuns en ook aan onze eigen volksmuziek uit de vorige eeuw (Karel Waeri b.v.). Het is dus hoegenaamd niet paradoxaal dat uit een land als Brazilië, waar foltering, “verdwijning” en zelfs volkerenmoord schering en inslag zijn, dat precies daaruit een zeer joviale muziek voortkomt in de heetgebakerde ritmes van de samba gegoten…
HET RITME VAN DE BOSSA NOVA
In 1958 veroverde het Braziliaanse elftal voor het eerst de wereldtitel, liet president Kubitschek de futuristische nieuwe hoofdstad Brasilia bouwen door Oscar Niemeyer en kende ook de Braziliaanse “Cinema Novo” van Glauber Rocha een groot succes. In datzelfde jaar liep de gitarist Joao Gilberto in Ipanema, net als Copacabana een kuststreek van Rio de Janeiro, de klassiek gevormde componist Antonio Carlos (”Tom”) Jobim en de dichter (en latere diplomaat) Vinicius de Moraes tegen het lijf. Alle drie waren ze afkomstig uit een rijke familie en ze hoefden dus geen muziek te maken om te overleven, nee, ze konden experimenteren en zoeken naar de vorm die hen het meest beviel. Het ritme van Gilberto bleek net datgene te zijn wat de composities van Jobim nog misten en de pikante teksten van de Moraes deden de rest. “Chega de Saudade” van Joao Gilberto wordt algemeen aanvaard als de eerste bossa nova-plaat.
Dat Gilberto met een nieuw geluid uitpakte, wil natuurlijk niet zeggen dat hij totaal geen voorbeelden had. Met name Baden Powell (1937-2000, wel degelijk genoemd naar de stichter van de scouts) wordt vaak in dat verband genoemd. Diens versie van “Tristeza” (van Haroldo Lobo en L.Niltinho) is b.v. wereldberoemd.
De tegenhanger van Powell is Laurindo Almeida, die al in 1954 met de jazzsaxofonist Bud Shank de elpee “Brazilliance” opnam en op die manier het vaderschap van de bossa nova opeist. En er is ook de blinde jazzpianist Manfredo Fest (1936-1999) die in aanmerking zou komen. Maar als dat het criterium zou zijn, zou men nog verder kunnen teruggaan tot de jaren dertig toen Alfredo da Rocha Viana Filho alias Pixinguinha (1898-1973), een volks artiest, waarvoor de “klassieke” componist Heitor Villa-Lobos veel respect had, ook reeds een saxofoon gebruikte bij zijn opnamen, wat door de Brazilianen als “Amerikaans” werd ervaren.
Zoals het vaak gaat sloeg de nieuwe muziekvorm niet onmiddellijk aan en om hun bezorgde ouders tevreden te stellen, trok het trio er dan maar mee naar de universiteit, omdat dit toch een “respectabel” publiek vormde. En jawel, nadat de studenten het ritme oppikten, begonnen ook de radiostations bossa nova (letterlijk: nieuw ritme) te spelen. Rond 1960 was het reeds het meest populaire genre in Brazilië.
Toen in 1962 de Amerikaanse jazzmuzikanten Charlie Byrd (1925-1999) en Stan Getz (1927-1991) een bossa-elpee opnamen onder de misleidende titel “Jazz Samba” (met daarop o.m. “Desafinado”) volgde de mondiale doorbraak. Ondanks de opkomst van de Beatles werd de rage in 1964 nog even doorgeduwd toen Stan Getz met de zus van Joao, Astrud Gilberto, “The girl from Ipanema” uitbracht (oorspronkelijk: “A Garota de Ipanema” in tegenstelling tot de “carioca’s”, de meisjes van Rio).
Waren de Amerikaanse musici met de beste bedoelingen bezield, dan was dit zeker niet het geval met de Amerikaanse uitgevers, die de Braziliaanse componisten grandioos in de luren legden. Daarom betekende 1964 meteen ook het einde van de rage, zeker toen dat jaar ook de militaire dictatuur van generaal Castelo Branco werd gevestigd.
De bossa nova leefde verder, maar het opgewekte karakter verdween. Het ritme werd nu aangewend om bittere protestnummers te zingen. Dat was zo o.a. met “Construcao” van Chico Buarque (1944) uit 1971, die toen door de militairen uit het land werd gezet (een ander nummer van hem, “Calice”, werd eveneens verboden), maar ook nog in 1996 met het nummer “Antes que seja tarde” van de pianist Ivan Lins, gezongen door Terence Blanchard. Toen was Jobim reeds twee jaar overleden en de Moraes al veel langer. Alleen Gilberto treedt nog op, maar hij is met de jaren een beetje nukkig geworden en mijdt daarom de publiciteit. Of is het omgekeerd?
TROPICALISMO
De grootste vedette op de dag van vandaag is echter een andere Gilberto, Gilberto Gil (1942). Deze voormalige accordeonist schakelde over op gitaar, nadat hij Joao Gilberto op de radio had horen zingen. Hij was ook de spil van de “Tropicalismo”-beweging, die vanaf 1968 (met de elpee “Tropicalia”) de invloed van The Beatles op een creatieve manier kon verwerken. Samen met Gal Costa, Maria Bethania en haar broer Caetano Veloso (1942) richtte Gil de groep Baianos op. In de studio kregen zij daarbij de steun van dirigent Rogerio Duprat, net als Tom Jobim een leerling van de Duitser Hans Joachim Koellreutter, die in 1937 op de vlucht voor de nazi’s in Brazilië was beland. Hierbij is vooral de invloed van Woody Guthrie opvallend, zodat de teksten een tegenhanger vormden voor de zon-en-strand muziek, die ook in de bossa nova waren gaan overheersen.
Anderzijds wijst Chico Buarque er in een gesprek met De Morgen van 13/5/1989 terecht op dat je het ook geen “protestsongs” kunt noemen: “De Braziliaanse protestsong heeft een andere toon, is nauw verbonden met carnaval, dansbare en vrolijke muziek, doorgaans is het een samba of een marchinha. Er steekt steeds dat element van dubbelzinnigheid in, het protest dat er in steekt is niet zwaar op de hand, niet zo vol woede en verontwaardiging als bij de Amerikaanse en Europese protestsong het geval is.”
Of zoals de legendarische Jackson do Pandeiro het stelt: “In een land waar men slechts met de grootste moeite weet te overleven heeft een zanger slechts één functie: de mensen amuseren en zo hun leven een beetje draaglijker helpen maken.” (De Morgen, 30/6/1993)
Net zoals Buarque, werden ook Gilberto Gil en Caetano Veloso verbannen (in 1969). Gedurende enkele jaren gingen ze in Groot-Brittannië wonen en dat was juist een springplank voor hun internationale doorbraak. Zo nam b.v. Stevie Winwood hen onder zijn vleugels. Ze keerden terug midden de jaren zeventig toen de militaire dictatuur de teugels wat vierde.
Dat was ook het geval voor Chico Buarque die in Italië was terechtgekomen, waar Braziliaanse muziek helemaal niet aantikte, zodat hij verplicht was om met de toen reeds stokoude Josephine Baker te gaan werken, om toch een beetje aan de bak te komen. De eerste (en grootste) hit van Buarque is “A banda” uit 1966, maar in ons land is Chico vooral bekend door zijn “Partido alto”, maar dan wel in de versie “Qui c’est celui-là”, die Pierre Vassiliu ervan heeft gemaakt en waaraan Buarque zo’n hekel heeft dat hij een advocaat onder de arm heeft genomen.
Andere vertegenwoordigers van “Tropicalismo” zijn Sergio Mendes en Jorge Ben, de man van “Mas Que Nada” (1963), “Païs Tropical”, “Taj Mahal” en “Fio Maravilha”. Dit laatste nummer werd overigens door Rod Stewart “bewerkt” tot “Do you think I’m sexy”, maar toen Rod de auteursrechten van Ben “vergat” te vermelden, was het hommeles. De twist werd echter bijgelegd (de auteursrechten gaan nu naar Unicef) en op Rods volgende elpee “Beautiful Losers” heeft Jorge Ben zelfs speciaal een nummer geschreven (”She won’t dance with me”). Ben, die sinds 1990 “Jorge Benjor” heet, lonkt trouwens heel uitdrukkelijk naar de V.S., b.v. met de elpee “Brother”, wat een misleidende titel is, want buiten de titelsong zijn alle nummers in het Portugees gezongen. De teksten van Jorge Benjor zijn vaak religieus getint, want als gewezen seminarist heeft hij een grote bewondering opgevat voor Thomas van Aquino.
Net een trapje lager staat José Barrense-Dias (”Durumdumdum”). Minder bekend is Benito di Paula. Zijn “Charlie Brown” is dan ook slechts in de versie van onze eigen Belgische Two Men Sound een wereldhit geworden. De naam van Erasmo Carlos zegt u waarschijnlijk niets en zijn “Cachaça mecânica” al evenmin, maar bij beluistering kan u vaststellen dat dit een veelgedraaid nummer op de radio is.
Gilberto Gils “Baba alapala” wordt o.m. ook gezongen door de zangeres Zezé Motta en deze behoort tot de zogenaamde “Novo Wave Brazil”. Deze “Novo Wave” heeft echter weinig met New Wave te maken. De Brazilianen zijn immers (begrijpelijk genoeg) eerder beïnvloed door funk i.p.v. door punk. Dat geldt vooral voor Tania Maria en Margareth Menezes (”Ellegibo”), maar ook voor Carlos Dafe (”De alegria raiou o dia”), Raul Seixas (”Tapancacara”), Ney Matogrosso (”Nao existe pecado ao sul do Equador”), Belchior (”Corpos terrestres”), de groep A Cor do Som (”Arpoador”) en Tim Maia (”Sossego”).
Gilberto Gil zelf zocht toenadering tot de reggae, nam platen op met Jimmy Cliff en The Wailers en is nog een tijdje minister van cultuur geweest in de staat Bahia voor het Braziliaanse equivalent van Agalev. Zijn populariteit is nog erg groot maar wordt nu wel bedreigd door Marisa Monte, die - afkomstig uit een aristocratische familie van grootgrondbezitters - oorspronkelijk opera ging studeren in Italië (haar groot idool is Maria Callas), maar daar tot de conclusie kwam dat ze net als de eerste de beste andere carioca toch eerder voor een losbandig bestaan in de wieg is gelegd.
NAZARE PEREIRA EN DE MUZIEK UIT HET NOORD-OOSTEN
Maar tegenover dit (althans voor sommigen dus) min of meer welvarende Zuiden staat het Noorden, Amazonië, de Nordeste, met de vele slachtoffers die droogte en armoede steeds opnieuw maken. Misschien daarom kregen muziek en dans zo’n belang voor de bewoners van die streek. Hun muziek (waarin je duidelijk Indiaanse, Portugese en Afrikaanse invloeden herkent) helpt hen de dagdagelijkse werkelijkheid iets draaglijker te maken.
Maria de Nazaré Pereira ziet in dit “andere” Brazilië het levenslicht. Ze werd geboren uit een indiaanse moeder, die werd bezwangerd door een Italiaanse avonturier. Wanneer ze zeven jaar is, verhuist de familie naar Belem, havenstad op de Amazonerivier. Ze doen er drie maand over met een gammel bootje. In Belem wordt ze onderwijzeres. Ze voelt zich vooral aangetrokken tot toneel, maar daarvoor moet je in Rio zijn. Maar in 1966 krijgt een Indiaanse niet zoveel rollen toegewezen, ze kan alleen die van meid, slavin of prostituée spelen. Toch wint ze een reis naar Portugal. En van Portugal naar Frankrijk is niet ver, waar ze in 1969 een stage volgt bij niemand minder dan Jack Lang en daarna nog bij Bob Wilson. Ze blijft in Frankrijk, sticht er een school voor Braziliaanse dansen en brengt in 1978 haar eerste elpee uit “Nazaré”, die net zoals de twee volgende “Amazonia” en “Natureza” vol traditionele muziek uit de Nordeste staat. In haar eigen compositie “Natureza” verzet ze zich tegen de verdere ontginning van het Amazonewoud…
Nazaré Pereira: “Natureza” was voor mij de perfecte plaat. Toch vonden de producers dat er nog iets aan ontbrak. Ik had toen ook een kinderliedje opgenomen, “La Marelle”, gedeeltelijk in het Frans gezongen, en dat hebben we er dan maar bijgenomen. En uitgerekend dàt liedje is een reusachtig succes geworden en de volgende jaren heeft men steeds getracht dat succes te evenaren. Ik moest in het Frans zingen, ik werd speciaal naar kinderen toe gepromoot, maar een hit laat zich nu eenmaal niet commanderen. Na één elpee en vier singles die op die manier de mist ingingen, wilde men dan iets anders proberen. Men deed me een elpee opnemen à la Copacabana, zeer gesofisticeerd, met synthesizers en heel de bazaar. Ik hou daar helemaal niet van, ik geef nog steeds de voorkeur aan mijn autochtone akoestische muziek, die eerlijker en natuurlijker is. Toch heb ik er met hart en ziel aan gewerkt, want als ik het dan toch moest doen, dan wou ik het goed doen. En al werd de plaat zowat overal gespeeld, toch verkocht ze niet goed omdat er vooral met de distributie een en ander misliep. Vandaar dat ik er nu ben mee opgehouden me te plooien naar de wensen van de platenbonzen en dat ik nieuwe dingen wil uitbrengen dat opnieuw zal aansluiten bij vroeger werk.
- Terug naar de bron …
N.P.: Zeer zeker! Ik heb altijd getracht niet het slachtoffer te worden van de hitmachine, maar blijkbaar lukt dat niet steeds.
- Ga je dan ook opnieuw in Brazilië opgenomen?
N.P.: Dat niet, ik ben zeer tevreden van de muzikanten waarmee ik in Frankrijk werk.
- Maar toch keert u af en toe terug naar Brazilië om het contact met uw “roots” niet te verliezen?
N.P.: Uiteraard, zo’n twee keer per jaar.
- Is het waar dat u in het begin van uw carrière een politieke banneling was?
N.P.: Politiek niet, maar sociaal wel. Gezien de moeilijke sociale en financiële situatie van mijn land, ben ik eruit getrokken op zoek naar nieuwe horizonten. En in Frankrijk heb ik de goede respons gevonden …
- Toch is het opvallend dat u vaak optreedt in linkse milieus…
N.P.: Luister, natuurlijk ben ik een kind van 1968 en heb ik mede de presidentscampagne van Mitterand helpen verzorgen, maar verder speel ik zowel voor links als voor rechts, al zijn er natuurlijk wel grenzen, ik denk aan het Front National bijvoorbeeld. Het voornaamste is echter dat het klikt.
- En klikt het een beetje met het Belgisch publiek?
N.P.: Mijn eerste televisie-optreden was in België en het zal wel mede daardoor zijn dat ik steeds graag terugkeer naar Brussel. Ik heb daar reeds viermaal opgetreden en vooral het openluchtconcert op de grote markt t.g.v. het millenium is me bijgebleven. Het regende toen zo hard dat ik ermee wou ophouden omdat ik vreesde dat de mensen die in die regen stonden te dansen ziek zouden worden, maar ze wilden gewoon van geen ophouden weten. Dat gebeurt me trouwens wel meer dat ik me laat meeslepen door mijn publiek. Op het feest van “L’Humanité” moest ik één uur spelen en het werden er twee en een half.
AFRIKAANSE INVLOEDEN
Dat betekent evenwel niet dat Nazaré “pure” Indiaanse muziek zou brengen, want ook in het Noorden heeft er een symbiose plaatsgevonden met de Afrikaanse ritmen en de Portugese melancholie. De vedelmelodieën van de sertao b.v. zijn ontstaan uit de litanieën van de Portugese priesters, gecombineerd met de koorzang der indianen (en op die manier niet te verwarren met de modinha, die de Braziliaanse versie is van de fado of de Portugese hofmuziek).
Haar mobiliteit (onderwijs, theater, dans- en muziekopleiding in Rio) uit zich trouwens ook in haar muziek. Zo staan er op haar tweede elpee “Amazonia” ook een samba-choro (”A que vier en traco”; choro is eigenlijk de “klassieke muziek” van Brazilië, straatmuzikanten staan er letterlijk afkerig tegenover), een capoeira uit Bahia (”Baia veia Baia”; een capoeira gaat terug op muziek van de Angolese slaven) en zelfs een wals (”Nuvens que passam”).
Het is precies deze wals (van haar accordeonist Julinho) die muzikaal zeer sterke herinneringen oproept aan de “banda tipica” in Mexico en zelfs de Tex-Mex of Norteno-muziek in het Zuiden van de VS. Nochtans is de accordeon via Paraguay in Brazilië ingevoerd en wel tijdens de oorlog tussen de twee landen op het einde van de vorige eeuw. Het is dan ook eerder de nabijheid van de Argentijnse gaucho’s die voor nog wel meer (extra-muzikale) overeenkomsten zorgt met de “cowboys”.
De geijkte expressiemiddelen van Nazaré Pereira zijn echter de baion, de xote en de forro. Vooral deze twee laatsten roepen een soort van “bal populaire” op. De forro is een soort van kruising tussen polka en ska en vooral Alceu Valença is er een bekende vertolker van.
In twee eigen composities in de vorm van een xote schetst Nazaré de positie zowel van de Indiaanse boer als van de boerin. “Cristina” is een liefdeslied, maar in “Xerem” (gepelde maïs) klinkt onderhuids de klacht door dat, terwijl de mannen feest vieren, de vrouwen moeten doorwerken. Toch is dit lied van toon vooral onderdanig, een zich schikken in z’n lot.
De componist bij uitstek van dit soort muziek is Luis Gonzaga, die vooral populair was na de Tweede Wereldoorlog. Ook zijn zoon is later in de muziekwereld gestapt, maar veel invloed van zijn vader is er o.a. in “A fecidade bate à sua porta” van de vrouwengroep Fréneticas toch niet te horen.
De baions zijn het terrein van Humberto Texeira die met “O baiao em Paris” en “Kalu” zelfs internationaal enige faam verwierf.
Baions maken ook het grootste deel uit van de filmmuziek (van Alfredo Ricardo do Nascimento en Ze do Norte) voor “O Cangaceiro” (Lima Barreto, 1953). Deze “Braziliaanse western” handelt over de vrienden van Lampiao, een soort van plaatselijke Robin Hood. Op die manier kwam ook Mike Stoller onder invloed van het genre. Hij schreef “Lola” voor ene Bob London in 1955, maar het flopte totaal. Behalve… in België waar het werd uitgebracht door Ronnex. Onder andere Albert Weyn is één van de velen die zich de plaat aanschaft.
Maar ook in de typische noordelijke nummers van Nazaré vinden we Afrikaanse invloeden terug, die we b.v. ook aantreffen bij Paul Simon en diens album, “The rhythm of the saints”. De groep Olodum b.v., die meespeelt op “The obvious child”, is een puur uit slagwerk bestaande “natie” (groep, zwarte broederschap) uit de provincie Nordeste. Het ritme van de zogenaamde Maracatu Nasau (Afro-Braziliaanse processiemuziek) werd ook gebruikt door David Byrne voor zijn versie van “Don’t fence me in” van Cole Porter op de CD ten voordele van het aidsonderzoek.
De Afrikaanse invloeden zijn hierin evident, net als in de capoeira, een dans, die eigenlijk een gestileerde weergave is van een worstelwedstrijd waarbij men op de armen steunt en de tegenstrever met de voeten tracht te raken. Dit spel is uitgegroeid tot een soort paardans van de jongens omdat het de meisjes de kans biedt de schoonheid, snelheid en kracht van de jongelui te bewonderen.
Volledigheidshalve vermelden we nog “Flecha de fogo” en “Boi Bumba” die net als “Baia veia Baia” teruggaan op de macumba-ritmen, die mysterieuze mengeling van christendom, Afrikaanse natuurgodsdienst en Indiaanse gebruiken.
Tegelijk is dit een illustratie dat de Indianen veel meer van repressie hebben te lijden dan de zwarten (wat anderzijds nu ook weer niet wil zeggen dat zwarten het màkkelijk hebben gehad in Brazilië: de beroemde zwarte voetballers b.v. waren in het begin van deze eeuw nog verplicht hun gezicht wit te poederen om in het nationale elftal te mogen fungeren). Zo kunnen we vaststellen dat de capoeira (toch een voorbeeld van zwart protest) geïncorporeerd is in de door de overheid gesubsidieerde show “Brasil Tropical” (waaraan o.a. de Bretoense bandoneonspeler Gwenaël Micault meewerkt, zie ook zowel Rudolf Werthen als Viktor Lazlo), terwijl de Indiaanse protestzangers hun liederen in de clandestiniteit moeten brengen. Terwijl b.v. bijna àlle hedendaagse Braziliaanse zangers zich in de “black is beautiful”-beweging inschakelen, is het enkel Milton Nascimento (met zijn vaste percussionist Nana Vasconselos) die zich het lot van de indianen aantrekt. Zelfs de acties van Sting voor het behoud van het Amazonewoud en z’n oorspronkelijke bewoners kan op het nodige scepticisme rekenen.
Ronny De Schepper
The Story of Bossa Nova is verkrijgbaar in de low budget reeks Hemisphere van EMI (724352433520).
0 Reacties tot “Muziek uit Brazilië”
Reageer