02
Sep
07

De magisch-realistische muziek van The Shadows

shads66.jpgDe eerste maal dat ik gewaar werd dat je louter en alleen door de KLANK van een elektrische gitaar door de knieën kunt gaan, moet zo rond 1962 geweest zijn. Alhoewel er reeds zoiets als een NIR bestond, luisterden wij, bikkelharde jongens van elf, liever naar Radio Luxemburg, waarop wij op zondagmiddag na de “Alles of niets”-kwis van Elnett Satin (met Jef Burm als een blitse voorloper van Ann Robinson) steevast de knop een ferm ruk naar rechts gaven als Cliff Richard uitschreeuwde: “Ready, Teddy, go man go!” Met andere woorden: tijd voor “het wekelijkse halfuurtje voor de teenagers”, zoals dat destijds genoemd werd.

1962 zei ik, dat is dus vlak voor The Beatles opstegen uit de Hamburgse Reeperbahn om de wereld te gaan veroveren. En in die tijd was het inderdaad àl Cliff Richard wat de klok sloeg. Ook het nummer waarvan we hogervermelde fluwelen benen kregen was van hem, “The Young Ones” namelijk, maar de verdienste kwam in dit geval echter niet Cliff zelf toe, maar de man aan de trillende snaar: Hank Marvin (*) van het collectief dat zich – heel bescheiden – The Shadows noemde, de schaduwen achter de rug van Ome Cliff.
JERRY LORDAN
In die tijd was het niet abnormaal dat België twee jaar achterop hinkte op popgebied. De echte geschiedenis van The Shadows begint immers reeds in 1960 met “Apache”, voor menigeen de beste instrumentale popplaat allertijden.
Ik kan daar inkomen, al blijft die titel bij mij weggelegd voor “Wonderful land” uit 1963. De discussie is echter enigszins irrelevant omdat het niet alleen dezelfde uitvoerders betreft, maar tevens dezelfde componist, namelijk Jerry Lordan, uit wiens pen nog een derde nummer vloeide, dat eveneens in aanmerking zou komen voor deze discussie, namelijk “Atlantis”.
Een grappige anekdote bij “Atlantis” is wel dat The Shadows twee nummers met deze titel kregen aangeboden. Uiteraard ging hun voorkeur naar de compositie van Jerry Lordan, maar die van Russ Ballard van The Roulettes zouden ze in 1965 uiteindelijk ook opnemen, maar dan wel onder de titel “The Lost City”.
Signaleren we ook nog dat Jerry Lordan later nog twee weggelopen Shadows (Jet Harris en Tony Meehan) van de hongerdood heeft gered door hen “Diamonds” en “Scarlet O’Hara” aan de hand te doen.
Wijlen Johan Daisne lag bij leven en welzijn steeds op de loer voor magisch-realistische kunstenaars. Vooral literatoren natuurlijk, maar ook in de schilderkunst en in de film (met name de twee Delvaux, schilder Paul en regisseur Alain) trof hij talrijke voorbeelden aan van wat in zijn ogen magisch-realisme was.
Voor de muziek was dit enigszins problematischer. Muziek is immers zo abstract (in wezen is iedere muzikale uiting magisch-realistisch) dat het moeilijk was om het terrein af te bakenen. Daisne geraakte dan ook niet verder dan Maurice Ravel en Modest Moessorgsky (respectievelijk met de “Boléro” en “Beelden uit een tentoonstelling”).
Nochtans, indien hij zijn oor ook bij de popmuziek zou hebben te luisteren gelegd, dan was hij zeker en vast verrast geweest door de ijle gitaarklanken van The Shadows, vooral dan bij de composities van Jerry Lordan, die steeds getuigen van het romantische escapisme naar een “ideaal land”, een Utopia, een Atlantis, een Bermuda Driehoek. Kortom, een typisch MR-gegeven.
HANK MARVIN…
Het is natuurlijk niet voldoende dat een instrumentaal nummer “Wonderful land” of “Atlantis” héét om magisch-realisme te zijn. Het moet werkelijk ook zo klinken. Bij The Shadows is het vooral sologitarist Hank Marvin die voor dit effect zorgt. Het is dan ook geen toeval dat Marvin ook werd gevraagd voor de originele opname van “Evita” en dan meer bepaald voor het nummer “Buenos Aires”, waarin Eva Peron (op dat moment nog “the village belle”) wegdroomt. In zijn gitaarsolo roept Marvin dan echo’s op van “Wonderful land”, wat natuurlijk niet verwonderlijk is, aangezien Buenos Aires voor de jonge Eva het “wonderful land” is.
Hank B.Marvin is wellicht één van de meest invloedrijke gitaristen uit de popgeschiedenis. Dat wordt o.m. bewezen door imitatiegroepen zoals The Jaguars, met als leadgitarist Dave Mason, die veel later een totaal andere richting zou uitgaan met Traffic. Hetzelfde geldt voor David Gilmour van Pink Floyd. Luister maar naar zijn solowerk in “Atom heart mother”, dat ik louter daarom ook als magisch-realistisch zou durven bestempelen (**). Niet toevallig allicht zorgde Gilmour later ook voor de gitaarsolo op “Wuthering heights” van Kate Bush naar één van de klassieke boeken van het magisch-realisme.
Verder zouden we ook nog Phil Manzanera van Roxy Music kunnen vermelden, die met hun steeds weerkerend Lorelei-motief misschien ook wel als magisch-realistisch kunnen worden gebrandmerkt, maar ook rechttoe-rechtaan gitaristen als Jimmy Page, Alvin Lee, John Lennon, Georges Harrison, Roy Wood, Steve Marriott of Rick Wills blijken Hank Marvin-adepten. We zouden zelfs Neil Young aan het woord kunnen laten (in Humo): “Hank B.Marvin van de Shadows was mijn allereerste idool. Een heel grote jongen, met een eigen sound. Alle gitaristen in Winnipeg, waar ik woonde, waren gek op hem. Randy Bachman ook. Die heeft nog bij mij op school gezeten. Hank B.Marvin was de jongen die alles kon wat ik wilde kunnen. Daarom schreef ik in het begin uitsluitend instrumentals.”
En in Nederland was er Eelco Gelling die met de broertjes Wim en Hans Kinds en Nico Schreuder The Rocking Strings vormde die voornamelijk The Shadows naspeelden. Toen zich ook een zanger bij de groep voegde, in de persoon van Harry Muskee, gingen ze evenwel geen Cliff Richard-nummers uitvoeren, maar ze doopten zich om tot… Cuby and the Blizzards!
Hier in Vlaanderen komt Jef De Visscher van Kandahar nog het meest de Marvin-sound (en het MR) nabij (met name in “The hobbit” bereikt De Visscher – in dialoog met de cello van Etienne Delaruye – een “Lordaniaans” effect), maar ook Raymond van het Groenewoud of Jean Blaute zijn niet te beroerd om zich af en toe eens op “Apache” te storten.
…EN DE ANDEREN
De samenstelling van The Shadows is in de loop der jaren nogal eens veranderd. Wondergitarist Hank Marvin en ritmegitarist Bruce Welch zijn er reeds bij sedert de prehistorie (1958) toen ze nog The Drifters (***) heetten, naam die moest gewijzigd worden omwille van de gelijknamige Amerikaanse vocal group, die hier te lande vooral bekend is van “Save the last dance for me”.
Ook de reeds genoemde basgitarist Jet Harris en drummer Tony Meehan stammen uit die periode. Alhoewel deze laatste, die eind november 2005 op 62-jarige leeftijd stierf, ook enigszins legendarisch is, is zijn opvolger Brian Bennett, die daarvoor o.a. bij Marty Wilde en de waanzinnig geworden Vince Taylor had gespeeld, nog meer de historie ingegaan. Hoeveel onheil heeft zijn “Little B” immers niet aangericht in de periode dat drumsolo’s nog populair waren in popmuziek?
Samen met Cliff waren The Shadows ook te zien in diverse films, waarvan de eerste meteen ook de belangrijkste is. “Expresso bongo” (waaruit de hit: “A voice in the wilderness”) is immers een film die vooral ophef maakte omdat er een striptease in voorkwam. De librettist van deze musical was Wolf Mankowitz, die in 1965 met het bijna unieke curiosum uitpakte van een pop-operette, “Passion Flower Hotel”. Het liefdesverhaaltje over twee aan elkaar grenzende scholen, een jongensschool en een meisjesschool uiteraard, werd echter zelfs voor die tijd veel te braaf op het toneel gebracht, zodat de Londense versie enkel de geschiedenis zal ingaan door de cast die o.m. Pauline Collins, Francesca Annis en… Jane Birkin verenigde. Als dàt geen magisch-realisme was!

Ronny De Schepper

(*) De enige andere gitarist waarover ik dit zou durven beweren kwam een paar jaar later op de proppen: Peter Green van Fleetwood Mac. Vooral in nummers als “Albatross” en “Oh well (part two)”.
(**) Dat geldt ook voor andere popcomposities van langere adem zoals “In-a-gadda-da-vida” van Iron Butterfly of “In the court of the crimson king” van King Crimson. Door die langere duur krijgen we immers vaak een soort van “verhalende” of op z’n minst “beschrijvende” muziek. En wat dan “beschreven” wordt is vaak associatief van karakter. Vandaar allicht.
(***) In de allereerste samenstelling maakte Cliff Richard, die toen nog gewoon Harry Webb heette, nog als zanger deel uit van de groep, die verder bestond uit Norman Mitham en Ian “Sammy” Samwell, gitaar, en Terry Smart, drums. Er was dus geen echte bassist (zoals ook Peter Koelewijn opmerkt over de eerste Rockets), die functie werd pas waargenomen door Sammy Samwell, toen ze op tournee gingen met de Amerikaanse The Kalin Twins (”When”) Mitham de groep had verlaten, die dan al “Cliff Richard and the Drifters” heette, en werd vervangen door Hank B.Marvin (Newcastle, 28/10/1941) en Bruce Welsh (Bognor, 2/11/1941). In dezelfde tournee was er ook nog een andere groep voorzien, The Most Brothers, en hierbij speelde Terence “Jet” Harris (Kingsbury, 6/7/1939) bas. Hij nam de plaats van Sammy Samwell in, toen deze besloot zich uitsluitend aan componeren te wijden. Samwell speelde de oorspronkelijke gitaarsolo’s, ook die op zijn eigen compositie “Move it”, Cliffs eerste hit. Tot zijn dood op 13/3/2003 zal hij nummers blijven leveren, meestal voor Cliff, maar het succes van “Move it” zou hij nooit meer evenaren. Het dichtst in de buurt kwam nog “Watcha gonna do about it” van The Small Faces. Korte tijd later werd Terry Smart dan vervangen door Tony Meehan (Hampstead, 2/3/1943) en deze samenstelling wordt dus over het algemeen als de “originele” Shadows gezien (ook al heetten ze toen nog altijd The Drifters).


1 Antwoord tot “De magisch-realistische muziek van The Shadows”


  1. 1 yvan beuckels
    17 juni 2009 at 2:59 pm

    Dank je, Ronny, voor deze inbreng.

    Vooraleer ik je artikel las, voelde ik het ook zo aan, maar ik zou het niet op deze manier geformuleerd krijgen. Ben dus blij dat ik dit kon lezen!

    Ik heb wat met magisch realisme, maar bijna nog sterker met the Shadows, want ik ben fan… sinds 1962…

    Beste groeten

    van

    Yvan Beuckels

    uit zijn (mostly) Wonderful Land.


Reageer




Blog-teller

  • 200,638 keer aangeklikt

uit de oude doos